Wet voorkoming van verontreiniging door schepen BES
Hoofdstuk I. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. MARPOL-verdrag: het op 2 november 1973 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen, met Protocollen en Bijlagen met Aanhangsels (Trb. 1975, 147 en 1978, 187), gewijzigd en aangevuld bij het op 17 februari 1978 te Londen tot stand gekomen Protocol bij dat Verdrag met Bijlage en Aanhangsels (Trb, 1978, 188);
- b. AFS-verdrag: het op 5 oktober 2001 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijke aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44);
- c. Ballastwaterverdrag: het op 13 februari 2004 te Londen tot stand gekomen Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, met Bijlage, Aanhangsels, en Resoluties (Trb. 2004, 256);
- d. de verdragen: de in dit lid genoemde verdragen.
In deze wet en de daarop rustende bepalingen wordt voorts verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;
- b. VN-Zeerechtverdrag: het op 10 december 1982 te Montego-Bay tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Trb. 1983, 83);
- c. Milieuprotocol bij het Antarcticaverdrag: het op 4 oktober 1991 te Madrid tot stand gekomen Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica, met Bijlagen (Trb. 1992, 110);
- d. territoriale zee: de territoriale zee rond Bonaire, Sint Eustatius en Saba, vastgesteld bij of krachtens artikel 1 van de Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk;
- e. binnenwateren: de wateren van Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen landinwaarts vanaf de basislijn, bedoeld in het Uitvoeringsbesluit ex artikel 1 Rijkswet uitbreiding territoriale zee van het Koninkrijk;
- f. schip: elk vaartuig, van welk type ook, waaronder begrepen draagvleugelboten, luchtkussenvoertuigen, afzinkbare vaartuigen en drijvend materieel, alsmede installaties gedurende de tijd dat zij drijven, of wanneer het schip als hierboven bedoeld boven de zeebodem is geplaatst voor het instellen van een onderzoek naar de aanwezigheid van delfstoffen of voor het winnen daarvan;
- g. Nederlands schip: een schip dat op grond van voor Nederland geldende rechtsregels gerechtigd is de vlag van het Koninkrijk te voeren;
- h. buitenlands schip: een schip, niet zijnde een Nederlands schip;
- i. schadelijke stof: een stof die, indien zij in zee of in de lucht terechtkomt, gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan toebrengen aan het milieu, de recreatiemogelijkheden die de zee biedt kan schaden of storend kan werken op enig ander rechtmatig gebruik van de zee en die vermeld is in een van de verdragen;
- j. lozen: elk vrijkomen van stoffen van een schip, hoe ook veroorzaakt, waaronder begrepen ontsnappen, over boord zetten, wegvloeien, weglekken, pompen of ledigen;
- k. uitstoot: emissie als bedoeld in voorschrift 2 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag;
- l. voorval: een gebeurtenis die er daadwerkelijk toe leidt of er vermoedelijk toe zal leiden dat een schadelijke stof in zee wordt geloosd;
- m. haven: een rede, pier, steiger en in het algemeen iedere plaats, al of niet in zee, waar schepen ligplaats kunnen hebben of waar opvarenden en zaken ingescheept of ontscheept kunnen worden;
- n. eigenaar: degene aan wie het schip in eigendom toebehoort of, met betrekking tot een teboekgesteld schip, degene die in het register als eigenaar van het schip staat ingeschreven;
- o. exclusieve economische zone: de door het Koninkrijk ingestelde exclusieve economische zone, voor zover deze betrekking heeft op Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Hoofdstuk II. Toepassing
Artikel 2
[vervallen]
Artikel 3
Het bij of krachtens deze wet bepaalde is niet van toepassing op oorlogsschepen, schepen in gebruik als marinehulpschepen of andere schepen in eigendom van of in beheer bij een staat ten tijde dat zij uitsluitend worden gebruikt in dienst van de overheid voor andere dan handelsdoeleinden.
Artikel 4
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van schepen geheel of gedeeltelijk van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven regels en voorschriften worden uitgezonderd.
Artikel 5
Een verplichting die ingevolge deze wet rust op de eigenaar van een schip, rust tevens op de rompbevrachter van dat schip.
De rompbevrachter is de partij bij een overeenkomst tot exploitatie van een schip, de rompbevrachtingsovereenkomst, jegens wie de wederpartij, de rompvervrachter, zich verbindt een zeeschip zonder bemanning voor een bepaalde tijd ter beschikking te stellen, zonder daarover nog enige zeggenschap te houden.
Hoofdstuk III. Algemene bepalingen
§ 1. Lozingsverbod en voorzieningen
Artikel 6
Het is verboden vanaf een buitenlands schip een schadelijke stof in zee of in de binnenwateren te lozen behoudens in de gevallen en op de wijze vastgesteld in het Marpol-verdrag en het Milieuprotocol bij het Antarcticaverdrag.
Het is verboden vanaf een buitenlands schip opzettelijk stoffen die de ozonlaag aantasten als bedoeld in Bijlage VI van het MARPOL-verdrag uit te stoten, behoudens in de gevallen en op de wijze vastgesteld in die Bijlage.
Het is verboden aan boord van een buitenlands schip brandstofolie te gebruiken die niet voldoet aan de eisen die daaraan in Bijlage VI van het MARPOL-verdrag worden gesteld.
Het is verboden om afval en andere stoffen als bedoeld in voorschrift 16 van Bijlage VI van het MARPOL-verdrag aan boord van een buitenlands schip te verbranden, behoudens in de gevallen en op de wijze vastgesteld in die Bijlage.
Het is verboden met een buitenlands schip ballastwater of sediment uit ballastwater in te nemen of te lozen op een andere wijze dan zoals voorgeschreven in de bijlage bij het Ballastwaterverdrag.
Het is verboden met een schip ballastwater te lozen gedurende een nader onderzoek als bedoeld in artikel 20, tweede lid, of voor zolang het schip op grond van artikel 23 is aangehouden.
De in dit artikel genoemde verboden gelden slechts ten aanzien van buitenlandse schepen:
- a. in de binnenwateren, de territoriale zee of, voor zover de in deze leden bedoelde verboden betrekking hebben op de voorschriften van het MARPOL-verdrag of voor zover met deze verboden toepassing wordt gegeven aan artikel 220 van het VN-Zeerechtverdrag, in de exclusieve economische zone, en
- b. in de territoriale zee of de exclusieve economische zone van een vreemde staat dan wel op volle zee, voor zover de in deze leden bedoelde verboden betrekking hebben op de voorschriften van het MARPOL-verdrag of voor zover met deze verboden toepassing wordt gegeven aan artikel 218 van het VN-Zeerechtverdrag.
Artikel 7
De beheerders, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen havens zijn verplicht zorg te dragen voor voldoende voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van schadelijke stoffen dan wel restanten van schadelijke stoffen afkomstig van schepen dan wel schadelijke stoffen of uitrusting die deze schadelijke stoffen bevat en die van schepen worden verwijderd, zodanig dat onnodig oponthoud aan deze schepen wordt voorkomen.
De beheerders, of indien geen beheerder is aangewezen de eigenaar, van de havens zijn ter uitvoering van de hun in het eerste lid opgelegde verplichting bevoegd regels te geven krachtens welke de beheerders van bepaalde los- en laadplaatsen en scheepsreparatiewerven in hun havens worden verplicht zorg te dragen voor de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, voor zover schepen gebruik maken van die los- en laadplaatsen of scheepsreparatiewerven.
De kosten verbonden aan het in ontvangst nemen, opslaan en verwerken van restanten van schadelijke stoffen, afgegeven door schepen als bedoeld in het eerste lid, worden verhaald op degenen die deze restanten afgeven.
Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel, worden nadere regels gegeven ter uitvoering van dit artikel.
De afgifte bedoeld in het eerste lid mag niet anders geschieden dan op een wijze aangegeven bij of krachtens die maatregel.
§ 2. Regelen voor schepen
§ 3. Verplichtingen van de kapitein
Artikel 13
De kapitein van een buitenlands schip dat zich in een haven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba bevindt en waarop ingevolge de verdragen een journaal dient te worden bijgehouden, is verplicht de autoriteiten, bedoeld in artikel 16, op hun verzoek inzage in het journaal te verlenen en dient hen toe te staan van elke in het journaal geplaatste aantekening een eensluidend afschrift te maken. Desgevraagd dient de kapitein het afschrift voor eensluidend te waarmerken.
Elk aldus vervaardigd en voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van een aantekening in het journaal zal in een gerechtelijke procedure als bewijs van de feiten, vermeld in de aantekening, worden toegelaten.
Artikel 14
De kapitein van een buitenlands schip is verplicht een voorval dat plaatsvindt in de territoriale zee of in de exclusieve economische zone in de gevallen waarin het MARPOL-verdrag voorziet, onverwijld te melden aan de autoriteiten, bedoeld in het derde lid.
De kapitein is verplicht een voorval als bedoeld in het eerste lid te melden op de wijze, voorgeschreven in Protocol I bij het MARPOL-verdrag.
Onze Minister wijst de autoriteiten aan, aan wie een voorval als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld.
De autoriteiten aan wie krachtens het derde lid een voorval wordt gemeld, stellen de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de door Onze Minister aangewezen instanties in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba onverwijld op de hoogte.
§ 4. Verlaten van een haven
Artikel 15
Het is verboden met een buitenlands schip dat ingevolge een of meer van de verdragen voorzien moet zijn van een geldig certificaat, een haven in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te verlaten, zonder dat bedoeld certificaat aan boord is.
Hoofdstuk IV. Toezicht en aanhouding
§ 1. Toezicht
Artikel 16
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat.
Bij besluit van Onze Minister kunnen voor bepaalde daarin te vermelden taken verband houdende met het toezicht, bedoeld in het eerste lid, andere ambtenaren en personen worden aangewezen en ter beschikking gesteld van de Inspectie Verkeer en Waterstaat. Een zodanige aanwijzing en terbeschikkingstelling wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat alsmede de krachtens het tweede lid aangewezen andere ambtenaren en personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
- a. alle inlichtingen te vragen;
- b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers die betrekking hebben op de fabricage, het vervoer, de opslag, de lozing of de emissie van schadelijke stoffen, en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
- c. schepen en andere plaatsen, met uitzondering van woningen of tot woning bestemde gedeelten van schepen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van schepen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen.
- d. woningen of tot woning bestemde gedeelten van schepen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner binnen te treden.
- e. stoffen die zij aantreffen op plaatsen waar zij toegang hebben aan onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;
Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het derde lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.
Op het binnentreden van woningen of van tot woning bestemde gedeelten van schepen als bedoeld in het derde lid, onderdeel d, is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, laatste zinsnede, en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.
Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het tweede lid aangewezen andere ambtenaren en personen.
Een iedere is verplicht aan de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de krachtens het tweede lid aangewezen andere ambtenaren en personen alle medewerking te verlenen die op grond van het derde lid wordt gevorderd.
Artikel 17
[vervallen]
Artikel 18
De kapitein is verplicht de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat en de andere ambtenaren en personen, bedoeld in artikel 16 tweede lid desgevraagd behoorlijke en veilige toegang tot het schip en zijn ruimten te verschaffen. Voorts stelt de kapitein op een daartoe strekkend verzoek van een zodanige ambtenaar, alle personele middelen en hulpmiddelen ter beschikking, welke naar het oordeel van de ambtenaar redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van het onderzoek aan boord.
Artikel 19
Het bepaalde in de artikelen 16 en 18 geldt slechts ten aanzien van een buitenlands schip dat zich bevindtin de binnenwateren, de territoriale zee of de exclusieve economische zone.
De toezichthouder neemt bij het toezicht op de naleving van artikel 6, de artikelen 218 en 220 en afdeling 7 van Deel XII van het VN-Zeerechtverdrag in acht.
Artikel 20
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.