Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES
Overgangsrecht
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
De in deze wet zonder nadere aanduiding aangehaalde bepalingen zijn de bepalingen van de ingevoerde boeken 1 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
In de volgende artikelen worden onder «de wet» verstaan de in werking getreden bepalingen van de in het eerste lid bedoelde boeken.
In deze wet wordt, voor zover nodig, mede verstaan onder:
- a. het Burgerlijk Wetboek: het Burgerlijk Wetboek BES;
- b. het Faillissementsbesluit 1931: de Faillissementswet BES;
- c. het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES;
- d. het Wetboek van Koophandel: het Wetboek van Koophandel BES.
Artikel 2
Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit.
Voor zover en zolang op grond van de volgende artikelen de wet niet van toepassing is, blijft het vóór haar in werking treden geldende recht van toepassing.
Artikel 3
Wanneer de wet van toepassing wordt, heeft dat niet tot gevolg dat alsdan:
- a. iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder het tevoren geldende recht had verkregen;
- b. een schuld op een ander overgaat;
- c. het bedrag van een vordering wordt gewijzigd;
- d. een goed met een beperkt recht wordt belast;
- e. een vorderingsrecht ontstaat, indien reeds voordien aan alle vereisten die de wet daartoe stelt, was voldaan.
Bestaat op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, een voortdurende toestand waaraan zij een vorderingsrecht verbindt, dan geldt zij daarvoor van dat tijdstip af voor het vervolg, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit.
Artikel 4
Tenzij anders is bepaald, wordt een rechtshandeling die is verricht voordat de wet van toepassing wordt, niet nietig of vernietigbaar ten gevolge van een omstandigheid die de wet, in tegenstelling tot het tevoren geldende recht, aanmerkt als een grond van nietigheid of vernietigbaarheid.
Artikel 5
Een rechtshandeling die vernietigbaar was tot aan het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, kan van dat tijdstip af niet langer worden vernietigd op grond van het gebrek dat haar tevoren aankleefde, indien de wet een zodanig gebrek niet aanmerkt als een grond van vernietigbaarheid.
Een rechtshandeling als bedoeld in het eerste lid wordt op het daar genoemde tijdstip met terugwerkende kracht nietig, indien de wet een rechtshandeling met hetzelfde gebrek als nietig aanmerkt.
Artikel 6
Een nietige rechtshandeling wordt op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, met terugwerkende kracht tot een onaantastbare bekrachtigd, indien zij heeft voldaan aan de vereisten die de wet voor een zodanige rechtshandeling stelt.
Een tevoren nietige rechtshandeling geldt van dat tijdstip af als vernietigbaar, indien de wet het gebrek dat haar aankleeft, als grond van vernietigbaarheid aanmerkt.
De vorige leden gelden slechts, indien alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen, de handeling voordien als geldig hebben aangemerkt. Inmiddels verkregen rechten van derden behoeven aan de bekrachtiging niet in de weg te staan, mits zij worden geëerbiedigd.
Artikel 7
Indien de wet een verjarings- of vervaltermijn op korter dan een jaar stelt, en die termijn overeenkomstig het in de wet bepaalde zou aanvangen vóór het tijdstip waarop zij van toepassing wordt, dan wordt deze aanvang naar dat tijdstip verschoven.
Strekt de termijn tot vervanging van een termijn die door het tevoren geldende recht werd gesteld, dan eindigt de nieuwe termijn uiterlijk op het tijdstip waarop de vervangen termijn zou zijn voltooid.
Artikel 8
Indien de wet een verjarings- of vervaltermijn op een jaar of langer stelt, en die termijn overeenkomstig het in de wet bepaalde zou aanvangen vóór het tijdstip waarop zij van toepassing wordt, dan is het bepaalde omtrent aanvang, duur en aard van die termijn tot een jaar na dat tijdstip niet van toepassing.
De nieuwe termijn wordt geacht niet vóór afloop van dat jaar te zijn voltooid.
Artikel 9
In afwijking van de artikelen 7 en 8 kan een bevoegdheid die de wet toekent, niet meer worden uitgeoefend, indien de daarvoor bij de wet gestelde termijn reeds is verstreken vóór het tijdstip waarop zij van toepassing wordt, en een bevoegdheid van gelijke aard onder het tevoren geldende recht niet bestond. Evenwel kunnen rechtshandelingen die overeenkomstig artikel 6, tweede lid, van deze wet vernietigbaar worden, nog gedurende een jaar na het tijdstip van het van toepassing worden der wet worden vernietigd, indien de door de wet gestelde termijn reeds op dat tijdstip was verstreken.
Was de termijn waarbinnen volgens het tevoren geldende recht een recht of bevoegdheid moest zijn uitgeoefend, reeds verstreken op het in het eerste lid bedoelde tijdstip, dan brengt de wet die een recht of bevoegdheid van gelijke aard toekent, in het rechtsgevolg van de verjaring of het verval geen verandering.
Artikel 10
De bepalingen van de wet omtrent de rangorde waarin vorderingen uit de opbrengst van een goed moeten worden voldaan, gelden, behoudens het elders bepaalde, mede met betrekking tot vorderingen die op het tijdstip van het in werking treden van de wet bestaan.
De wet is niet van toepassing op de rangorde bij de verdeling van de opbrengst van een goed dat op het tijdstip van haar in werking treden reeds ten behoeve van verhaal ter uitwinning is verkocht, noch op die bij de verdeling van hetgeen op een vordering op dat tijdstip reeds is geïnd.
De wet is niet van toepassing op de rang van vorderingen die worden verhaald in iemands faillissement, indien zij in werking treedt nadat de rechter-commissaris overeenkomstig artikel 103 van het Faillissementsbesluit 1931 de dag heeft bepaald waarop die vorderingen uiterlijk ter verificatie moeten zijn ingediend.
Het in werking treden van de wet heeft voor de dan bestaande vorderingen geen gevolg ten aanzien van de werking van een surséance van betaling, die voordien aan de schuldenaar voorlopig is verleend.
Artikel 11
Is voor de al dan niet toepasselijkheid van de bepalingen der wet omtrent aansprakelijkheid en schadevergoeding beslissend, of een schade vóór of na het in werking treden van de wet is ontstaan, en blijkt dat niet, dan is beslissend, of de schade vóór of na het in werking treden van de wet is bekend geworden.
Artikel 12
De aansprakelijkheid voor schade die is ontstaan of, bij toepassing van artikel 11, bekend geworden na het in werking treden van de wet, wordt, ook met betrekking tot haar omvang, naar het tevoren geldende recht beoordeeld, indien die schade voortspruit uit dezelfde gebeurtenis of vóór het in werking treden van de wet bestaan hebbende toestand als een eerdere door de benadeelde geleden schade waarop dat recht van toepassing was. Hetzelfde geldt voor de aansprakelijkheid wegens iemands overlijden na het tijdstip van het in werking treden van de wet als gevolg van letsel dat vóór dat tijdstip is ontstaan.
Artikel 13
Een beding dat naar een vóór het in werking treden van de wet geldend wetsartikel verwijst of de zakelijke inhoud van zo’n artikel weergeeft, wordt geacht een verwijzing naar of een weergave van de wet in te houden, tenzij zulks niet in overeenstemming met de strekking van het beding zou zijn.
Artikel 14
Het van toepassing worden van de wet heeft geen gevolg voor de bevoegdheid van de rechter voor wie voordien een geding is aangevangen, noch voor de aard van dat geding en voor de rechtsmiddelen tegen de uitspraak.
Het tevoren geldende recht blijft van toepassing, indien een geding als bedoeld in het eerste lid in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt, tenzij de rechter tot voortzetting van het geding beslist.
In een geding ter zake van een cassatieberoep tegen een, vóór het van toepassing worden van de wet tot stand gekomen, uitspraak blijft het voordien geldende recht van toepassing. Dit geldt mede voor de verdere behandeling van de zaak door het gerecht waarnaar in cassatie is verwezen, tenzij de zaak als gevolg van cassatie door het gerecht in haar geheel opnieuw moet worden behandeld.
In gedingen als bedoeld in het eerste lid bepaalt de rechter op verzoek van een der partijen of ambtshalve een termijn waarbinnen partijen de gelegenheid wordt geboden hun stellingen en conclusies voor zover nodig aan te passen aan de wet of aan deze of een der volgende titels. Stelt de rechter partijen tot een zodanige aanpassing in de gelegenheid, dan staat tegen die beslissing geen rechtsmiddel open; wijst de rechter een daartoe strekkend verzoek af, dan staat een rechtsmiddel daartegen gelijktijdig met de einduitspraak open.
Artikel 15
De in overgangsbepalingen vervatte verwijzing naar de regels van de wet of naar die van het tevoren geldende recht is in aan de rechter voorgelegde zaken niet van toepassing, indien de gelijkenis met elders in die bepalingen geregelde gevallen daartoe noopt of indien de toepassing onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechter beslist de zaak alsdan op de wijze die naar zijn oordeel in de gegeven omstandigheden het meest passend en billijk is.
Titel 2. Overgangsbepalingen in verband met Boek 1
Artikel 16
Een verzoek, gericht aan de Gouverneur, tot het verkrijgen van diens toestemming tot wijziging of vaststelling van een geslachtsnaam, dat vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet is ingediend, doch waarop alsdan nog niet is beslist,wordt van dat tijdstip af aangemerkt en door hem behandeld als een verzoek tot wijziging of vaststelling van die geslachtsnaam overeenkomstig artikel 7 van Boek 1.
Artikel 17
Artikel 31 van Boek 1 is niet van toepassing met betrekking tot een huwelijk dat vóór het tijdstip van het in werking treden van de wet reeds overeenkomstig het tevoren geldende artikel 101, 102 of 103 van het Burgerlijk Wetboek was afgekondigd.
Op verzoeken tot het verlenen van dispensatie die vóór het tijdstip van het in werking treden van artikel 31 van Boek 1 overeenkomstig het tevoren geldende artikel 78 van het Burgerlijk Wetboek bij de Gouverneur zijn ingediend, beslist deze met inachtneming van het ten tijde van zijn beslissing geldende recht; artikel 31, derde lid, van Boek 1 is in zulk een geval niet van toepassing.
Artikel 18
De stuiting van een huwelijk, aangevangen vóór het tijdstip van het in werking treden van titel 5, afdeling 3, van Boek 1, vervalt op dat tijdstip, voor zover zij is geschied door een persoon die daartoe volgens die afdeling niet bevoegd is, of op een grond welke door die afdeling niet wordt gerechtvaardigd.
Artikel 19
Indien de aangifte van een huwelijk vóór het in werking treden van de wet is gedaan en de voltrekking daarvan nadien geschiedt, doet de ambtenaar van de burgerlijke stand, alvorens tot die voltrekking gelegenheid te geven, aan zich overleggen de bescheiden genoemd in artikel 44 van Boek 1, met uitzondering van de in het eerste lid, onder h, van dat artikel bedoelde verklaring.
Artikel 20
Onverminderd het bepaalde in artikel 14, tweede en derde lid, van deze wet, kan een huwelijk dat vóór het tijdstip van het in werking treden van titel 5, afdeling 4, van Boek 1 is voltrokken, nadien slechts worden nietig verklaard, indien de zesde afdeling van de vierde titel van het Eerste Boek van het Burgerlijk Wetboek, zoals deze vóór dat tijdstip gold, de mogelijkheid daartoe openstelde, en tevens titel 5, afdeling 5, van Boek 1 nietigverklaring toelaat.
Artikel 21
Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden van de artikelen 88 en 89 van Boek 1 heeft verricht, blijven de totdan geldende artikelen 158, 159 en 160 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.
Artikel 22
Op rechtshandelingen die een echtgenoot vóór het in werking treden van de wet in strijd met het toen geldende artikel 169 van het Burgerlijk Wetboek heeft verricht, blijft het toen geldende artikel 170 van dat wetboek van toepassing.
Artikel 23
De tweede en de derde volzin van artikel 97, eerste lid, van Boek 1 zijn van hun in werking treden af mede van toepassing op de goederen die reeds voordien in de gemeenschap waren gevallen.
Artikel 24
Indien echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is uitgesproken vóór het tijdstip van in werking treden van de wet of daarna doch met toepassing van het vóór dat tijdstip geldende recht, is ten aanzien van de vraag of op een der partijen de verplichting rust om uit dien hoofde aan de andere partij levensonderhoud te verschaffen, eveneens het vóór dat tijdstip geldende recht van toepassing. Wordt na het in werking treden van de wet een huwelijk ontbonden nadat de echtgenoten overeenkomstig het tevoren geldende recht van tafel en bed waren gescheiden, dan is met betrekking tot het recht op levensonderhoud het tevoren geldende artikel 255 van toepassing.
In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 158 en 159 van Boek 1 van toepassing, indien partijen na het tijdstip van het in werking treden van de wet bij overeenkomst bepalen of de een tegenover de ander tot een uitkering voor diens levensonderhoud is gehouden. 3. In afwijking van het eerste lid is artikel 160 van Boek 1 van toepassing, indien de andere partij na het tijdstip van in werking treden van de wet opnieuw in het huwelijk treedt.
Artikel 25
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.