Mijnbesluit BES
Titel I. Algemeene bepalingen.
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken.
Artikel 1a
Waar in dit besluit zonder nadere aanduiding artikelen worden genoemd, worden artikelen van dit besluit zelf bedoeld.
Artikel 1b
Dit besluit berust op artikel 1a, zesde lid, van de Mijnwet BES.
Artikel 2
In dit besluit wordt onder opsporing verstaan opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardsche mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze.
Dit besluit kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte.
Artikel 3
In dit besluit wordt verstaan:
- a. onder rechthebbende op den grond degene, die een zakelijk recht daarop heeft;
- b. onder derde belanghebbende degene, wiens uit een persoonlijk recht voortvloeiend belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad.
Artikel 4
Onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in dit besluit in het bijzonder is bepaald, gelden de aan opspoorders toegekende rechten en opgelegde verplichtingen, ook die nopens de wijze van uitoefening van hun bedrijf mede voor ontdekkers die ingevolge art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten.
Artikel 5
Waar in dit besluit gesproken wordt van «door Onze Minister» wordt daarmede ook bedoeld «vanwege Onze Minister».
Titel II. Voorschriften tot uitvoering van art.1a, derde en zesde lid der Mijnwet BES.
Hoofdstuk I. Over de vereischten waaraan aanvragers en houders van vergunning tot opsporing moeten voldoen.
Artikel 6
Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel moet elk schriftelijk verzoek om vergunning tot het doen van opsporingen vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de aanvrager voldoet aan de in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
Zoolang door een aanvrager de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met eene mededeeling bij welke verzoek die bescheiden zijn gevoegd.
Artikel 7
De aanvrager van eene vergunning tot opsporing moet domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het onderzoeksterrein is gelegen, in het schriftelijk verzoek om vergunning.
Bij het kiezen van domicilie moet uitdrukkelijk worden verklaard dat dit geschiedt voor den duur der vergunning en voor al wat daarop betrekking heeft.
Het door den aanvrager gekozen domicilie gaat bij overdracht en bij overlijden van den wettige houder eener vergunning over op den verkrijger der vergunning.
Artikel 8
Vertegenwoordigers als bedoeld in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – moeten bij authentieke akte zijn aangesteld.
Artikel 9
Ingeval van overlijden van den wettigen houder eener vergunning zijn diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.
Artikel 10
Bij overlijden van den wettigen houder eener vergunning moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtsverkrijgenden, als er twee of meer zijn, binnen een bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.
Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder eener vergunning zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.
Artikel 11
Wanneer rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener vergunning, die niet voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, ingevolge het derde lid van dat artikel hunne uit de vergunning voorvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen, moet bij het verzoek om toestemming tot die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overlegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.
Met betrekking tot overdrachten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gelden overigens de artt.54–59.
Artikel 12
Het verzoek om toestemming tot elke andere overdracht van eene vergunning dan bedoeld in art.11 moet eveneens, behalve van de overige gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.
Artikel 13
Van elke verandering in het bestuur – commissarissen daaronder begrepen – van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders zijn van vergunningen of welke andere naamlooze vennootschappen, houders van vergunningen, besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan Onze Minister.
In de kennisgeving moet worden opgegeven:
- a. de nationaliteit van den nieuwe bestuurder of commissaris;
- b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- c. waar hij woonachtig is.
Onze Minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bescheiden worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen, éénmaal worden verlengd.
Het bovenstaande geldt eveneens voor verandering in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van vergunningen of die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van vergunningen zijn.
Artikel 14
Van elk optreden van een nieuwen vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van art.5 der Mijnwet BES, moet binnen één maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door den houder der vergunning worden kennis gegeven aan Onze Minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld.
Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor de tijdelijk vervangende en waarnemende vertegenwoordigers.
Artikel 15
Bij de behandeling van een verzoek om vergunning en een verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning, overeenkomstig de artt. 33 en 34, wordt indien overigens tegen het verzoek geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
In het geval genoemd in art.9 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden vergunninghouder voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij art. 34.
Artikel 16
In elk geval dat een persoon of een vennootschap, welke in verband met het verkrijgen van eene vergunning tot opsporing aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten moet voldoen, naar het oordeel van Onze Minister daaraan niet voldoet, wordt dit aan den belanghebbende of de belanghebbenden bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt geteekend.
Bij die beschikking wordt tegelijkertijd het verzoek om vergunning of het verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning afgewezen, dan wel aangeteekend dat de uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder zijn overgegaan, omdat zij niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.
Artikel 17
In elk geval dat de houder eener vergunning naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen, wordt dit aan den belanghebbende te kennen gegeven bij eene met redenen omkleede beschikking welke ten spoedigste aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt medegedeeld.
Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.
Hoofdstuk II. Over de vereischten waaraan de houders van het recht op concessie en van concessiën tot ontginning moeten voldoen
Artikel 18
Behoudens het bepaalde bij het derde lid van dit artikel moet het verzoekschrift waarbij aanspraken op eene concessie worden geldend gemaakt, behalve van de overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verzoeker voldoet aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.
Bij het kiezen van domicilie in het verzoekschrift, moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat dit geschiedt voor den duur der concessie en voor al wat daarop betrekking heeft. Het gekozen domicilie gaat bij overdracht van het recht op concessie, dan wel van de concessie en bij overlijden van den wettigen houder van het recht op concessie dan wel van de concessie over op den verkrijger.
Zoolang door een aanvrager de bescheiden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met de overlegging van afschriften dier bescheiden onder mededeeling bij welk verzoek de origineele stukken zijn gevoegd.
Artikel 19
In geval van overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie zijn diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.
Wanneer rechtverkrijgenden van een overledenen wettigen houder van het recht op eene concessie, die niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, hun recht wenschen over te dragen, moeten bij het verzoek tot goedkeuring van die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overgelegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet. Het verzoek tot goedkeuring van deze overdracht moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.
Artikel 20
Het bepaalde bij art.19 geldt eveneens in geval van overlijden van den wettigen houder van eene concessie voor diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, zoomede voor rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener concessie, die niet voldoen aan de gestelde vereischten en hunne uit de concessie voortvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen.
Artikel 21
Afgescheiden van het bepaalde bij de artt. 19 en 20 is bij elke andere overdracht van het recht op concessie of van eene concessie de verkrijger verplicht Onze Minister door bescheiden aan te toonen, dat hij voldoet aan de art.5 van de Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.
Artikel 22
Het bepaalde bij art.8 geldt eveneens voor de aanstelling van vertegenwoordigers – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – van niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde houders van het recht op concessie en van concessiën.
Artikel 23
Bij overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie of van eene concessie moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende, als er twee of meer zijn, binnen een voor elk geval door Onze Minister te stellen bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.