Besluit telecommunicatie scheepvaart BES

Type Amvb Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

§ 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 1a

Dit besluit berust op de artikelen 13 tot en met 16, 19, 31 en 33 van de Wet telecommunicatievoorzieningen BES.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

Ter zake van telecommunicatievoorzieningen ten behoeve van de scheepvaart gelden, onverminderd de regels gesteld bij en krachtens artikel 101 van het Schepenbesluit 2004, bij en krachtens het Vissersvaartuigenbesluit 2002 voor zover betrekking hebbende op maritieme radiocommunicatie alsmede, tenzij anders bepaald, gesteld bij en krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES, de navolgende bepalingen.

Artikel 3
1.

De geldigheidsduur van machtigingen voor de in dit besluit bedoelde radio-elektrische zend- en ontvanginrichtingen bedraagt 5 jaren.

2.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan in geval van een registratie van een schip in een openbaar lichaam, na overlegging van een lijst met gegevens inzake het schip en de aan boord van dat schip aanwezige apparatuur, door Onze Minister een voorlopige machtiging worden afgegeven voor de duur van de reis naar het land waar de registratie zal geschieden of voor ten hoogste 3 maanden.

3.

In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan door Onze Minister een voorlopige machtiging worden afgegeven voor de duur van de reis in het geval het schip tijdelijk wenst te varen buiten het zeegebied waarvoor het beschikt over een machtiging overeenkomstig het eerste lid. Een zodanige machtiging dient te worden aangevraagd vóór het tijdstip van aanvang van de desbetreffende reis.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 15, achtste lid, van de wet wordt een machtiging vóór de afloop van de in het eerste lid bedoelde geldigheidsduur ingetrokken indien:

5.

Bij de machtiging of de voorlopige machtiging wordt een bijlage gevoegd waarop de apparatuur is vermeld waarvoor het geldt.

Artikel 4
1.

De bediening van de in dit besluit bedoelde zend- en ontvanginrichtingen door anderen dan de houder van een eerste klasse radio elektronisch certificaat of een tweede klasse radio elektronisch certificaat dan wel een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie als bedoeld in onderscheidenlijk de artikelen 3890B, 3890C en 3890D van het radioreglement, is, behoudens in de gevallen waarin is aangegeven dat de bediening ook mag geschieden door de houder van een beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie als bedoeld in artikel 3890E van het radioreglement of de houder van een certificaat VHF marifonie als bedoeld in de artikelen 3887 of 3945 van het radioreglement of een ander al dan niet onder toezicht van een certificaathouder, verboden.

2.

Ten bewijze dat de houder van een der in het eerste lid bedoelde certificaten bevoegd is tot het bedienen van de in dat certificaat bedoelde zendinrichting, dient de houder steeds desgevraagd dit certificaat aan te kunnen tonen.

Artikel 5
1.

Zodra een zend- of ontvanginrichting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, voor gebruik gereed is, stelt de machtiginghouder Onze Minister daarvan in kennis ten einde de keuring, bedoeld in artikel 38, eerste lid, onderscheidenlijk 69, eerste lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES, te kunnen doen plaatsvinden.

2.

Het bewijs van goedkeuring, bedoeld in de in het eerste lid genoemde artikelleden van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES, wordt onverwijld na de afgifte daarvan in afschrift gezonden aan de Inspectie Verkeer en Waterstaat.

Artikel 6
1.

In afwijking van artikel 38, tweede lid, onderscheidenlijk 69, tweede lid, van het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES kan de aldaar bedoelde keuring op schepen die niet vanuit een haven van een openbaar lichaam werkzaam zijn, worden verricht door instanties die daarvoor door Onze Minister zijn erkend.

2.

In een in het eerste lid bedoeld geval mag de zend- en ontvanginrichting in gebruik worden genomen indien de certificaten, bedoeld in artikel 3 van de Schepenwet, zijn afgegeven.

3.

Zo spoedig mogelijk na kennisgeving van de verlening van de in het tweede lid bedoelde certificaten door de overlegging van een kopie van deze certificaten aan Onze Minister, wordt het in artikel 38, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 69, eerste lid, bedoelde bewijs van goedkeuring afgegeven.

Artikel 7
1.

De zendinrichting van jachten en andere vaartuigen waarop het Schepenbesluit 2004 of het Vissersvaartuigenbesluit 2002 niet van toepassing zijn en die varen in het zeegebied A1, binnen het bereik van een VHF kuststation en die belast zijn met reddingswerkzaamheden op zee, vaartuigen die passagiers of vracht vervoeren en vaartuigen die buitengaats hun werkzaamheden verrichten zijn uitgerust overeenkomstig de eisen gesteld in artikel 10 van Bijlage V behorende bij het Schepenbesluit 2004.

2.

Vaartuigen en vissersboten waarop het Vissersvaartuigenbesluit 2002 niet van toepassing is noch het tweede lid, en die uitsluitend in het zeegebied A1 hun werkzaamheden verrichten dienen uitgerust te zijn met een VHF installatie.

3.

De zendinrichtingen van jachten en andere vaartuigen waarop het Schepenbesluit 2004 of het Vissersvaartuigenbesluit 2002 niet van toepassing is, die varen in zeegebied A1 en A2, binnen het bereik van een MF kuststation en die belast zijn met reddingswerkzaamheden op zee, vaartuigen die passagiers of vracht vervoeren, dienen uitgerust te zijn overeenkomstig artikel 11 van Bijlage V behorende bij het Schepenbesluit 2004 of de op maritieme radiocommunicatie betrekking hebbende voorschriften van het Vissersvaartuigenbesluit 2002.

4.

De kapitein of de eigenaar van een vaartuig is verplicht bij het daarvoor in aanmerking komende havenkantoor melding te doen van ieder vertrek buitengaats en iedere aankomst vanuit zee. Gedurende de vaart behoort het vaartuig enkele keren per dag verbinding te onderhouden met het daarvoor in aanmerking komende kuststation of indien het jachten betreft met de daarvoor in aanmerking komende jachthaven.

Artikel 8
1.

Alvorens te gaan zenden overtuigt de machtiginghouder zich ervan dat de radiocommunicatie van medegebruikers van de betreffende frequentie niet zal worden gehinderd.

2.

Een zendinrichting mag niet onnodig zijn ingeschakeld. Berichten worden zo kort mogelijk gehouden.

3.

Aan uitzendingen met betrekking tot noodgevallen wordt voorrang verleend boven andere uitzendingen.

Artikel 9
1.

Indien een zendinrichting wordt gebruikt ten behoeve van het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer worden voor de afwikkeling van dat radioverkeer de procedures – voor zover van toepassing – in acht genomen die zijn beschreven in de hoofdstukken IX en IX N van het radioreglement.

2.

Het handboek waarin deze procedures zijn opgenomen, dient bij de zendinrichting aanwezig te zijn.

Artikel 10
1.

Bij het begin en bij het einde van elke uitzending dient de machtiginghouder de internationaal vastgestelde roepletters dan wel identificatiecode ten minste eenmaal uit te zenden. Is de uitzending opgebouwd uit kortdurende uitzendingen dan wordt deze reeks kortdurende uitzendingen aangemerkt als één uitzending.

2.

Bij het spellen van de roepletters of identificatiecode wordt gebruik gemaakt van het volgende spellingsalfabet:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.