← Geldende tekst · Geschiedenis

Luchtvaartwet BES

Geldende tekst a fecha 2012-01-01

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Deze wet is van toepassing op luchtvaartterreinen en het luchtverkeer, de luchtverkeersdienstverlening en het luchtvervoer binnen de delen van het Vluchtinformatiegebied Curaçao en het Vluchtinformatiegebied San Juan dat zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt dan wel die delen waarvoor de Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdienstverlening heeft aanvaard.

Hoofdstuk II. Algemene beginselen

Artikel 2

Een luchtvaartmaatschappij is verplicht ervoor zorg te dragen, dat:

Artikel 3

Het is verboden op zodanige wijze aan het luchtverkeer deel te nemen dan wel luchtverkeersleidingsdiensten te verlenen dat daardoor personen of zaken in gevaar gebracht worden of kunnen worden.

Artikel 4 t/m 7

[vervallen]

Hoofdstuk III. Vergunningen voor Luchtoperaties

Afdeling 1. Beroepsvervoer

Artikel 8
1.

Voor zover bij internationale overeenkomst niet anders is bepaald mag het beroepsvervoer met luchtvaartuigen binnen, naar of uit de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, of met een binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba gelegen punt als tussenstation, slechts geschieden door luchtvaartmaatschappijen aan wie daartoe bij algemene maatregel van bestuur respectievelijk door de Minister vergunning is verleend.

2.

Een luchtvaartmaatschappij als bedoeld in het eerste lid is een rechtspersoon opgericht volgens het Burgerlijk Wetboek BES, waarvan de hoofdzetel is gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba alwaar zij haar voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft en waarvan het overwegend deel van het aandelenkapitaal in handen is van ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba van Nederlandse nationaliteit en waarvan de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming berusten bij deze ingezetenen.

3.

Een vergunning kan op aanvraag worden verleend voor een termijn van ten hoogste vijf jaar en wordt verleend voor geregeld of ongeregeld vervoer. De vergunning voor geregeld vervoer wordt verleend bij algemene maatregel van bestuur, de vergunning voor ongeregeld vervoer door de Minister.

4.

Aanvragen om vergunning worden beoordeeld met inachtneming van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.

5.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

7.

Van een vergunning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Verzekering

Artikel 9

Het is verboden beroepsvervoer te verrichten indien degene die dat vervoer verricht, niet te allen tijde volgens goed koopmansgebruik rechtsgeldig verzekerd is tegen schade waarvoor hij wettelijk aansprakelijk kan worden gesteld, met inbegrip van de risico’s voor de uit te voeren operaties. In ieder geval dient degene die dit vervoer verricht verzekerd te zijn tegen de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor:

Afdeling 2

Afdeling 3. Andere activiteiten in de lucht

§ 1. Eigen vervoer

Artikel 11
1.

Door de Minister kan uitsluitend ten behoeve van het eigen bedrijf of de eigen onderneming vergunning worden verleend voor het niet tegen vergoeding vervoeren van bedrijfswerknemers en bedrijfsgoederen.

2.

Een bedrijf als bedoeld in het eerste lid is een rechtspersoon opgericht volgens het Burgerlijk Wetboek BES, waarvan de hoofdzetel is gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba alwaar zij haar voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft en waarvan het overwegend deel van het aandelenkapitaal in handen is van ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van Nederlandse nationaliteit en waarvan de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming berusten bij deze ingezetenen.

3.

Door de Minister kan van het vereiste ten aanzien van de nationaliteit, zoals bepaald in het tweede lid, worden afgeweken.

4.

De vergunning wordt verleend telkens voor ten hoogste vijf jaar.

5.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

7.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Particulier vervoer

Artikel 12
1.

Het is verboden met een luchtvaartuig particulier vervoer te verrichten, wanneer de houder of de gezagvoerder van het betrokken luchtvaartuig niet aannemelijk kan maken, dat het betreffende vervoer niet als beroepsvervoer, eigen vervoer, luchtwerk, of de activiteit beoogd door artikel 14 kan worden aangemerkt.

2.

Het is verboden particulier vervoer te verrichten met een luchtvaartuig met een toegelaten startmassa van meer dan 2000 kg.

3.

Door de Minister kan ontheffing worden verleend van het tweede lid, indien de aanvrager aantoont dat met het luchtvaartuig, waarvoor de ontheffing is gevraagd, geen beroepsvervoer, eigen vervoer, luchtwerk, of de activiteit beoogd door artikel 14, zal worden verricht en dat het vervoer veilig kan plaatsvinden.

4.

De in het derde lid bedoelde ontheffing wordt telkens verleend voor ten hoogste vijf jaar.

5.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

7.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

8.

Door de Minister wordt de verleende ontheffing ingetrokken wanneer:

§ 3. Luchtwerk

Artikel 13
1.

Door de Minister kan ten behoeve van het verrichten van luchtwerk vergunning worden verleend.

2.

In het geval dat een bedrijf de vergunning, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt dient zij een rechtspersoon te zijn, opgericht volgens het Burgerlijk Wetboek BES, waarvan de hoofdzetel is gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alwaar zij haar voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft en waarvan een overwegend deel der aandelen in handen is van ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van Nederlandse nationaliteit en waarvan de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming berusten bij deze ingezetenen.

3.

In de vergunning wordt aangegeven welke werkzaamheden de houder van de vergunning gerechtigd is als luchtwerk te verrichten en met welk luchtvaartuig of welke luchtvaartuigen dit luchtwerk wordt verricht.

4.

De vergunning wordt telkens verleend voor ten hoogste vijf jaar.

5.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

7.

Door de Minister kan van het vereiste ten aanzien van de nationaliteit, zoals bepaald in het tweede lid, worden afgeweken.

8.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

§ 4. Bijzondere activiteiten

Artikel 14
1.

Door de Minister kan ten behoeve van het verrichten van een bijzondere activiteit in de lucht welke hetzij als een vervoersvlucht hetzij als een niet-vervoersvlucht is aan te merken doch van commerciële aard is, vergunning worden verleend.

2.

In het geval dat een bedrijf de vergunning, bedoeld in het eerste lid, aanvraagt dient zij een rechtspersoon te zijn, opgericht volgens het Burgerlijk Wetboek BES, waarvan de hoofdzetel is gevestigd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, alwaar zij haar voornaamste plaats van bedrijvigheid heeft en waarvan een overwegend deel der aandelen in handen is van ingezetenen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van Nederlandse nationaliteit en waarvan de daadwerkelijke zeggenschap in en de leiding van de onderneming berusten bij deze ingezetenen.

3.

In de vergunning wordt aangegeven welke werkzaamheden de houder van de vergunning gerechtigd is te verrichten en met welk luchtvaartuig of welke luchtvaartuigen deze activiteit wordt verricht.

4.

De vergunning wordt telkens verleend voor ten hoogste vijf jaar.

5.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

6.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

7.

Door de Minister kan van het vereiste ten aanzien van de nationaliteit zoals bepaald in het tweede lid, worden afgeweken.

8.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

§ 5. Rondvluchten

Afdeling 4. Vervoer gevaarlijke stoffen

Artikel 16
1.

Het is zonder een door de Minister verleende vergunning verboden in een luchtvaartuig ontplofbare stoffen of andere gevaarlijke stoffen, radioactieve stoffen, vuurwapens of oorlogsmateriaal te vervoeren of te doen vervoeren.

2.

Door de Minister worden regels gesteld waaraan bij het vervoer van gevaarlijke stoffen moet worden voldaan.

3.

Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.

4.

Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

5.

Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5

§ 1. Schorsing

Artikel 17
1.

Een vergunning wordt geschorst:

2.

De schorsing wordt opgeheven zodra de redenen van de schorsing zijn komen te vervallen.

§ 2. Intrekking

Artikel 18
1.

De vergunning wordt ingetrokken:

2.

Een besluit tot intrekking van een vergunning of een ontheffing wordt met redenen omkleed aan de vergunninghouder bij aangetekende brief meegedeeld en bekendgemaakt in de Staatscourant.

3.

Het bepaalde in dit artikel is tevens van toepassing op een ontheffing.

§ 3. Verlenging

Artikel 19
1.

Een vergunning kan worden verlengd. Hiertoe dient de vergunninghouder een aanvraag in bij de Minister.

2.

Een vergunning wordt niet verlengd indien:

3.

Voor de publicatie van de verlenging is het bepaalde in artikel 18, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.

4.

Het bepaalde in dit artikel is tevens van toepassing op een ontheffing.

§ 4. Wijziging

Artikel 20
1.

Een vergunning kan worden gewijzigd op verzoek van de houder.

2.

Een vergunning kan ambtshalve worden gewijzigd wanneer:

3.

Het bepaalde in dit artikel is tevens van toepassing op een ontheffing.

§ 5. Stopzetting

Artikel 21
1.

Wanneer naar het oordeel van de Minister de situatie op de luchtvervoersmarkt of delen daarvan zodanig is, dat het verlenen van vergunningen als bedoeld in het Hoofdstuk Vergunningen voor luchtoperaties en het aanpassen van bestaande vergunningen, uit economisch oogpunt onwenselijk is, kan door de Minister een periode worden afgekondigd gedurende welke geen verzoeken terzake in behandeling worden genomen.

2.

De in het eerste lid bedoelde periode kan beperkt worden tot bepaalde soorten van vergunningen.

3.

Van de afkondiging van bedoelde periode wordt mededeling gedaan door middel van de Staatscourant.

Hoofdstuk IV. Luchtverkeer en veiligheid

Artikel 22
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, worden, onder vastlegging van de begrenzing van de gedeelten van het luchtruim die zich bevinden boven het territoir van de openbare lichamen dan wel die delen waarbinnen de Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van de luchtverkeersdienstverlening heeft aanvaard, regels gesteld:

2.

Het bepaalde bij of krachtens afdeling 3A van Hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet is met uitzondering van § 4 van overeenkomstige toepassing op de beveiliging van de burgerluchtvaart, met dien verstande dat in de artikelen 37ab, 37ae, eerste en tweede lid, en 37t de verwijzing naar ‘een EG-verordening voor zover deze betrekking heeft op de beveiliging van de burgerluchtvaart’ buiten beschouwing blijft. Titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

3.

De luchtvaartmaatschappij draagt zorg voor de controle van vracht op de aanwezigheid van gevaarlijke goederen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onderdeel d, van de Luchtvaartwet en is gehouden te voldoen aan door Onze Minister van Justitie of namens deze door de Commandant van de Koninklijke marechaussee gegeven aanwijzingen ter zake. Onze Minister van Justitie kan nadere regels stellen over de controle van vracht.

4.

Bij regeling van Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan ten aanzien van bepaalde luchthavens vrijstelling worden verleend van een of meer van de beveiligingsmaatregelen die bij of krachtens afdeling 3A van Hoofdstuk IV van de Luchtvaartwet zijn vastgesteld. Indien een vrijstelling is verleend, kan Onze Minister van Veiligheid en Justitie met het oog op een adequate beveiliging aanwijzingen geven over vervangende maatregelen.

Artikel 22a
1.

De natuurlijke of rechtspersoon die een luchtvaartuig ter beschikking heeft, dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer, en daarbij gebruik maakt van luchtverkeersdienstverlening is een vergoeding verschuldigd ter dekking van de kosten van de luchtverkeersdienstverlening.

2.

De eigenaar van het luchtvaartuig, bedoeld in het eerste lid, is hoofdelijk aansprakelijk voor de vergoeding tenzij hij op de eerste vordering de natuurlijke persoon of rechtspersoon aanwijst die het luchtvaartuig te zijner beschikking heeft en dit onder zijn verantwoordelijkheid laat deelnemen aan het luchtverkeer.

3.

De hoogte van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door de luchtverkeersdienstverlener onder goedkeuring door de Minister.

4.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van de hoogte, de berekening, de vaststelling, de inning en de bekendmaking van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.

5.

Bij ministeriële regeling kan vrijstelling worden verleend van betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen regels gesteld worden omtrent de raadpleging van vertegenwoordigers van luchtruimgebruikers over het vergoedingenbeleid.

Hoofdstuk V. Verboden operaties Verboden gebieden

Artikel 23
1.

Voor zover bij internationale overeenkomst niet anders is bepaald kan de Minister om redenen van openbare veiligheid of militaire noodzaak de uitoefening van de burgerlijke luchtvaart boven de het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beperken of verbieden.

2.

Beschikkingen houdende een beperking of verbod als bedoeld in het eerste lid, dan wel opheffing van een dergelijke beperking of verbod, worden bekend gemaakt door middel van de Staatscourant.

Artikel 24

Voor zover bij internationale overeenkomst niet anders is bepaald, kan in buitengewone omstandigheden door de Minister de uitoefening van de burgerlijke luchtvaart boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba of een gedeelte daarvan worden beperkt of verboden.

Artikel 25

Het is verboden de luchtvaart uit te oefenen:

Artikel 26
1.

Het is verboden binnen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba:

2.

Het eerste lid geldt niet:

Misleidend kenmerk

Artikel 28
1.

Het is verboden boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba luchtvaartvertoningen of luchtvaartwedstrijden te houden.

2.

Het is verboden boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba deel te nemen aan een vertoning of een wedstrijd als bedoeld in het eerste lid.

3.

Door de Minister kan met inachtneming van regels vast te stellen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, na overleg met het betrokken Bestuurscollege, ontheffing worden verleend van het in het eerste en tweede lid bedoelde verbod.

4.

Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

5.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Hoofdstuk VI

Hoofdstuk VII. Luchtvaartterreinen

Afdeling 1. Aanwijzing van luchtvaartterreinen

Artikel 30
1.

De Minister kan ambtshalve of op verzoek van het betrokken Bestuurscollege luchtvaartterreinen aanwijzen.

2.

De Minister kan te allen tijde na overleg met het betrokken Bestuurscollege een aanwijzing bij een met redenen omklede beschikking wijzigen.

3.

De Minister neemt daarbij in acht de bij of krachtens eilandsverordening gestelde regels met betrekking tot de aanwijzing van de luchtvaartterreinen in het betrokken onderdeel van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

4.

Onder een wijziging van een aanwijzing in de zin van deze wet wordt verstaan:

5.

De Minister kan een verzoek tot aanwijzing of wijziging van een aanwijzing na overleg met het betrokken Bestuurscollege om redenen ontleend aan het algemeen belang afwijzen.

6.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt onder een aanwijzing mede verstaan een wijziging van een aanwijzing.

Artikel 31
1.

De bestemming van het luchtvaartterrein kan bij de aanwijzing worden beperkt tot het gebruik door:

2.

Bij de aanwijzing kunnen door de Minister voorwaarden en voorschriften worden gesteld. Deze kunnen beperkingen inhouden ten aanzien van het gebruik van het luchtvaartterrein.

3.

Het verzoek tot aanwijzing en de beschikking betreffende een aanwijzing worden bekend gemaakt door middel van de Staatscourant.

Artikel 32

De eilandsraden zijn gehouden, binnen een jaar te rekenen vanaf de dag waarop de aanwijzing van het Luchtvaartterrein is geschied, het als luchtvaartterrein aangewezen terrein met een dienovereenkomstige bestemming op te nemen in het ontwikkelingsplan.

Artikel 33
1.

Bij de aanwijzing van het luchtvaartterrein wordt een geluidszone rond het luchtvaartterrein vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting door landende en opstijgende luchtvaartuigen een vastgestelde grenswaarde niet mag overschrijden, tenzij in de aanwijzing van het luchtvaartterrein het gebruik door van een voortstuwingsinstallatie voorziene luchtvaartuigen wordt uitgesloten.

2.

Na overleg met het betrokken Bestuurscollege, wordt met inachtneming van de internationale voorschriften, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgesteld:

3.

De Minister stelt na overleg met het betrokken Bestuurscollege regels vast omtrent de wijze van meten, berekenen en registreren van de geluidsbelasting binnen en buiten de geluidszone.

4.

Door de Minister worden personen aangewezen belast met het toezicht op de naleving van de regels welke krachtens deze wet zijn vastgesteld om een overschrijding van de grenswaarde van de toegelaten geluidsbelasting binnen en buiten de geluidszone te voorkomen.

5.

Alle gegevens, welke ingevolge het derde lid zijn verzameld met betrekking tot de geluidsbelasting, zijn openbaar, tenzij het belang van de veiligheid van het land zich daartegen verzet.

Artikel 34
1.

Bij de vaststelling van de geluidszone houdt de Minister rekening met de ontwikkelingsplannen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet Ruimtelijke Ontwikkelingsplannen BES.

2.

De Minister kan daarbij aan de eilandsraden aanwijzingen geven met betrekking tot de door de betrokken eilandsraad in een ontwikkelingsplan op te nemen bestemmingsvoorschriften als bedoeld in artikel 9 van de de Wet Ruimtelijke Ontwikkelingsplannen BES, zulks met het oog op de eventuele beëindiging van het gebruik of de bewoning van daarin begrepen bestaande bebouwing, dan wel in voorkomend geval de afbraak daarvan.

3.

De kosten, die het gevolg zijn van de uitvoering van de aanwijzingen en voorschriften, bedoeld in het eerste lid, komen ten laste van het betrokken onderdeel van het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Artikel 35
1.

De Minister kan na overleg met het betrokken Bestuurscollege een aanwijzing intrekken:

Artikel 36
1.

De Minister geeft kennis van het voornemen tot intrekking van een aanwijzing door publicatie in de Staatscourant en in een of meer door hem aan te wijzen nieuwsbladen. In het geval, bedoeld in het eerste lid, onder a, geschiedt zulks binnen drie weken na ontvangst van het verzoek.

2.

De intrekking gebeurt niet eerder dan zes weken, doch uiterlijk binnen zes maanden na de dag van publicatie.

3.

In het geval, bedoeld in het eerste lid, onderdelen c en d, kan de intrekking van de aanwijzing onmiddellijk geschieden.

Afdeling 2. Gebruik van luchtvaartterreinen

Artikel 37
1.

Het is verboden:

2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet:

Artikel 38

De exploitant van een voor het openbaar luchtverkeer aangewezen luchtvaartterrein is, met inachtneming van de bij of krachtens deze wet gestelde bepalingen, verplicht dit luchtverkeer op het luchtvaartterrein toe te laten.

Artikel 39
1.

Het is de exploitant van een luchtvaartterrein verboden een luchtvaartterrein te gebruiken of te doen of te laten gebruiken:

2.

Het eerste lid geldt niet, indien en voor zover door de Minister ontheffing is verleend.

Artikel 40
1.

Het is de gezagvoerder van een luchtvaartuig verboden een luchtvaartterrein te gebruiken of te doen gebruiken:

2.

Het eerste lid geldt niet, indien en voor zover door de Minister ontheffing is verleend.

Artikel 41
1.

Door de Minister kan, in verband met de gesteldheid van het luchtvaartterrein of om andere redenen de veiligheid van de luchtvaart betreffende dan wel op grond van de omstandigheid, dat de bij de aanwijzing gestelde voorschriften en beperkingen niet worden nageleefd, een luchtvaartterrein gesloten worden verklaard.

2.

De sluiting kan, met inachtneming van hetgeen daaromtrent bij internationale overeenkomst is bepaald worden beperkt tot:

Artikel 42

Indien de exploitant van een luchtvaartterrein tarieven en voorwaarden vaststelt voor het gebruik van het luchtvaartterrein zijn deze non-discriminatoir.

Afdeling 3. Verbod van belemmeringen op terreinen rondom luchtvaartterreinen

Artikel 43
1.

De Minister stelt regels voor de rond een luchtvaartterrein gelegen terreinen ten aanzien van het hebben van roerende zaken, het oprichten of het hebben van bouwwerken en andere opstallen dan wel het planten of hebben van gewassen op die terreinen, in overeenstemming met wat bij of krachtens internationale overeenkomst is bepaald.

2.

Het is verboden roerende zaken te hebben, bouwwerken of andere opstallen op te richten of te hebben dan wel gewassen te planten of te hebben in strijd met de krachtens het eerste lid gestelde regels.

Hoofdstuk VIII. Bijzondere omstandigheden

Artikel 44

In bijzondere omstandigheden in geval van ernstige verstoring van de binnenlandse openbare orde of veiligheid is artikel 9.1 van de Wet luchtvaart van overeenkomstige toepassing op het geven van aanwijzingen met betrekking tot het verzorgen van luchtverkeersdiensten.

Artikel 45 t/m 49

[vervallen]

Hoofdstuk IX

Afdeling 1. Strafbepalingen

Artikel 50
1.

Handelen in strijd met de voorschriften, gesteld bij of krachtens deze wet in de artikelen 2, 3, 8, eerste lid, 9, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 16, eerste lid, 22, 25, 26, eerste lid, 28, eerste en tweede lid, 37, 38, 39, 40 of 43, tweede lid, wordt, voor zover opzettelijk begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van ten hoogste de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

2.

De eigenaar of houder van een luchtvaartuig, die in strijd met een van de artikelen 2, 3, 8, eerste lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, of 16, eerste lid, de luchtvaart doet of laat uitoefenen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste de vierde categorie, hetzij met beide straffen.

3.

Met dezelfde straf wordt gestraft de gezagvoerder, die één van de artikelen 2, 3, 25, onderdelen a en b of 28, eerste en tweede lid, overtreedt.

4.

Op overtreding van een voorschrift, gegeven bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ingevolge deze wet, wordt bij die algemene maatregel van bestuur geen andere of hogere hoofdstraf gesteld, dan hetzij hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste de vierde categorie, hetzij met beide straffen.

5.

De eigenaar of houder van een luchtvaartuig, die in strijd met een van de artikelen 2, 3, 8, eerste lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14 eerste lid, en 16, eerste lid, de luchtvaart doet of laat uitoefenen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste de vierde categorie, hetzij met beide straffen.

Artikel 51

Overtreding van de artikelen 24 of 53 wordt, voor zover opzettelijk begaan, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van ten hoogste de zesde categorie, hetzij met beide straffen. Voor zover dat niet opzettelijk is begaan wordt de overtreding gestraft met een gevangenisstraf van vier jaren en een geldboete van ten hoogste de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

Artikel 57
1.

De feiten strafbaar gesteld bij artikel 50, tweede en vijfde lid, zijn overtredingen.

2.

De feiten strafbaar gesteld bij de artikelen 50, eerste lid, en 51 zijn misdrijven.

Artikel 58
1.

Een ieder die betrokken is bij de uitvoering van deze wet en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijk karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing ten aanzien van de strafbare feiten omschreven in de artikelen 198 en 200 van het Wetboek van Strafrecht BES.

De Minister kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid vervatte verbod.

3.

Degene die opzettelijk de hem ingevolge het eerste lid opgelegde geheimhoudingsplicht schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie, met of zonder ontzetting van het recht bepaalde ambten te bekleden.

4.

Degene aan wiens schuld schending van de geheimhouding te wijten is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste één jaar of een geldboete van ten hoogste de vierde categorie.

6.

Vervolging inzake schending van de geheimhouding wordt slechts ingesteld op klacht van hem, te wiens aanzien de geheimhouding is geschonden.

7.

Het feit, strafbaar gesteld bij het vierde lid, wordt beschouwd als misdrijf. Het feit, strafbaar gesteld bij het vijfde lid, wordt beschouwd als overtreding.

Artikel 59
1.

Bij overtreding van de artikelen 2, 3, 25, 26, eerste lid, en 28 kan het luchtvaartuig door de personen, bedoeld in artikel 62, tweede lid, worden aangehouden en in beslag genomen.

2.

Indien na een aanhouding en inbeslagneming op grond van een overtreding van de artikelen 25, 26, eerste lid, en 28 de gestelde boete door de bekeurde binnen een door de Minister te bepalen termijn is voldaan, kan de afgifte van het luchtvaartuig aan de rechthebbende overeenkomstig het gestelde in het tweede lid geschieden.

Artikel 61

Indien tijdens het plegen van een misdrijf nog geen jaar is verlopen, sedert een vroegere veroordeling wegens een gelijke overtreding onherroepelijk is geworden of indien niet vrijwillig is voldaan aan de voorwaarden door de bevoegde ambtenaar van het Openbaar Ministerie krachtens artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gesteld, kan de schuldige gestraft worden met een hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete van ten hoogste de vierde categorie.

Artikel 61a
1.

Met het opsporen van de bij deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES bedoelde personen, belast de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen ambtenaren en personen.

2.

Bij het opsporen van een bij deze wet strafbaar gesteld feit hebben de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personen toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zij zijn bevoegd zich door bepaalde door hen aangewezen personen te laten vergezellen. Voor het betreden van woningen is artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering BES onverkort van toepassing.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren en personen dienen te voldoen.

Afdeling 2. Niet-strafrechtelijke maatregelen

Artikel 62
1.

Bij ministeriële regeling kunnen ambtenaren worden aangewezen, die bevoegd zijn desnoods bijgestaan door personeel van de politie en op kosten van de overtreders, weg te nemen, te doen wegnemen, te beletten, te doen beletten, te verrichten, te doen verrichten, in de vorige toestand te herstellen of te doen herstellen, hetgeen in strijd met het bij of krachtens deze wet bepaalde is of wordt gemaakt of gesteld, ondernomen of nagelaten. Dit geschiedt niet, dan nadat de overtreder schriftelijk is gewaarschuwd en hem op zijn wens inzage van de lastgeving is verstrekt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen personen worden aangewezen, die bevoegd zijn de opstijging van luchtvaartuigen te verbieden en te beletten.

3.

In de in artikel 65 bedoelde gebouwen en inrichtingen, fabrieken, werkplaatsen en aanhorigheden daarvan, welke tevens woningen zijn, of alleen door een woning toegankelijk zijn, treden de in het eerste lid bedoelde ambtenaren tegen de wil van de bewoner niet binnen, dan op vertoon van een schriftelijke bijzondere machtiging van de officier van justitie of een hulpofficier van justitie, dan wel in tegenwoordigheid van een van dezen.

4.

Van dit binnentreden wordt proces-verbaal opgemaakt, waarvan binnen tweemaal vier en twintig uur aan degene, in wiens woning is binnengetreden, een afschrift wordt uitgereikt.

Afdeling 2. Niet-strafrechtelijke maatregelen

Artikel 64
1.

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen personen.

2.

De krachtens het eerste lid aangewezen personen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd;

3.

Zo nodig wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, verschaft met behulp van de sterke arm.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de krachtens het eerste lid aangewezen personen.

5.

Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen personen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Artikel 65

Bij ministeriële regeling kunnen personen worden aangewezen, die bevoegd zijn de voor het burgerlijk luchtverkeer aangewezen luchtvaartterreinen en de zich daarop bevindende luchtvaartuigen, gebouwen en inrichtingen, alsmede fabrieken, werkplaatsen en aanhorigheden daarvan die naar redelijkerwijze kan worden vermoed, bestemd zijn voor de vervaardiging, het onderhoud of het herstel van luchtvaartuigen of onderdelen daarvan, binnen te treden, teneinde zich te overtuigen of de wettelijke bepalingen ter zake worden nageleefd;

Hoofdstuk X. Nadere voorschriften en Wijzigingen

Artikel 66
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven:

2.

Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur de vergoedingen worden geregeld, verschuldigd voor:

Hoofdstuk X. Nadere voorschriften en Wijzigingen

Artikel 68
1.

Het Koninklijk Besluit van 4 juli 1935 (P.B. 1935 (P.B. 1935 no. 96), het «Curacaosch Luchtvaartbesluit 1935», zoals gewijzigd, alsmede de uitvoeringsregelingen hiervan vervallen, met dien verstande dat, zolang zij niet vervangen worden door regelgeving krachtens deze wet, van kracht blijven:

2.

De ingevolge het Curacaosch Luchtvaartbesluit 1935 afgegeven bewijzen van inschrijving, van luchtwaardigheid, van bevoegdheid en van gelijkstelling blijven, voor zover zij hun geldigheid krachtens de bepalingen van dat besluit niet hebben verloren, hun geldigheid behouden totdat, bij algemene maatregel van bestuur een nadere regeling te dien aanzien zal zijn getroffen.

3.

De aanwijzing van luchtvaartterreinen blijft met de oude rechtsgevolgen nog drie jaren na de inwerkingtreding van deze wet van kracht, tenzij de Minister de aanwijzing op een vroeger tijdstip intrekt. Indien de intrekking geschiedt onder gelijktijdige aanwijzing ingevolge deze wet, kan artikel 30 derde lid, geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden gelaten, voor zover de nieuwe aanwijzing betrekking heeft op terreinen, die reeds waren aangewezen.

4.

Het voorgaande lid vindt overeenkomstige toepassing op beslissingen betreffende belemmerende werken en handelingen ingevolge het in het eerste lid bedoelde besluit genomen.

5.

De ingevolge het Reglement Luchtvaartexamens (PB 1995 no. 109) afgelegde examens blijven, voor zover zij hun geldigheid krachtens de bepalingen van dat reglement niet hebben verloren, hun geldigheid behouden totdat bij Ministeriële regeling een nadere regeling te dien aanzien zal zijn getroffen.

6.

Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet worden de alsdan van kracht zijnde vergunningen door de bevoegde autoriteiten opnieuw vastgesteld met inachtneming van de artikelen 8 tot en met 16 van deze wet.

Artikel 69
1.

Op verzoek wordt een bewijs van inschrijving, luchtwaardigheid, bevoegdheid of gelijkstelling, of een ontheffing afgegeven bij of krachtens hoofdstuk II van de Luchtvaartlandsverordening, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES, en die haar geldigheid niet verloren heeft voor een periode van vijf jaren vanaf de datum van inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES gelijkgesteld met een bewijs van inschrijving, luchtwaardigheid, bevoegdheid of gelijksteling, of een ontheffing afgegeven bij of krachtens hoofdstuk 2 of 3 van de Wet luchtvaart.

2.

Op verzoek wordt een vergunning of ontheffing afgegeven bij of krachtens hoofdstuk III, afdeling 2 en afdeling 3, paragraaf 5, van de Luchtvaartlandsverordening, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES, en die haar geldigheid niet heeft verloren voor een periode van vijf jaren vanaf de datum van inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES gelijkgesteld met een vergunning afgegeven bij of krachtens hoofdstuk 4 van de Wet luchtvaart.

3.

Andere dan de in het eerste of tweede lid genoemde bij of krachtens de Luchtvaartlandsverordening, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES, afgegeven beschikkingen die hun geldigheid niet hebben verloren behouden vanaf de inwerkingtreding van de Aanpassingwet BES gedurende 5 jaren hun geldigheid voor zover gedurende die periode aan het bij of krachtens de Luchtvaartlandsverordening, zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Aanpassingswet BES, is voldaan.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud en de procedure voor de afgifte van een gelijkstelling.

Artikel 71

Deze wet wordt aangehaald als: Luchtvaartwet BES.

Artikel 52
1.

Bij veroordeling wegens overtreding van de artikelen 8, eerste lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, en 16, eerste lid, kan de schuldige de bevoegdheid om een luchtvaartuig te bedienen voor ten hoogste drie jaren worden ontzegd.

2.

Bij toepassing van het bepaalde in het eerste lid verliest een aan de veroordeelde afgegeven bewijs van bevoegdheid of van gelijkstelling zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak, voor wat betreft deze bijkomende straf, voor ten uitvoerlegging vatbaar is geworden.

3.

Door de Minister kan, met schriftelijke opgave van redenen aan de betrokkene, een bewijs van bevoegdheid worden ingetrokken, indien de houder daarvan zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, bij veroordeling wegens hetwelk hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid daarvan kan worden ontzegd. De intrekking vervalt, zodra de rechterlijke uitspraak, bedoeld in het tweede lid, voor ten uitvoerlegging vatbaar is geworden.

4.

Indien tijdens de overtreding van de in het eerste lid genoemde artikelen nog geen vijf jaren zijn verlopen, sedert een vroegere veroordeling, kan de schuldige van de uitoefening van de bevoegdheid om een luchtvaartuig te bedienen worden ontzet.

Artikel 53

Het is degene, die weet of redelijkerwijze moet vermoeden, dat hem bij rechterlijke uitspraak de bevoegdheid een luchtvaartuig te bedienen is ontzegd, verboden gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid ontzegd is, een luchtvaartuig te bedienen.

Afdeling 3. Toezicht

Hoofdstuk XI. Overgangs- en Slotbepalingen