Wet educatie en beroepsonderwijs BES
Hoofdstuk 1. Algemeen
Titel 1. Definities, aard bepalingen
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- b. eilandsraad: de eilandsraad van een openbaar lichaam;
- c. bestuurscollege: het bestuurscollege van een openbaar lichaam;
- d. instelling: een orgaan dat uitgaat van een rechtspersoon die zich het geven van secundair beroepsonderwijs of educatie ten doel stelt;
- e. openbare instelling: een door een openbaar lichaam in stand gehouden instelling;
- f. bijzondere instelling: een door een privaatrechtelijke rechtspersoon in stand gehouden instelling;
- g. bevoegd gezag: voor wat betreft:
- a. een openbare instelling: het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam of het bestuur van het openbaar orgaan, bedoeld in artikel 44;
- b. een bijzondere instelling: het instellingsbestuur;
- h. onderwijs: secundair beroepsonderwijs en educatie tenzij het tegendeel blijkt;
- i. secundair beroepsonderwijs: onderwijs als bedoeld in artikel 2, eerste lid;
- j. educatie: educatie als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
- k. opleiding: een opleiding als bedoeld in artikel 16, eerste lid, waarvoor in het kader van de landelijke kwalificatiestructuur, bedoeld in artikel 18, eindtermen zijn vastgesteld;
- l. cursus educatie: een cursus educatie als bedoeld in artikel 24;
- m. beroepspraktijkvorming: de beroepspraktijkvorming, bedoeld in artikel 22, eerste lid;
- n. leerweg: een leerweg als bedoeld in artikel 16, tweede lid;
- o. leerweg lerend werken: de leerweg, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel a;
- p. leerweg werkend leren: de leerweg, bedoeld in artikel 16, tweede lid, onderdeel b;
- q. aanvullende kwaliteitsborging: de aanvullende kwaliteitsborging, bedoeld in artikel 28;
- r. deelkwalificatie: een deelkwalificatie als bedoeld in artikel 17;
- s. studiejaar: het tijdvak dat aanvangt op 1 augustus en eindigt op 31 juli van het daarop volgend jaar;
- t. eindtermen: de eindtermen, bedoeld in artikel 15;
- u. Centraal register: het Centraal register secundair beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid;
- v. ROA: de Raad van Onderwijs en Arbeidsmarkt, bedoeld in artikel 70, tweede lid.
Titel 2. Doelstellingen onderwijs
Artikel 2
Secundair beroepsonderwijs is gericht op de theoretische en praktische voorbereiding voor de uitoefening van beroepen waarvoor een beroepskwalificerende opleiding is vereist of dienstig kan zijn. Het secundair beroepsonderwijs bevordert tevens de algemene vorming en de persoonlijke ontplooiing van de deelnemers en draagt bij tot het maatschappelijk functioneren. Secundair beroepsonderwijs sluit aan op het voorbereidend secundair beroepsonderwijs. Beroepsonderwijs omvat niet hoger onderwijs.
Educatie is gericht op de bevordering van de persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van degenen die niet meer leerplichtig zijn, door de ontwikkeling van kennis, inzicht, vaardigheden en houdingen op een wijze die aansluit bij hun behoeften, mogelijkheden en ervaringen alsmede bij maatschappelijke behoeften. Waar mogelijk sluit de educatie aan op het ingangsniveau van het secundair beroepsonderwijs. Educatie omvat geen activiteiten op het niveau van het hoger onderwijs.
Hoofdstuk 2. Erkenning opleidingen; licenties cursussen educatie
Titel 3. Instellingen voor educatie en beroepsonderwijs
Artikel 3
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling een opleiding erkennen, verzorgd door die instelling. Erkenning houdt in dat aan de met goed gevolg afgelegde examens of onderdelen van examens van die opleiding een diploma of certificaat als bedoeld in artikel 30 is verbonden. Voorwaarde voor erkenning is dat de desbetreffende instelling voor die opleiding in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 6,
- b. het onderwijs en de examens, bedoeld in hoofdstuk 3,
- c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in artikel 33,
- d. de onderwijsovereenkomst, bedoeld in artikel 40, eerste tot en met derde lid,
- e. de vooropleidingseisen, bedoeld in artikel 42,
- f. de bekwaamheidseisen, bedoeld in de artikelen 34 en 35, en
- g. de toegang tot de instelling en de informatievoorziening, bedoeld in artikel 68.
De aanvraag om erkenning gaat in elk geval vergezeld van het ontwerp van het in artikel 6 bedoelde verslag omtrent de kwaliteitszorg alsmede het ontwerp van de in artikel 31 bedoelde onderwijs- en examenregeling van de opleiding.
De aanvraag om erkenning wordt ingediend bij Onze Minister. Indien de gegevens bij de aanvraag onjuist of niet volledig zijn, stelt Onze Minister binnen twee weken na indiening van de aanvraag de aanvrager in de gelegenheid om binnen een door Onze Minister te bepalen termijn alsnog te voorzien in de vereiste gegevens, waarna de aanvraag door Onze Minister terstond voor advies wordt verzonden aan de ROA.
Onze Minister beslist binnen vijf maanden nadat de aanvraag om erkenning voor advies is gezonden aan de ROA. Indien de beschikking niet binnen vijf maanden kan worden gegeven, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt hij daarbij een termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.
Een aanvraag om erkenning wordt niet in behandeling genomen indien minder dan vier jaar geleden voor dezelfde of een andere opleiding van het desbetreffend bevoegd gezag toepassing is gegeven aan artikel 7.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister en, indien het betreft op grond van artikel 45 bekostigde opleidingen, de desbetreffende eilandsraad jaarlijks vóór 1 februari een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op opleidingen. Het verslag bevat tevens het aantal deelnemers per opleiding en het aantal uitgereikte certificaten en diploma’s, bedoeld in artikel 30.
Een beschikking tot afwijzing van de aanvraag om erkenning strekt ertoe dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs:
- a. aan de examens of onderdelen daarvan geen diploma of certificaat als bedoeld in artikel 30 is verbonden,
- b. de registratie in het Centraal register wordt geweigerd, en
- c. geen aanspraak kan worden verkregen op bekostiging ten laste van het openbaar lichaam.
Titel 2. Voorwaarden voor licentie cursus educatie
Artikel 4
Onze Minister kan op aanvraag van het bevoegd gezag van een instelling een licentie verlenen voor het verzorgen van een cursus educatie. Een licentie houdt in dat de instelling bevoegd is deze cursus educatie te verzorgen. Voorwaarde voor het verkrijgen van een licentie is dat de instelling voor die cursus in acht neemt hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald ten aanzien van:
- a. de kwaliteitszorg, bedoeld in artikel 6,
- b. het onderwijs en de examens, bedoeld inhoofdstuk 3,
- c. de rechtsbescherming van de deelnemers, bedoeld in artikel 33, en
de zorg voor de ontwikkeling van het onderwijs op de instelling.
Onze Minister beslist binnen 3 maanden na de aanvraag.
Het in het eerste lid bedoelde bevoegd gezag verstrekt Onze Minister op diens verzoek de nodige inlichtingen omtrent de instelling. Het bevoegd gezag doet Onze Minister en, indien het betreft op grond van artikel 61 bekostigde cursussen educatie, de desbetreffende eilandsraad jaarlijks vóór 1 februari een verslag toekomen omtrent de werkzaamheden van de instelling voor zover betrekking hebbend op cursussen educatie. Het verslag bevat tevens het aantal deelnemers per cursus en het aantal uitgereikte verklaringen, bedoeld in artikel 30, derde lid.
Een beschikking tot afwijzing van de aanvraag om licentie strekt ertoe dat ten aanzien van het desbetreffende onderwijs geen aanspraak kan worden verkregen op bekostiging ten laste van het openbaar lichaam.
Titel 1. Voorwaarden voor erkenning opleidingen
Artikel 5
Bij de uitvoering van hun taak dragen de instellingen die bekostigde opleidingen verzorgen onverminderd het bij of krachtens deze wet bepaalde, mede zorg voor:
- a. de toegankelijkheid van het onderwijs, in het bijzonder voor kansarme groepen,
- b. het aanbieden van doelmatige leerwegen, in het bijzonder door het zorgdragen voor een zorgvuldige afstemming tussen opleidingen en cursussen educatie, en
- c. de afstemming op de ontwikkelingen in de samenleving op nationaal en internationaal gebied in het algemeen en ten aanzien van de arbeidsmarkt in het bijzonder.
Artikel 6
Het bevoegd gezag richt een stelsel van kwaliteitszorg voor de instelling in en draagt er in dat verband zorg voor dat wordt voorzien in een regelmatige beoordeling van de kwaliteit van het secundair beroepsonderwijs en de educatie.
Het bevoegd gezag stelt om het andere jaar een verslag omtrent de kwaliteitszorg vast en legt dit voor eenieder ter inzage in de gebouwen van de instelling. Het bevoegd gezag zendt het verslag vóór 1 mei van dat jaar aan de aan de ingevolge artikel 65 met het uitoefenen van het toezicht daarop belaste instantie en aan de desbetreffende eilandsraad. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting van het verslag en de onderwerpen waarover verslag moet worden gedaan.
De in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur alsmede wijzigingen daarvan, treden niet eerder in werking dan 12 maanden na de afkondiging daarvan.
Titel 2. Voorwaarden voor licentie cursus educatie
Artikel 7
Onze Minister kan, de ROA gehoord, ten aanzien van een opleiding die de instelling verzorgt, de in artikel 3 bedoelde erkenning intrekken, indien:
- a. gebleken is dat de kwaliteit van die opleiding onvoldoende is, of
- b. niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, eerste lid.
Een beschikking op grond van het eerste lid heeft tevens tot gevolg dat ten aanzien van de desbetreffende opleiding de registratie in het Centraal register wordt beëindigd.
Bij een beschikking op grond van het eerste lid bepaalt Onze Minister het tijdstip waarop die beschikking van kracht wordt zodanig, dat de voor de opleiding ingeschreven deelnemers de beoogde kwalificatie aan een andere instelling binnen de daarvoor gestelde tijd kunnen behalen.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.