Besluit ter uitvoering van de artikelen 16 en 19 van de Wet medisch tuchtrecht BES

Type Amvb Bes
Publication 2018-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In dit besluit wordt verstaan onder de wet: de Wet medisch tuchtrecht BES.

2.

Tenzij anders bepaald, worden onder de voorzitter en de leden van het College tevens hun plaatsvervangers begrepen.

Hoofdstuk I. Het Medisch Tuchtcollege

Artikel 2
1.

De leden en de secretaris van het College leggen, alvorens met de uitoefening van hun bediening aan te vangen, in handen van de president van het Hof van Justitie, bijgestaan door deszelfs griffier, de navolgende eed of belofte af:

«Ik zweer (beloof) trouw aan de Koning en gehoorzaamheid aan de wet, en dat ik mij bij mijn rechtspraak zal laten leiden door het algemeen belang en in ieder bijzonder geval mijn ambt zal vervullen zonder aanzien des persoons».

2.

Tijd en plaats der beëdiging worden door de president vastgesteld in overleg met de te beëdigen personen.

3.

Van het afleggen van de eed of de belofte wordt proces-verbaal opgemaakt.

4.

Door het afleggen van de eed of de belofte aanvaarden de benoemde person en tevens hun bediening.

Artikel 3

De artikelen 10 en 149 van het Wetboek van strafvordering BES zijn op de leden en de secretaris van het College, alsook op de Inspectie gezondheidszorg en jeugd van toepassing, met dien verstande, dat van wetenschap, van de persoon over wie geklaagd is of van opgeroepen getuigen of deskundigen afkomstig, voor zover deze personen beklaagde zijn in de zin van het Wetboek van strafvordering BES in generlei vorm mededeling mag worden gedaan, tenzij zij zelf daartoe toestemming verlenen.

Artikel 4

De leden en de secretaris van het College ontvangen voor het bijwonen van bijeenkomsten van het College een door Onze Minister vast te stellen bedrag.

Artikel 5

[Vervallen]

Hoofdstuk II. Aanhangig maken van klachten in eerste aanleg

Artikel 6
1.

Een ingevolge artikel 12 van de wet in te dienen klaagschrift bevat:

2.

Bij het klaagschrift wordt tenminste een afschrift daarvan overgelegd.

3.

Het klaagschrift en het afschrift daarvan moeten zijn ondertekend en van dagtekening voorzien.

Artikel 7
1.

De secretaris tekent onverwijld de dag van indiening op het klaagschrift aan en doet dit aan de voorzitter toekomen.

2.

Indien naar het oordeel van de voorzitter het klaagschrift niet voldoet aan het bij het vorige artikel bepaalde, deelt hij de inzender, indien deze tenminste bekend is, mede in hoeverre het klaagschrift naar zijn mening onvolledig is en nodigt hij hem uit het verzuim binnen een bepaalde tijd te herstellen.

3.

Niet-ondertekende en onvolledige, niet aangevulde klaagschriften kunnen door het College als niet voor behandeling vatbaar worden terzijde gelegd, onverminderd de bevoegdheid van de klager, op grond van dezelfde feiten een nieuw klaagschrift in te zenden.

4.

Indien gedurende de behandeling van de klacht blijkt, dat de voorzitter het tweede lid van dit artikel niet of niet op de juiste wijze heeft toegepast, herstelt het College het verzuim. De zaak wordt alsdan, zo nodig, teruggebracht in de staat, waarin zij zich bevond op het tijdstip, waarop de voorzitter dat lid had behoren toe te passen.

Hoofdstuk III. Voorbereidend onderzoek

Artikel 8
1.

De voorzitter is bij de instelling van het in artikel 12 tweede lid der wet bedoelde voorlopige onderzoek niet beperkt tot de feiten en omstandigheden, in het klaagschrift vermeld.

2.

Hij is ten behoeve van dit onderzoek bevoegd:

Artikel 9
1.

De voorzitter wordt tijdens het voorlopig onderzoek bij al zijn verrichtingen bijgestaan door de secretaris.

2.

De secretaris maakt van het gebeurde tijdens de zittingen en tijdens een plaatselijk onderzoek een proces-verbaal op, hetwelk door de voorzitter en de secretaris ondertekend wordt.

Artikel 10
1.

De persoon, over wie geklaagd is, kan zich reeds bij het voorlopig onderzoek doen bijstaan door een of meer raadslieden.

2.

Het bepaalde bij artikel 50ter van het Wetboek van strafvordering BES is met betrekking tot de personen die als raadslieden kunnen optreden, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11
1.

Indien het voorlopig onderzoek leidt tot een der in artikel 12, tweede lid, tweede en derde volzin der wet bedoelde beslissingen van het College, worden deze beslissingen genomen in raadkamer.

2.

In alle andere gevallen neemt het College een beslissing niet dan nadat degene over wie geklaagd is ter terechtzitting is opgeroepen en, ingeval van verschijning, gehoord is.

Hoofdstuk IV. Behandeling ter terechtzitting

Artikel 12
1.

Zodra de voorzitter de zaak voldoende voorbereid acht, bepaalt hij de dag der terechtzitting.

2.

De secretaris roept onverwijld de klager en de persoon over wie geklaagd is, tegen die zitting op, onder mededeling van de samenstelling van het College, de secretaris inbegrepen.

3.

Bij deze oproepingen wordt een termijn van tenminste zes vrije dagen in acht genomen.

Artikel 13
1.

De secretaris draagt zorg, dat vóór de terechtzitting alle op de zaak betrekking hebbende stukken, hetzij in het oorspronkelijk, hetzij in gewaarmerkt afschrift, op een door hem te bepalen plaats ter inzage liggen voor belanghebbenden.

2.

De secretaris brengt het ter inzage liggen ter kennis van de klager en de persoon, over wie geklaagd is.

3.

De voorzitter neemt zonodig maatregelen ter verzekering van de geheimhouding der ter inzage liggende stukken.

Artikel 14

De hierna vermelde artikelen van de Wet ambtenarenrechtspraak BES vinden overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder de rechter, onderscheidenlijk de raad, wordt verstaan: het College, onder de griffier: de secretaris, en onder partijen: de klager en de persoon over wie geklaagd is:

Artikel 15
1.

Het bepaalde in artikel 10 is met betrekking tot het onderzoek ter terechtzitting eveneens van toepassing.

2.

De bevoegdheden, welke op de zitting aan de persoon over wie geklaagd is toekomen, komen ook toe aan zijn raadsman.

Artikel 16
1.

De leden van het College en de secretaris kunnen zich, hetzij op de gronden genoemd in artikel 13 van de wet, hetzij op andere gronden, verschonen. Het tweede en derde lid van genoemd artikel zijn in dat geval van overeenkomstige toepassing.

2.

Bloed- of aanverwanten tot de derde graad ingesloten kunnen niet tezamen voor de behandeling van een zaak zitting nemen in het College.

3.

Bij de behandeling van een geding door het College mag niet worden dienst gedaan door een secretaris, in bloed- of aanverwantschap tot de derde graad ingesloten bestaande aan een der genen, die zitting hebben.

4.

De zwagerschap houdt op door ontbinding van het huwelijk waardoor zij is veroorzaakt.

Artikel 17
1.

De samenstelling van het College blijft van de eerste behandeling ter terechtzitting af tot de beslissing in raadkamer onveranderd.

2.

Blijkt om enige reden wijziging van de samenstelling wenselijk of noodzakelijk, dan wordt de behandeling ter terechtzitting opnieuw aangevangen.

Artikel 18
1.

De terechtzittingen zijn als regel niet openbaar.

2.

Om redenen, aan het algemeen belang ontleend, kan het College een openbare behandeling gelasten.

Hoofdstuk V. Beraadslaging en uitspraak

Artikel 19

Het College beraadslaagt en beslist in raadkamer en grondt de beslissing uitsluitend op hetgeen ter terechtzitting heeft plaats gehad en op de stukken ten aanzien waarvan artikel 14 is toegepast. De artikelen 123 en 124 van de Wet ambtenarenrechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20
1.

De eindbeslissing van het College bevat:

2.

De artikelen 130 en 131 van de Wet ambtenarenrechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21
1.

Van de beslissing bedoeld in artikel 20 zendt de secretaris onverwijld afschrift aan de persoon over wie geklaagd is, onverminderd het in artikel 16 derde lid der wet bepaalde.

2.

De persoon over wie geklaagd is kan op zijn kosten verdere afschriften bekomen.

3.

Zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, geeft de secretaris de bescheiden van de zaak, die zich onder zijn berusting bevinden, terug aan de rechthebbenden.

Artikel 22
1.

Indien het College overeenkomstig artikel 16 tweede lid der wet bepaald heeft, dat een bepaalde beslissing dient te worden bekend gemaakt, geschiedt die bekendmaking door plaatsing in een of meer door het College in de beslissing aan te wijzen tijdschriften of nieuwsbladen. Het College kan de beslissing ook in enige verzameling van rechterlijke uitspraken en beslissingen doen opnemen.

2.

De namen en woonplaatsen der in de beslissing genoemde personen worden met de andere gegevens, welke omtrent die personen een aanwijzing bevatten, uit de beslissing weggelaten.

3.

Het College kan in de beslissing gelasten, dat bepaalde overwegingen, welke voor bekendmaking minder in aanmerking komen, in de bekend te maken tekst zullen worden geschrapt.

4.

Van alle weglatingen moet in de bekendgemaakte tekst duidelijk blijken.

5.

De bekendmaking geschiedt niet voordat de beslissing onherroepelijk is geworden.

Artikel 23
1.

De maatregel van oplegging van een geldboete wordt, zodra de beslissing onherroepelijk is geworden, door de secretaris ter kennis gebracht van de ontvanger der directe belastingen van de woonplaats van hem, aan wie de boete is opgelegd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.