Dienstplichtwet BES
Titel I. Dienstplicht
Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
- a. krijgsmacht: de krijgsmacht van het Koninkrijk;
- b. werkelijke dienst: dienst in de krijgsmacht;
- c. dienstplicht: de verplichting tot het vervullen van werkelijke dienst;
- d. dienstplichtige: hij, die ingevolge deze wet tot werkelijke dienst kan worden opgeroepen;
- e. Onze Minister: Onze Minister van Defensie.
Onder de ingevolge deze wet voor de dienstplicht in te schrijven personen worden uitsluitend mannelijke personen verstaan.
Waar in deze wet wordt gesproken van personen, die ongeschikt zijn verklaard, van dienstplicht zijn vrijgesteld of uitgesloten of te wier aanzien een rechterlijke uitspraak heeft plaats gehad, worden hieronder – voor zover het tegendeel niet blijkt – verstaan diegenen omtrent wie het desbetreffende besluit of de desbetreffende uitspraak onherroepelijk is geworden.
Waar in deze wet wordt gesproken van het oproepen in werkelijke dienst, wordt daaronder ten aanzien van hen, die zich reeds in werkelijke dienst bevinden, verstaan het houden in werkelijke dienst.
Artikel 2
[Vervallen]
Artikel 3
Alle stukken, die in verband met de bepalingen van deze wet of te harer uitvoering gegeven voorschriften en uitgevaardigde besluiten en beschikkingen worden gevorderd, ingediend, overgelegd of uitgereikt, zijn vrij van het recht van zegel.
Artikel 4
Hij, die voor de dienstplicht is ingeschreven, kan niettemin, ook al is hij als dienstplichtige in werkelijke dienst, worden toegelaten tot een vrijwillige verbintenis bij de krijgsmacht. Onze Minister bepaalt in hoeverre betrokkene, na voldoening aan zijn vrijwillige verbintenis, geacht kan worden zijn dienstplicht te hebben vervuld.
Gedurende de staat van oorlog en beleg behoeft de in het eerste lid bedoelde dienstplichtige voorafgaande toestemming van Onze Minister.
De bepalingen van deze wet zijn, tenzij anders is overeengekomen, gedurende de tijd der vrijwillige verbintenis, voor zover nodig, van toepassing.
Artikel 5
De dienstplichtige, niet in werkelijke dienst, die zich voor langer dan acht maanden naar het buitenland begeeft, geeft hiervan voor zijn vertrek kennis aan de Gezaghebber van het eilandgebied van zijn woonplaats. Gelijke kennisgeving doet hij bij zijn terugkeer.
Bij met redenen omklede beschikking kan Onze Minister tijdelijk bepalen dat de in het vorige lid bedoelde termijn wordt ingekort dan wel vervalt.
Artikel 6
Voor de toepassing en uitvoering dezer wet en derzelver uitvoeringsbesluiten en beschikkingen wordt een commissie van advies ingesteld. Deze commissie heet «Dienstplichtraad»; haar samenstelling, taak en werkwijze worden door Onze Minister bepaald. Aan deze commissie worden zo mogelijk een officier van de zeemacht en zo nodig een van de luchtmacht en een van de landmacht als lid toegevoegd.
Artikel 7
Voor zover in deze wet niet anders is of wordt bepaald geschiedt de uitvoering derzelver bepalingen bij algemene maatregel van bestuur.
Hoofdstuk II. Inschrijving
Artikel 8
Voor de dienstplicht wordt behoudens het bepaalde in het tweede lid ingeschreven:
- a. de Nederlander, die op de dag, waarop hij 18 jaar oud wordt en tot de dag, waarop hij 45 jaar oud wordt in het bevolkingsregister te zijner woonplaats is opgenomen of had behoren te zijn opgenomen;
- b. de Nederlander, die zich tussen zijn achttiende en vijfenveertigste jaar in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba vestigt en in het bevolkingsregister te zijner woonplaats is opgenomen of had behoren te zijn opgenomen;
- c. hij, die tussen zijn achttiende en vijfenveertigste jaar Nederlander of opnieuw Nederlander is geworden en in het bevolkingsregister te zijner woonplaats is opgenomen of had behoren te zijn opgenomen.
Voor de dienstplicht wordt niet ingeschreven de Nederlander voor zolang hij in werkelijke dienst is bij de krijgsmacht.
Artikel 9
De Gezaghebbers der onderscheiden eilandgebieden zijn gehouden de Nederlanders die overeenkomstig het bepaalde in het vorige artikel ingeschreven behoren te worden, in te schrijven of te doen inschrijven in een dienstplichtregister, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
De Nederlanders bedoeld in het eerste lid van het vorige artikel onder b en c zijn verplicht zich aan te melden voor inschrijving in het dienstplichtregister zodra zij in de daar bedoelde omstandigheden komen te verkeren. De aanmelding kan geschieden door tussenkomst van een daartoe schriftelijk gemachtigde. Zij geschiedt door de wettelijke vertegenwoordiger, indien de aanmeldingsplichtige minderjarig is of onder curatele is gesteld.
Door of vanwege de Gezaghebbers der onderscheiden eilandgebieden wordt jaarlijks in de maand januari bij Onze Minister ingediend een opgave, bevattende naam, geboortedatum, geboorteplaats en beroep van de personen, die in het afgelopen jaar in het dienstplichtregister zijn ingeschreven, alsmede van de personen, die overeenkomstig het bepaalde in artikel 10 daaruit zijn afgeschreven.
De in het vorige lid genoemde organen zijn gehouden van alle wijzigingen betreffende inschrijvingen en afschrijvingen onverwijld aantekening in het dienstplichtregister te doen.
Onze Minister kan vorderen, dat hem ook tussentijds gegevens uit het dienstplichtregister worden overgelegd.
Artikel 10
Nederlanders worden uit het dienstplichtregister afgeschreven:
- a. bij overlijden;
- b. bij het bereiken van het vijfenveertigste levensjaar, behoudens het geval bedoeld in artikel 35 derde lid;
- c. bij verlies van het Nederlanderschap;
- d. bij verhuizing naar een ander deel van het Koninkrijk;
- e. bij verhuizing naar het buitenland;
- f. bij blijvende ongeschiktheid;
- g. bij blijvende uitsluiting;
- h. bij ontslag uit de werkelijke dienst ingevolge het bepaalde in de artikelen 35, tweede lid, en 36a tweede lid [bedoeld zal zijn: de artikelen 35, tweede lid, en 36].
Hoofdstuk III. Keuring
Artikel 11
De geschiktheid of ongeschiktheid voor dienst bij de krijgsmacht in verband met lichaamslengte of met ziekten en gebreken wordt beoordeeld door een door Onze Minister samen te stellen keuringscommissie van drie geneeskundigen, waaraan zo mogelijk één geneeskundige van de krijgsmacht als lid wordt toegevoegd.
De voor een keuring opgeroepene is verplicht behoudens in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen aan de oproeping gevolg te geven en zich aan de keuring te onderwerpen.
De in het eerste lid bedoelde beoordeling geschiedt met inachtneming van algemene maatregel van bestuur vast te stellen keuringsreglement, waarin voor zoveel mogelijk de voor de krijgsmacht op dit stuk bestaande regelen worden opgenomen.
De uitspraak der keuringscommissie geschiedt in het openbaar.
Een aanvraag voor herkeuring moet door belanghebbende of door zijn wettelijke vertegenwoordiger binnen 2 weken na de in het vorige lid bedoelde uitspraak aan de in het zesde lid bedoelde keuringscommissie worden gedaan. De aanvraag moet op aannemelijke in het verzoekschrift omschreven gronden berusten.
Ten behoeve van de herkeuring stelt Onze Minister een of meer herkeuringscommissies in.
Verschijnt de aanvrager of degeen te wiens behoeve de aanvraag is gedaan niet voor de herkeuringscommissie, dan wordt de aanvraag als vervallen beschouwd.
De uitspraak der herkeuringscommissie geschiedt eveneens in het openbaar.
Voor zover nodig stellen de betrokken bestuurscolleges geneeskundigen ter beschikking voor de samenstelling der keurings- en herkeuringscommissies.
Artikel 12
De uitspraak van een keuringscommissie of een herkeuringscommissie betreft:
- a. geschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht;
- b. geschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht onder voorbehoud van lichte dienst;
- c. ongeschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht;
- d. tijdelijke ongeschiktheid voor de dienst bij de krijgsmacht.
Bij uitspraak van een herkeuringscommissie vervalt de uitspraak van een keuringscommissie ten aanzien van de betrokkene, tenzij de voorafgaande uitspraak van de keuringscommissie wordt bevestigd.
Na verstrijken van de duur der tijdelijke ongeschiktheid wordt de betrokkene opnieuw voor de keuring opgeroepen.
Artikel 13
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op hen, die:
- a. in werkelijke dienst zijn;
- b. van de militaire dienst zijn uitgesloten.
Artikel 14
De in de keuringscommissie of herkeuringscommissie zitting hebbende geneeskundigen zijn verplicht de hun in verband met de keuring opgedragen werkzaamheden te verrichten.
Hoofdstuk IV. Vrijstelling
Artikel 15
Vrijstelling van militaire dienst kan worden verleend wegens:
- a. kostwinnerschap;
- b. persoonlijke onmisbaarheid;
- c. aanwezigheid van een bijzonder geval;
en wordt verleend wegens:
- d. het bekleden van een geestelijk of een godsdienstig menslievend ambt of opleiding tot zodanig ambt;
- e. broederdienst.
Omtrent het verlenen van vrijstelling van militaire dienst beslist Onze Minister.
Verleende vrijstelling van militaire dienst op grond van het bepaalde in het eerste lid onder a en b kan te allen tijde door Onze Minister worden ingetrokken.
Verleende vrijstelling van militaire dienst op grond van het bepaalde in het eerste lid onder c en d, houdt op te gelden, zodra de vrijgestelde ophoudt te verkeren in een geval, als onder die rubrieken bedoeld.
Onnauwkeurige vermelding van namen en voornamen en andere persoonsgegevens in het dienstplichtregister levert geen grond op voor vrijstelling van militaire dienst.
Artikel 16
Vrijstelling wegens kostwinnerschap kan worden verleend, indien door het verblijf van de ingeschrevene in werkelijke dienst, behalve in het geval van opkomst voor herhalingsoefeningen, voldoende middelen tot levensonderhoud aan andere personen ontbreken of zouden komen te ontbreken.
Onder de personen, in het vorige lid bedoeld, worden uitsluitend begrepen:
- a. de echtgenote van de ingeschrevene;
- b. zijn bloed- en aanverwanten in de rechte lijn;
- c. degenen, in wier onderhoud de ingeschrevene ingevolge rechterlijk vonnis moet voorzien.
Wanneer geen vrijstelling van militaire dienst wordt verleend aan de ingeschrevene, die in het geval bedoeld in het eerste lid verkeert, dan wordt krachtens bij algemene maatregel van bestuur,te stellen regelen aan hem op zijn verzoek een vergoeding uit 's Lands kas toegekend.
Artikel 17
Vrijstelling wegens persoonlijke onmisbaarheid kan door Onze Minister worden verleend aan hem door wiens verblijf in werkelijke dienst onoverkomelijke bezwaren zouden ontstaan voor de taakvervulling van de Overheid of een particuliere organisatie.
Artikel 18
Vrijstelling om de reden, genoemd in artikel 15 lid 1 onder d, wordt met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen regelen verleend.
Artikel 19
Vrijstelling van dienst wegens broederdienst wordt verleend aan de ingeschrevene die ten minste drie broeders heeft of gehad heeft, die op een door Onze Minister te bepalen tijdstip dienen of ten minste dertig dagen gediend hebben bij de krijgsmacht.
Artikel 20
[vervallen]
Hoofdstuk V. Uitsluitingen
Artikel 21
Onze Minister sluit van de militaire dienst uit degene, die:
- a. onverminderd het bepaalde in artikel 30, onderdelen a en b, in verzekerde bewaring is gesteld, hechtenis of gevangenisstraf ondergaat: voor de duur daarvan;
- b. bij rechterlijke uitspraak in het Koninkrijk is veroordeeld tot een of meer straffen, zwaarder of te zamen zwaarder dan een gevangenisstraf van 6 maanden;
- c. bij rechterlijke uitspraak is ontzet uit het recht om bij de gewapende macht te dienen.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, kan van de dienst worden uitgesloten degene die bij rechterlijk uitspraak is veroordeeld terzake van misdrijven als bedoeld in artikel 133, tweede lid, alsmede in de artikelen 109 en 139 van het Wetboek van Militair Strafrecht.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt degene, die gratie is verleend, geacht slechts te zijn veroordeeld tot de straf, welke krachtens de gratie op hem blijft rusten of komt te rusten.
Onze Minister kan in bijzondere gevallen de uitsluiting, bedoeld in het eerste lid, achterwege laten.
Hoofdstuk VI. Dienstplicht
Artikel 22
Alle ingeschrevenen, met uitzondering van hen, die op grond van voorgaande bepalingen niet dienstplichtig zijn of van de dienstplicht zijn vrijgesteld of zijn uitgesloten of die niet tot de militaire dienst verplicht zijn ingevolge een internationale overeenkomst, welke in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van toepassing is, zijn dienstplichtigen.
De dienstplichtigen worden onderscheiden in interne en externe dienstplichtigen. Externe dienstplichtige is hij, die reeds elders in het Koninkrijk voor eerste oefening is opgeroepen en deze heeft volbracht of geacht wordt te hebben volbracht. De interne dienstplichtige is hij, die voor eerste oefening in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan worden opgeroepen tot het vervullen van dienstplicht, hetzij deze aldaar heeft volbracht, dan wel geacht kan worden deze aldaar te hebben volbracht.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.