Wet administratieve rechtspraak BES

Type Wet Bes
Publication 2018-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

De algemene maatregel van rijksbestuur bedoeld in artikel 39 van de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie is van toepassing op de administratieve rechtspraak, tenzij in deze wet anders is bepaald.

Artikel 2
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder bestuursorgaan verstaan een persoon of een college met enig openbaar gezag bekleed, met uitzondering van:

2.

Onder de organen, bedoeld in het eerste lid, zijn begrepen de voorzitters, de leden, de commissies uit hun midden, de griffiers en de secretarissen.

Artikel 3
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder beschikking: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.

2.

Met een beschikking wordt een weigering om een beschikking te geven gelijk gesteld.

3.

Wanneer de wettelijk gestelde termijn voor het geven van een beschikking is verstreken zonder dat een beschikking is gegeven of – bij het ontbreken van zulk een termijn – wanneer niet binnen redelijke tijd een beschikking is gegeven, geldt dat als het weigeren van het geven van een beschikking.

Artikel 4

[vervallen]

Artikel 5
1.

Alle voorgeschreven toezendingen, kennisgevingen en oproepingen vanwege de griffier, het Gerecht of het Hof geschieden bij aangetekende brief.

2.

Als dagtekening van de aangetekende brief geldt de dag, waarop de toezending, kennisgeving of oproeping heeft plaats gehad.

Artikel 6
1.

De Wet kosteloze rechtskundige bijstand BES is van overeenkomstige toepassing op de behandeling van beroepschriften, bedoeld in deze wet.

2.

Stukken opgemaakt ter voldoening aan de bepalingen van deze wet zijn vrij van zegel en worden, voor zover zulks vereist wordt, kosteloos geregistreerd.

Hoofdstuk 2. Het beroep

Artikel 7
1.

Natuurlijke personen of rechtspersonen, die door een beschikking rechtstreeks in hun belang zijn getroffen, kunnen daartegen beroep instellen bij het Gerecht. Ten aanzien van bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd. Ten aanzien van rechtspersonen worden mede als hun belangen beschouwd de belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden behartigen.

2.

Geen beroep staat open tegen een beschikking:

Artikel 8

Het Gerecht doet uitspraak op beroepschriften ingevolge artikel 9 van de Cessantiawet BES en beroepschriften inzake sociale en volksverzekeringen, voor zover in de daarop betrekking hebbende wetten beroep op het Gerecht is opengesteld. Alsdan is deze wet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9
1.

Beroep kan worden ingesteld ter zake dat de beschikking in strijd is met:

2.

Indien het eerste lid, onderdeel b, toepassing heeft gevonden, wordt in de uitspraak aangegeven welk algemeen rechtsbeginsel geschonden is geoordeeld.

Hoofdstuk 3. De behandeling in eerste aanleg

§ 1. Het Gerecht

Artikel 10

[vervallen]

Artikel 11
1.

De behandeling van het beroep en de uitspraak geschieden door het Gerecht.

2.

Wanneer artikel 8 van toepassing is, geschieden de behandeling en de uitspraak door een meervoudige kamer van het Gerecht, bestaande uit een lid van het Hof als voorzitter en twee bijzondere rechters.

3.

De bevoegdheden die in de artikelen 17, tweede, derde en vierde lid, 21, 23, 26 tot en met 32, 37 tot en met 40, 44, tweede, derde, zesde en zevende lid, 48 en 54 zijn toegekend aan het Gerecht, worden in geval van behandeling door een meervoudige kamer uitgeoefend door de voorzitter.

Artikel 12
1.

De bijzondere rechters bedoeld in artikel 11, tweede lid, worden bij koninklijk besluit benoemd en ontslagen. De benoeming geschiedt voor een tijdvak van zes jaren. Op hun verzoek wordt aan hen bij koninklijk besluit voor de afloop van voornoemd tijdvak ontslag verleend.

2.

Benoembaar tot bijzondere rechter is iedere Nederlander.

3.

Niet benoembaar zijn:

4.

Indien ten aanzien van een bijzondere rechter zich na zijn benoeming een van de gevallen voordoet die grond zijn voor niet-benoembaarheid, wordt hij bij koninklijk besluit uit zijn ambt ontslagen.

5.

Op met redenen omkleed voorstel van het Hof kan de bijzondere rechter worden ontslagen:

6.

In geval van tussentijds ontslag of overlijden wordt een nieuwe bijzondere rechter benoemd.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur, worden regels gegeven omtrent de aan de bijzondere rechters toekomende vergoedingen.

Artikel 13
1.

De bijzondere rechters leggen de volgende eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de wettelijke regelingen, eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen, die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.»

2.

Alvorens tot die eed of belofte te worden toegelaten, leggen zij de volgende eed (verklaring en belofte) van zuivering af: «Ik zweer (verklaar), dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of voorwendsel ook, tot het verkrijgen van mijn aanstelling, aan iemand wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven. Ik zweer (beloof), dat ik nimmer enige giften of geschenken hoe ook genaamd, zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij in een rechtszaak is of zal worden betrokken, waarin mijn ambtsverrichtingen te pas zouden kunnen komen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig (Dat beloof ik)».

3.

De eedsaflegging (verklaring en belofte) van de bijzondere rechters geschiedt ten overstaan van de president van het Hof of een door deze aangewezen ambtenaar.

Artikel 14

Bij de beraadslaging over rechtszaken maken eerst de bijzondere rechters, van de jongstbenoemde tot de oudste, en als laatste de voorzitter hun gevoelen kenbaar. In diezelfde volgorde heeft, zo nodig, de stemming plaats. Er wordt beslist bij meerderheid van stemmen. Een rechter, die niet bij de beraadslaging aanwezig kan zijn, kan zijn gevoelen niet schriftelijk kenbaar maken of door een van zijn mederechters doen voordragen.

§ 2. Het aanhangig maken van beroep

Artikel 15
1.

Het beroep wordt aanhangig gemaakt met een aan het Gerecht gericht beroepschrift, dat in tweevoud wordt ingediend bij de griffie van het Gerecht dat zijn zittingsplaats heeft in het eilandgebied waar de indiener zijn woonplaats heeft.

2.

Het beroepschrift kan worden ingediend door degene die tot het beroep gerechtigd is, of door een door deze aangewezen gemachtigde. De machtiging wordt schriftelijk gegeven en bij het beroepschrift overgelegd.

3.

In afwijking van het tweede lid behoeft een advocaat geen machtiging over te leggen.

4.

Als woonplaats van de indiener die zich door een gemachtigde doet vertegenwoordigen, wordt aangemerkt de woonplaats van die gemachtigde.

5.

Het beroepschrift houdt in:

6.

Bij het beroepschrift worden zo mogelijk de beschikking waarop het beroepschrift betrekking heeft, en de overige op de beschikking betrekking hebbende stukken overgelegd.

Artikel 16
1.

Het beroepschrift wordt ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beschikking is gegeven, of geldt als geweigerd.

2.

De dag waarop de beschikking is verzonden of uitgereikt, geldt als de dag waarop deze is gegeven.

3.

Wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de indiener aantoont dat de termijnoverschrijding het gevolg is van niet aan hem toe te rekenen bijzondere omstandigheden en dat hij het beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.