Wet merken BES
Hoofdstuk I. Algemeen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder «Onze Minister» verstaan: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat.
Artikel 2
Alle stukken, gericht tot en uitgaande van Onze Minister, benevens de daarbij behorende volmachten en bewijsstukken, zijn vrij van recht van zegel en van de formaliteit van registratie.
Artikel 3
Indien het kantoor van Onze Minister gedurende de laatste dag van enige door of jegens Onze Minister in acht te nemen termijn is gesloten, wordt de termijn voor de toepassing van deze wet verlengd tot het einde van de eerstvolgende dag, waarop het kantoor wederom is geopend.
Artikel 4
Ingeval de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES niet een rechter aanwijzen, voor wie de rechthebbende op een merk tot vaststelling van zijn recht of wegens inbreuk daarop kan worden opgeroepen, kan de verweerder voor het gerecht in eerste aanleg, zittingsplaats Curaçao, worden opgeroepen.
Hoofdstuk II. Individuele merken
Artikel 5
Als individuele merken worden beschouwd de benamingen, tekeningen, afdrukken, stempels, letters, cijfers, vormen van waren of van verpakking en alle andere tekens, die dienen om de waren of diensten van een onderneming te onderscheiden.
Evenwel kunnen niet als merken beschouwd worden vormen die door de aard van de waar worden bepaald, die de wezenlijke waarde van de waar beïnvloeden of die een uitkomst op het gebied van de nijverheid opleveren.
Artikel 6
Onverminderd de bepalingen van het gemene recht, kan een geslachtsnaam als merk dienen.
Artikel 7
Onverminderd de in het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 of het Protocol van 27 juni 1989 (Trb. 1990, 44) bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 14 april 1891 vastgestelde rechten van voorrang dan wel het recht van voorrang voortvloeiend uit het Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de Intellectuele Eigendom van 15 april 1994; bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, wordt het uitsluitend recht op een merk verkregen door het eerste depot, verricht bij Onze Minister of voortvloeiend uit een inschrijving bij het Internationaal Bureau voor de bescherming van de industriële eigendom, hetgeen wordt aangeduid als internationaal depot.
Bij de beoordeling van de rangorde van het depot wordt rekening gehouden met de op het tijdstip van het depot bestaande en ten tijde van het geding gehandhaafde rechten op:
- a. gelijke, voor dezelfde waren of diensten gedeponeerde merken;
- b. gelijke of overeenstemmende, voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten gedeponeerde merken, indien de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt tussen de merken, waarbij geldt dat ook soortgelijkheid tussen diensten en waren kan bestaan;
- c. overeenstemmende, voor niet-soortgelijke waren of diensten gedeponeerde merken, die bekendheid op Bonaire, Sint Eustatius of Saba genieten, indien door het gebruik, zonder geldige reden, van het jongere merk ongerechtvaardigd voordeel kan worden getrokken uit of afbreuk kan worden gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk.
Artikel 8
Er wordt geen recht op een merk verkregen door:
- a. het depot van een merk dat, ongeacht het gebruik dat ervan wordt gemaakt, in strijd is met de goede zeden of de openbare orde of ten aanzien waarvan artikel 6ter van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 in weigering of nietigverklaring voorziet;
- b. het depot dat wordt verricht voor waren of diensten voor welke het gebruik van het merk tot misleiding van het publiek zou kunnen leiden;
- c. het depot van een merk dat overeenstemt met een voor soortgelijke waren of diensten gedeponeerd collectief merk waaraan een recht was verbonden dat is vervallen in de loop van de drie jaren voorafgaande aan het depot;
- d. het depot van een merk dat overeenstemt met een door een derde voor soortgelijke waren of diensten gedeponeerd individueel merk, waaraan een recht was verbonden, dat in de loop van de twee jaren voorafgaande aan het depot vervallen is door het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving, tenzij die derde heeft toegestemd of overeenkomstig artikel 9, tweede lid, onderdeel a, geen gebruik van dit merk is gemaakt;
- e. het depot van een merk dat verwarring kan stichten met een algemeen bekend merk in de zin van artikel 6bis van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 dat toebehoort aan een derde die zijn toestemming niet heeft verleend;
- f. het te kwader trouw verrichte depot, onder andere:
- 1°. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant weet of behoort te weten, dat een derde binnen de laatste drie jaren op Bonaire, Sint Eustatius of Saba een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren of diensten te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, en die derde zijn toestemming niet heeft verleend;
- 2°. het depot dat wordt verricht terwijl de deposant op grond van zijn rechtstreekse betrekking tot een derde weet, dat die derde binnen de laatste drie jaren buiten Bonaire, Sint Eustatius of Saba een overeenstemmend merk voor soortgelijke waren of diensten te goeder trouw en op normale wijze heeft gebruikt, tenzij die derde zijn toestemming heeft verleend, of bedoelde wetenschap eerst is verkregen nadat de deposant een begin had gemaakt met het gebruik van het merk op Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- g. het depot van merken voor wijnen die geografische aanduidingen ter benoeming van wijnen bevatten dan wel uit zulke aanduidingen bestaan, of het depot van merken voor spiritualiën die geografische aanduidingen ter benoeming van spiritualiën bevatten dan wel uit zulke aanduidingen bestaan, met betrekking tot wijnen of spiritualiën die niet deze geografische oorsprong hebben, tenzij dit depot te goeder trouw is gedaan voordat:
- 1°. de onderhavige bepaling in werking is getreden; of
- 2°. de desbetreffende geografische benaming in het land van oorsprong is beschermd.
Artikel 9
Het recht op het merk vervalt:
- a. door de vrijwillige doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving van het depot;
- b. door de doorhaling of het verstrijken van de geldigheidsduur van de internationale inschrijving of door afstand van de bescherming op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, of overeenkomstig het in artikel 6 van het Protocol van 27 juni 1989 (Trb. 1990, 44) bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 14 april 1891 bepaalde, door het feit dat het merk geen wettelijke bescherming meer geniet in het land van oorsprong.
Het recht op het merk wordt, binnen de in artikel 25, vierde lid, gestelde grenzen, vervallen verklaard:
- a. voorzover gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaren zonder geldige reden, geen normaal gebruik van het merk is gemaakt op Bonaire, Sint Eustatius of Saba voor de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven; in een geding kan de rechter de merkhouder geheel of gedeeltelijk met het bewijs van het gebruik belasten;
- b. voorzover het merk, na op regelmatige wijze te zijn verkregen, door toedoen of nalaten van de merkhouder in het normale taalgebruik de gebruikelijke benaming van een waar is geworden;
- c. voorzover het merk, als gevolg van het gebruik dat ervan wordt gemaakt, voor de waren waarvoor het is ingeschreven, het publiek kan misleiden, met name omtrent de aard, de hoedanigheid of de geografische herkomst van deze waren of diensten.
Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, wordt onder gebruik van het merk mede verstaan:
- a. het gebruik van het merk in een op onderdelen afwijkende vorm, zonder dat onderscheidend kenmerk van het merk in de vorm waarin het is ingeschreven, wordt gewijzigd;
- b. het aanbrengen van het merk op waren of de verpakking ervan, uitsluitend met het oog op uitvoer;
- c. het gebruik van het merk door een derde met toestemming van de merkhouder.
Artikel 10
Het depot van een merk geschiedt bij Onze Minister, met inachtneming van de vereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Onze Minister onderzoekt of de overgelegde stukken aan de voor het vaststellen van een datum van depot gestelde vereisten voldoen en stelt de datum van depot vast. Aan de deposant wordt zo spoedig mogelijk, schriftelijk mededeling gedaan van de vastgestelde datum van depot dan wel van de gronden voor het niet toekennen van een depotdatum.
Indien bij het depot niet is voldaan aan de overige in algemene maatregel van bestuur, gestelde vereisten geeft Onze Minister hiervan zo spoedig mogelijk, schriftelijk kennis aan de deposant onder opgave van de voorschriften waaraan niet is voldaan en stelt hem in de gelegenheid daaraan alsnog te voldoen binnen een bij algemene maatregel van bestuur, gestelde termijn.
Het depot vervalt, indien niet binnen de gestelde termijn voldaan is aan de bepalingen van algemene maatregel van bestuur.
Onze Minister maakt de akte van depot op met vermelding van het tijdstip waarop dit werd verricht, schrijft deze akte, onverminderd het bepaalde bij artikel 18 en 19 onverwijld in het register in voor de door deposant vermelde waren of diensten en verstrekt een bewijs van inschrijving aan de merkhouder.
De wettelijke datum van inschrijving is die van het depot.
In voorkomende gevallen vermeldt de inschrijving de datum en de grondslag van het ingeroepen recht van voorrang.
Het op artikel 4 van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom van 20 maart 1883 of op de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de Intellectuele Eigendom van 15 april 1994; bijlage 1C bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie gegronde beroep op voorrang wordt gedaan bij het depot of bij een bijzondere verklaring af te leggen bij Onze Minister, in de maand volgende op het depot, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bepaalde rechten. Het ontbreken van een dergelijk beroep doet het recht op voorrang vervallen.
Artikel 18
De internationale depots geschieden volgens de bepalingen van het Protocol van 27 juni 1989 (Trb. 1990, 44) bij de Overeenkomst van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken van 14 april 1891. De nationale rechten, bedoeld in artikel 8, eerste lid, alsmede de rechten bedoeld onder artikel 8, zevende lid, onderdeel a, van het voorgenoemde Protocol, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaald.
Artikel 19
Onze Minister schrijft de internationale depots in ten aanzien waarvan is verzocht de bescherming uit te strekken tot Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 20
De inschrijving van een depot heeft een geldigheidsduur van 10 jaren, te rekenen van de datum van het depot.
Het teken waaruit het merk bestaat mag niet worden gewijzigd, noch gedurende de inschrijving, noch ter gelegenheid van de vernieuwing daarvan.
De inschrijving wordt op verzoek vernieuwd, voor verdere termijnen van 10 jaren, met inachtneming van de vormvereisten en tegen betaling van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bepaalde rechten.
De vernieuwing moet worden verzocht binnen de zes maanden, die aan het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving voorafgaan. Nochtans kan tegen betaling van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, bepaalde extra rechten vernieuwing plaatsvinden die verzocht is binnen de zes maanden die volgen op de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur van de inschrijving.
De vernieuwing werkt van de datum van het verstrijken van de geldigheidsduur af.
Onze Minister schrijft de vernieuwingen in.
Artikel 21
Het uitsluitend recht op een merk kan, onafhankelijk van de overdracht van de onderneming of een deel daarvan, overgaan of voorwerp van een licentie zijn voor alle of een deel van de waren of diensten, waarvoor het merk is gedeponeerd.
Nietig is:
- a. de overdracht onder levenden, die niet schriftelijk is vastgelegd;
- b. de overdracht of andere overgang die niet op Bonaire, Sint Eustatius en Saba betrekking heeft.
Het uitsluitend recht op een merk kan door de merkhouder ingeroepen worden tegen een licentiehouder die handelt in strijd met de bepalingen van de licentie-overeenkomst inzake de duur daarvan, de door de inschrijving gedekte vorm waarin het merk mag worden gebruikt, de waren waarvoor de licentie is verleend, het grondgebied waarbinnen het merk mag worden aangebracht of de kwaliteit van de door de licentiehouder in het verkeer gebrachte waren.
De overdracht of andere overgang of de licentie kan niet aan derden worden tegengeworpen dan na inschrijving van het depot van een uittreksel der akte, waaruit van die overgang of die licentie blijkt, of van een daarop betrekking hebbende, door de betrokken partijen ondertekende verklaring, mits dit depot is verricht met inachtneming van de gestelde vormvereisten en tegen betaling van de rechten, bepaald bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Het in de vorige volzin bepaalde is van overeenkomstige toepassing op pandrechten en beslagen.
De licentiehouder is bevoegd in een door de merkhouder ingestelde vordering als bedoeld in artikel 23, derde en vierde lid, tussen te komen om rechtstreeks door hem geleden schade vergoed te krijgen of zich een evenredig deel van de door de gedaagde genoten winst te doen toewijzen. Een zelfstandige vordering als bedoeld in de vorige volzin kan de licentiehouder slechts instellen, indien hij de bevoegdheid daartoe van de merkhouder heeft bedongen.
Artikel 22
Niemand kan, welke vordering hij ook instelt, in rechte bescherming inroepen voor een teken, dat als merk beschouwd wordt in de zin van artikel 5, tenzij hij het op regelmatige wijze heeft gedeponeerd en zo nodig de inschrijving ervan heeft doen vernieuwen. De niet-ontvankelijkheid kan ambtshalve door de rechter worden uitgesproken. Zij wordt opgeheven door depot of vernieuwing tijdens het geding. In geen geval kan schadevergoeding worden toegekend voor aan het depot voorafgaande feiten.
De bepalingen van deze wet laten onverlet het recht van gebruiker van een teken, dat niet als merk wordt beschouwd in de zin van artikel 5, om de bepalingen van het gemene recht in te roepen voor zover dit toestaat zich te verzetten tegen onrechtmatig gebruik van dit teken.
Artikel 23
Onverminderd de toepassing van het gemene recht betreffende de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan de merkhouder zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen:
- a. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk wordt gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven;
- b. elk gebruik, dat in het economisch verkeer van het merk of een overeenstemmend teken wordt gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven of voor soortgelijke waren of diensten, indien daardoor de mogelijkheid bestaat dat bij het publiek een associatie wordt gewekt tussen het teken en het merk;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.