Begrafeniswet BES

Type Wet Bes
Publication 2011-10-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 1

In deze wet verstaan onder openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Artikel 1a

Het lijk van een persoon of doodgeboren kind wordt in eene gesloten kist begraven, hetzij in een geheel of gedeeltelijk aarden graf, hetzij in een grafkelder, op eene begraafplaats als zoodanig vanwege het bestuurscollege aangelegd of toegelaten.

«Met afwijking in zooverre van het daaromtrent bij deze wet bepaalde, is het op het eiland Saba geoorloofd ook op andere dan de in dit artikel bedoelde plaatsen lijken ter aarde te bestellen en blijkt ten aanzien van zoodanige graven en grafkelders artikel 17 buiten toepassing.

Ook is het geoorloofd volgens nader bij wet vast te stellen regelen lijken te verbranden.

Artikel 2

Lijken, die in een zoodanigen staat verkeeren, dat zij niet naar eene begraafplaats kunnen worden overgebracht, worden ter plaatse, waar zij gevonden zijn of in de onmiddellijke nabijheid, zonder kist, mits ter diepte van 1 Meter, begraven en overdekt, zoo mogelijk met ongebluschte kalk ter hoogte van 2 d.M. en in ieder geval met aangestampte aarde. Is op de plaats, waar een lijk gevonden wordt, een lijkkist aanwezig, dan kan het lijk daarin begraven worden.

De begraving geschiedt ter plaatse door de ambtenaren van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam of van de politie aangewezen, zoo mogelijk in domeingrond en anders in particulieren grond. In het laatste geval zijn de eigenaars of gebruikers van den grond verplicht de begraving te gedoogen. De plaats van begraven op particulieren grond zal in overleg met de eigenaars of gebruikers van den grond worden gekozen.

De schade, die aan den eigendom mocht worden veroorzaakt, wordt door den Kantonrechter begroot en door het openbaar lichaam vergoed, naar de onderscheiding gemaakt in de artt. 11, 12 en 13. Als schade komt niet in aanmerking de aanwezigheid van het graf zelf.

Artikel 3

Zijn er omstandigheden, die een gewelddadigen dood doen vermoeden, dan geschiedt de begraving niet dan met toestemming, van de officier van justitie, zoo mogelijk na voorafgegane gerechtelijk schouwing.

In het daarvan of te maken proces-verbaal worden, zooveel mogelijk, vermeld de voornamen, de naam, de ouderdom, de geboorteplaats, het beroep en de woonplaats van den overledene, of andere gegevens, die tot herkenning kunnen dienen.

Artikel 4

Geene begraving geschiedt zonder schriftelijk verlof van den ambtenaar van den Burgerlijken Stand, vrij van zegel en kosteloos af te geven, waarin de begraafplaats, of de in art. 2 bedoelde plaats, waar het lijk ter aarde zal worden besteld, wordt vermeld.

Bij het vragen van verlof tot begraven moet worden overgelegd eene der schriftelijke verklaringen als bedoeld in de Wet verklaringen van overlijden BES.

Artikel 5

De bewoner van een woning waarin zich een lijk bevindt, is verplicht aan de met de gerechtelijke schouwing of het afhalen van het lijk ter begraving of verbranding of het vervoer naar het lijkenhuis belaste personen bij de uitvoering van hun taak de benodigde medewerking te verlenen.

Artikel 6

Begraving geschiedt niet eerder dan 36 uren na het overlijden en uiterlijk op de zesde werkdag na die van overlijden.

Ontheffing van deze bepaling kan worden verleend door de gezaghebber de door het bestuurscollege aan te wijzen geneeskundige gehoord.

In dit geval wordt door de gezaghebber onmiddellijk aan den betrokken ambtenaar van den Burgerlijken Stand van zijn beschikking kennis gegeven.

Artikel 7
1.

Een lijk mag niet worden begraven dan tussen des morgens 6 uur en des namiddags 6 uur, tenzij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand op grond van dringende of buitengewone omstandigheden in individuele gevallen verlof verleent om op een ander uur te begraven. Het verlof wordt steeds verleend wanneer godsdienstige redenen zulks noodzakelijk maken en, zo nodig, in de gevallen bedoeld in de artikelen 2, 6 en 8.

2.

Ingeval in een openbaar lichaam een algemene behoefte bestaat om na zonsondergang lijken te begraven, kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen de mogelijkheid daartoe worden geopend. Bij een zodanig besluit worden tevens nadere regelen vastgesteld welke in het belang van de openbare orde en volksgezondheid in acht moeten worden genomen bij het begraven na zonsondergang».

Artikel 8

Opgevischte lijken worden vanwege Gezondheidsdienst van het openbaar lichaam begraven, nadat de doodschouw of, in het geval van artikel 3, de gerechtelijke schouwing zal hebben plaats gehad.

Artikel 9

Tenzij op rechtelijk bevel mogen lijken niet opgegraven en vervoerd worden dan met toestemming, van de gezaghebber, de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige gehoord.

Het vervoer van een opgegraven lijk kan aan nader te stellen voorwaarden verbonden worden, maar het geschiedt niet, tenzij de opgegraven lijkkist met zijn inhoud is geplaatst in eene goed gesloten, volkomen dichte houten of metalen kist.

Artikel 10

Indien een lijkkist niet op een draagbaar wordt gedragen, moet worden gebruik gemaakt van een uitsluitend voor het vervoer van lijken bestemd voertuig.

In de buitendistricten kan, indien de afstand van sterfhuis tot begraafplaats te groot is, ter beoordeeling van den betrokken districtmeester, door hem vergunning worden verleend om het lijk per kar te vervoeren. Deze bepaling is echter niet toepasselijk voor het vervoer van lijken van aan besmettelijke ziekten overledenen.

Het verbod van het eerste lid is niet van kracht voor het vervoer van het lijk van een kind beneden den leeftijd van één jaar, dat gemakkelijk door één persoon kan worden gedragen.

Echter geldt de vrijstelling van het vorig lid niet, indien de ambtnaar van den Burgerlijken Stand het dragen van een kinderlijk verboden heeft, ingevolge art. 11 der Wet verklaringen van overlijden BES.

Bij het ter aarde bestellen van lijken worden de desbetreffende bepalingen dezer wet stipt opgevolgd en verder de wenken in acht genomen, door de ambtenaren van de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam of van de politie, in het belang van gezondheid of van orde gegeven.

Artikel 11

De naaste bloedverwanten van de overleden persoon of het doodgeboren kind zijn aansprakelijk voor de begrafenis, terwijl de erfgenamen aansprakelijk zijn voor de begrafeniskosten.

De lijken van onvermogenden echter worden, voor zooveel kerk- of armbestuur of andere instellingen daarvoor niet zorgen, op kosten van het openbaar lichaam begraven ter plaatse daarvoor door het openbaar gezag aangewezen.

Van het onvermogen moet blijken op de wijze door het bestuurscollege te bepalen.

Artikel 12

De begrafenis van lijken, welker begraving zich niemand aantrekt, geschiedt door de gezondheidsdienst van het openbaar lichaam, komende de kosten daarvan ten last van het openbaar lichaam, voor zoover zij niet op de nalatenschap of op de erfgenamen verhaalbaar zijn.»

Artikel 13

Het begraven van lijken van personen overleden in inrichtingen, die hetzij geheel of gedeeltelijk onder beheer van het openbaar gezag staan, geschiedt door de zorg van het bestuur dier inrichtingen, met inachtneming van de voorschriften daaromtrent bij eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, te geven.

De kosten dier begrafenissen kunnen, wanneer het sterfgeval plaats had in een inrichting tot ziekenverpleging, worden verhaald op dengene, die voor de verpleegkosten van den lijder aansprakelijk is.

Slechts wanneer ter goede rekening eene daartoe voldoende som is gestort, kan de begrafenis anders geschieden dan op de wijze voor onvermogenden gebruikelijk. In elk geval blijft de beslissing omtrent de wijze van begraving, wanneer die vanwege de inrichting geschiedt, aan het bestuur der inrichting.

Tenzij wegens overlijden aan eene besmettelijke ziekte of andere redenen hiertegen met het oog op de openbare gezondheid bezwaar bestaat, worden zoodanige lijken aan aanverwanten ter begraving afgegeven, wanneer aanvraag daartoe binnen drie uren na het overlijden bij het bestuur der inrichting is ingekomen en naar het oordeel van dat bestuur een behoorlijke begrafenis door den aanvrager voldoende gewaarborgd is.

Geschiedt de aanvraag later, dan kan de afgifte nog geschieden, wanneer daartegen bij het bestuur der inrichting geen bezwaar bestaat.

Van de begraafplaatsen

Artikel 14

In ieder openbaar lichaam zullen een of meer algemeene begraafplaatsen worden aangelegd, zoodra zich de behoefte daaraan doet gevoelen.

Artikel 15

Bijzondere begraafplaatsen kunnen worden aangelegd met verlof van het bestuurscollege.

Verlof tot het aanleggen van een bijzondere begraafplaats ten behoeve van de leden eener kerkelijke gemeente wordt aan het bestuur dier gemeente niet geweigerd, dan wanneer de aangewezen plaats niet aan de wettelijke voorschriften voldoet.

Artikel 16

Elke begraafplaats wordt door een muur, heining, rasterwerk of heg ter hoogte van ten minste twee Meter afgesloten.

Daarvan kan door het bestuurscollege ontheffing worden verleend, indien op andere wijze in de afsluiting behoorlijk is voorzien.

Artikel 17

Zonder vergunning van het bestuurscollege, de door het bestuurscollege aangewezen geneeskundige gehoord, mogen geene begraafplaatsen worden aangelegd op een afstand van minder dan 50 Meter van gebouwen tot bewoning dienende of bestemd en zonder die vergunning mogen, binnen gelijken afstand van eene begraafplaats, geene gebouwen ter bewoning worden opgericht of putten worden gegraven.

Van dit verbod zijn uitgezonderd: doodgravers-woningen en pastorieën of kostershuizen, ten dienste der begraafplaats te stichten.

Het uitbreiden eener bestaande begraafplaats wordt, voor deze wet, met het aanleggen eener nieuwe begraafplaats gelijk gesteld.

Het verbod in het eerste lid vermeld omtrent het oprichten van gebouwen ter bewoning is niet toepasselijk op het oprichten van gebouwen ter bewoning binnen de op 1 September 1918 bestaande bebouwde lijnen.

Artikel 18

Bij de schriftelijke aanvrage om de vergunning, in het vorig artikel bedoeld, wordt eene op schaal vervaardigde, nauwkeurige teekening overgelegd van het terrein, tevens aangevende de plaatsen, waar zich woningen of putten bevinden, als in het vorig artikel bedoeld.

Ook wordt de diepte van aarde op het terrein aanwezig aangegeven.

Artikel 19

Eene nieuwe begraafplaats wordt aangelegd naar een in kaart gebracht, vast plan van verdeeling in vakken en rijen, waarbij de noodige ruimte voor paden is uitgespaard, terwijl elke ruimte voor graf of grafkelder op de kaart is aangegeven.

Een exemplaar van deze kaart wordt, vóór de ingebruikneming der begraafplaats aan het bestuurscollege gezonden.

Het bijzetten van lijken moet naar het vastgestelde en in kaart gebrachte plan geschieden.

Op bestaande begraafplaatsen wordt eene verdeeling, als in het eerste lid bedoeld, zooveel mogelijk gevolgd, maar in ieder geval bij het aanleggen van nieuwe vakken, voor begraven bestemd, en bij het ledigen van alle oude graven in bestaande vakken.

Artikel 20

Voor elke begraafplaats wordt, hetzij door de zorg van de eigenaars eener particuliere begraafplaats, hetzij door of van wege de ambtenaren in art. 36 genoemd, nauwkeurig en regelmatig een register bijgehouden, bevattende, in afzonderlijke kolommen, een doorloopend nummer, dag en jaar der begraving, naam, voornamen, leeftijd en geslacht van de begraven personen, benevens eene duidelijke aanwijzing van het graf of van den grafkelder, eventueel der plaats in den grafkelder, waar de bijzetting plaats vond.

Het hiervoor bedoelde register is openbaar en wordt in het geval artikel 33 toepassing vindt overgebracht naar de archieven van het openbaar lichaam waarin de begraafplaats was gelegen.

Graven een grafkelders moeten van duidelijke zichtbare merkpaaltjes of van andere merkteekenen voorzien zijn, aangevende het vastgestelde nummer der graven.

Artikel 21

Eene begraafplaats, daaronder begrepen: omheining, gebouwen, graven, grafkelders, monumenten, kruisen, boomen of andere gewassen en verder alles wat tot het kerkhof behoort, moet zorgvuldig in goeden staat worden onderhouden.

Zoonoodig kan het Bestuurscollege op kosten van de eigenaars van particuliere begraafplaatsen, of op kosten van de eigenaars van graven en grafkelders, op alle begraafplaatsen de noodige herstellingen en verbeteringen doen aanbrengen, indien voornoemde eigenaars in gebreke bleven.

Artikel 22

Op elke nieuwe begraafplaats wordt vóór het in gebruik stellen en op elke bestaande begraafplaats uiterlijk binnen één jaar na het in werking treden dezer wet, een lokaal ingericht voor tijdelijke bewaring van lijken.

Bij verzuim wordt vanwege het bestuurscollege, op kosten van de eigenaars der begraafplaats, ten spoedigste een lijkenhuis, als in het vorig lid bedoeld, ingericht.

Artikel 23

De onderlinge afstand der graven zoo aan het hoofd- en het voeteneinde als van de zijden bedraagt minstens 0,3 M.

De graven zullen ten minste 1 M diep zijn.

De bovenste of de eenige kist in een graf wordt met eene laag aangestampte aarde van minstens 0,65 M. bedekt.

Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op gemetselde grafkelders.

Artikel 24

Op de begraafplaatsen mogen grafkelders worden gesticht, mits deze voldoen aan de navolgende voorwaarden:

Artikel 25

Aan nieuw te bouwen grafkelders kunnen lucht-openingen worden voorgeschreven, wier aantal, plaats, vorm en inrichting door het bestuurscollege worden bepaald.

Artikel 26

In een grafkelder moet, voor elke daarin opgenomen lijkkist van een volwassen overledene, eene ruimte van minstens 2 M3 beschikbaar zijn.

Eene zelfde ruimte, als in het eerste lid genoemd, kan voor meer dan één kinderlijk worden gebruikt, indien de gezamenlijke maat de lijkkisten, die van de lijkkist van een volwassen overledene niet overtreft.

Artikel 27

In een grafkelder mogen twee of meer lijkkisten in één horizontaal vlak worden geplaatst, mits gescheiden door lucht- en vochtdichte tusschenmuren, van steen-materiaal, die de geheelde grafruimte verdeelen.

Artikel 28

In een grafkelder mogen twee of meer lijkkisten boven elkander worden gezet, indien de plaats, waar eene lijkkist staat, geheel omgeven en aangevuld wordt door vast aangedreven aarde, die de kist minstens 30 c.M. bedekt.

De scheidende laag aarde in het vorig lid bedoeld, kan vervangen worden door eene lucht- en waterdichte afscheiding van steen-materiaal, aansluitende, in grafkelders als in art. 27 bedoeld, aan den staanden scheidingsmuur.

Indien in een grafkelder niet meer dan ééne lijkkist wordt begraven, worde de plaats, waar de lijkkist staat, op de wijze, als in het eerste lid bepaald, aangevuld met vast aangedreven aarde, ter dikte van ongeveer 20 c.M.

Artikel 29

Op grafkelders, waarin niet meer wordt begraven, zijn de artt. 24–28 niet van toepassing.

Artikel 30

Voor het bijzetten van lijken in bestaande grafkelders kan door het bestuurscollege vrijstelling worden verleend van het voorschrift van art. 27, mits tusschen twee naast elkander geplaatste lijkkisten eene laag vast aangedreven aarde van minstens 30 c.M. wordt aangebracht.

Artikel 31

Een graf mag niet geroerd worden dan na drie jaren na de begraving.

De overblijfselen van lijken en kisten worden in een afzonderlijk gedeelte van de begraafplaats begraven of, met toepassing van artikel 16 van de Crematiewet BES, in een crematorium verbrand.

Voor zover begraving plaatsvindt, mogen zij niet in een geruimd graf of grafkelder worden achtergelaten.

Het verbod van alinea 1 is niet van toepassing op graven, waaruit eene lijkkist wordt weggenomen na verkregen toestemming, als bedoeld in het eerste lid van artikel 9.

Artikel 32

onder het roeren van graven wordt in deze wet verstaan:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.