Besluit van 30 augustus 2010, houdende de vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet BES (Besluit Pensioenwet BES)

Type Amvb Bes
Publication 2013-10-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 juni 2010, nr. AV/PB/2010/13055, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 5a, tiende lid, 5b, tweede lid, 13, derde lid, 13b, tweede lid, 13c, tweede lid, 14, tweede lid, 14a, tweede lid, 16a, zesde lid, 16b, vijfde lid, 16d, eerste lid, 16e, tweede lid, 16f, derde lid, 22a, tweede lid, 24, vierde lid, van de Pensioenwet BES;

De Raad van State gehoord (advies van 15 juli 2010, nr. W.12.10.0262/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 augustus 2010, nr. AV/PB/2010/16654, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

§ 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

§ 2. Eisen ten aanzien van deskundigheid en betrouwbaarheid

Bepalingen ter uitvoering van artikel 5a, tiende lid, van de wet

Artikel 2. Toets deskundigheid en betrouwbaarheid

Voorafgaand aan de benoeming van een persoon die het beleid van een pensioenfonds gaat bepalen of mede bepalen toetst de Bank de deskundigheid en betrouwbaarheid van die persoon, bedoeld in artikel 5a van de wet.

Artikel 3. Deskundigheid
1.

Voor het voldoen aan de vereiste deskundigheid is er in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen ten minste een zodanig niveau van kennis en ervaring aanwezig dat het pensioenfonds, mede gelet op artikel 5a, tweede lid, van de wet, behoorlijk wordt bestuurd.

2.

Ten minste twee personen in de kring van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen dienen meerjarige ervaring te hebben in het besturen van een organisatie.

3.

De in het eerste lid bedoelde deskundigheid heeft betrekking op:

4.

Het pensioenfonds geeft op verzoek van de Bank aan:

Artikel 4. Betrouwbaarheid
1.

De Bank stelt vast of de betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 5a, vijfde lid, van de wet buiten twijfel staat op basis van diens voornemens, handelingen en antecedenten.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de toetsing van de betrouwbaarheid en de in aanmerking te nemen antecedenten.

Artikel 5. Bronnen
1.

De Bank verkrijgt inzicht in de in artikel 4 bedoelde voornemens, handelingen en antecedenten op grond van:

2.

Indien de gegevens of inlichtingen, verkregen overeenkomstig het eerste lid, de Bank aanleiding geven tot nader onderzoek, kan de Bank ook inlichtingen inwinnen en gegevens opvragen bij andere personen of instanties dan genoemd in dat lid. De Bank stelt de betrokkene in dat geval vooraf schriftelijk in kennis van:

Artikel 6. Strafrechtelijke veroordeling
1.

De betrouwbaarheid van een persoon als bedoeld in artikel 4 staat niet buiten twijfel als deze veroordeeld is terzake van een misdrijf, dat bij ministeriële regeling is aangewezen, tenzij er sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.

2.

De Bank kan op grond van de omstandigheden of belangen, genoemd in artikel 7, afwijken van het eerste lid.

Artikel 7. Vaststelling betrouwbaarheid

De Bank neemt bij de vaststelling, bedoeld in artikel 4, in aanmerking:

§ 3. Beheerste en integere bedrijfsvoering

Bepalingen ter uitvoering van artikel 5b van de wet

Artikel 8. Beheerste bedrijfsvoering

Een pensioenfonds beschikt over goede administratieve en boekhoudkundige procedures en adequate interne controlemechanismen, stelt beleid op ten aanzien van de beheersing van te lopen risico’s en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.

Artikel 9. Integriteitrisico

Een pensioenfonds draagt zorg voor een systematische analyse van integriteitrisico’s en stelt aan de hand van deze analyse een integriteitbeleid vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid.

Artikel 10. Belangenverstrengeling
1.

Een pensioenfonds beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot het tegengaan van verstrengeling van privé-belangen met de belangen van het pensioenfonds van personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen, leden van het orgaan dat is belast met het toezicht op het beleid en de algemene gang van zaken van het pensioenfonds en andere werknemers of andere personen die in opdracht van het pensioenfonds op structurele basis werkzaamheden voor het pensioenfonds verrichten.

2.

Een pensioenfonds beschikt over een gedragscode die voor bestuurders en medewerkers van het pensioenfonds voorschriften geeft ter voorkoming van belangenconflicten en van misbruik en oneigenlijk gebruik van de bij het pensioenfonds aanwezige informatie of zaken.

3.

De Bank kan regels stellen met betrekking tot de inhoud van de gedragscode, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 11. Soliditeit van het pensioenfonds

Een pensioenfonds voert een beleid gericht op het duurzaam beheersen van te lopen financiële risico’s en andere dan financiële risico’s.

Artikel 12. Continuïteitsanalyse
1.

Een pensioenfonds voert ten minste eens in de drie jaar een continuïteitsanalyse uit waarbij met een stochastische benaderingswijze wordt bezien of het pensioenfonds aan haar verplichtingen op de lange termijn kan voldoen. De continuïteitsanalyse biedt tevens inzicht in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening naar verwachting kan worden toegekend.

2.

Indien naar de mening van de Bank sprake is van aanzienlijke wijzigingen in de huidige of verwachte financiële positie van het pensioenfonds, voert het pensioenfonds tussentijds een extra continuïteitsanalyse uit.

3.

De continuïteitsanalyse omvat 15 prognosejaren, gerekend vanaf de rapportagedatum. Het pensioenfonds heeft voorbij deze tijdhorizon van 15 prognosejaren een kwalitatief beeld van de verwachtingen, risico’s en het beleid.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de continuïteitsanalyse.

§ 4. Parameters

Bepaling ter uitvoering van artikel 5b, 13, 13b, 16a, 16b en 16d van de wet

Artikel 13. Parameters

Vervallen

Artikel 14. Parameters vanaf 2012
1.

Vanaf 1 januari 2012 gaat een fonds voor de berekeningen, bedoeld in de artikelen 5b, 13, 13b, 16a en 16b van de wet uit van:

2.

Een pensioenfonds kan na instemming van de Bank afwijken van de minimale verwachtingswaarden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, indien de specifieke omstandigheden van het pensioenfonds dat noodzakelijk maken.

3.

De rendementscijfers, bedoeld in het eerste lid, betreffen bruto cijfers, voor aftrek van beleggingskosten.

Artikel 15. Overgangsbepaling wijziging parameters en lopende herstelplannen
1.

Bij een herstelplan als bedoeld in artikel 16a en 16b van de wet waarmee De Nederlandsche Bank heeft ingestemd, is het feit dat de uitkomst van berekeningen in het kader van dat herstelplan en het daarin opgenomen beleid wijzigt omdat gebruik wordt gemaakt van na de vaststelling van het herstelplan gewijzigde regels als bedoeld in artikel 16d, eerste lid, van de wet, als zodanig geen aanleiding voor herziening van het herstelplan.

2.

In afwijking van het eerste lid kan bij berekeningen ten aanzien van de consistentie, bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, het feit dat de uitkomst van berekeningen wijzigt als bedoeld in het eerste lid, als zodanig wel aanleiding zijn tot herziening van het in het herstelplan, bedoeld in het eerste lid, opgenomen beleid omtrent voorwaardelijke toeslagverlening, nadat de maximale looptijd die geldt voor het kortetermijnherstelplan is verstreken.

Artikel 16. Overgangsbepaling voor nieuwe herstelplannen

Vervallen

§ 5. Technische voorzieningen

Bepalingen ter uitvoering van artikel 13 van de wet

Artikel 17. Hoogte technische voorzieningen
1.

Het bestuur van een pensioenfonds stelt de hoogte van de technische voorzieningen vast op basis van de contante waarde van de verwachte uitgaande kasstromen die voortvloeien uit de tot de datum van vaststelling opgebouwde pensioenverplichtingen.

2.

De contante waarde wordt vastgesteld op basis van een rekenrente van ten hoogste 4%.

3.

Een pensioenfonds stelt de omvang van de verwachte uitgaande kasstromen vast op basis van verwachte marktontwikkelingen en voor het pensioenfonds prudente verzekeringstechnische grondslagen waaronder begrepen de voorzienbare trend in overlevingskansen.

Artikel 18. Inzenden berekening technische voorzieningen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.