Mijnbesluit BES

Type Amvb Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
artikelen 279
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Titel I. Algemeene bepalingen.

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder «Onze Minister»: Onze Minister van Economische Zaken.

Artikel 1a

Waar in dit besluit zonder nadere aanduiding artikelen worden genoemd, worden artikelen van dit besluit zelf bedoeld.

Artikel 1b

Dit besluit berust op artikel 1a, zesde lid, van de Mijnwet BES.

Artikel 2

In dit besluit wordt onder opsporing verstaan opzettelijk ingesteld onderzoek naar de in artikel 1a van de Mijnwet BES genoemde delfstoffen met het oogmerk om recht tot mijnontginning te verwerven; en onder ontginning of mijnontginning de opzettelijke winning van deze delfstoffen, onverschillig of die winning geschiedt door onderaardsche mijnwerken, open groeven, grondboringen of op andere wijze.

Dit besluit kent aan de uitdrukking onderzoekingsveld, concessieveld en mijnveld het begrip van ruimte toe, en aan de uitdrukkingen onderzoekingsterrein, vergunningsterrein, opsporingsterrein, concessieterrein en ontginningsterrein dat van oppervlakte.

Artikel 3

In dit besluit wordt verstaan:

  • a. onder rechthebbende op den grond degene, die een zakelijk recht daarop heeft;
  • b. onder derde belanghebbende degene, wiens uit een persoonlijk recht voortvloeiend belangen door een opsporing of ontginning kunnen worden geschaad.

Artikel 4

Onverminderd hetgeen overigens dienaangaande in dit besluit in het bijzonder is bepaald, gelden de aan opspoorders toegekende rechten en opgelegde verplichtingen, ook die nopens de wijze van uitoefening van hun bedrijf mede voor ontdekkers die ingevolge art. 88 hunne werkzaamheden voortzetten.

Artikel 5

Waar in dit besluit gesproken wordt van «door Onze Minister» wordt daarmede ook bedoeld «vanwege Onze Minister».

Titel II. Voorschriften tot uitvoering van art.1a, derde en zesde lid der Mijnwet BES.

Hoofdstuk I. Over de vereischten waaraan aanvragers en houders van vergunning tot opsporing moeten voldoen.

Artikel 6

1.

Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel moet elk schriftelijk verzoek om vergunning tot het doen van opsporingen vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de aanvrager voldoet aan de in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

2.

Zoolang door een aanvrager de bescheiden, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met eene mededeeling bij welke verzoek die bescheiden zijn gevoegd.

Artikel 7

1.

De aanvrager van eene vergunning tot opsporing moet domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het onderzoeksterrein is gelegen, in het schriftelijk verzoek om vergunning.

2.

Bij het kiezen van domicilie moet uitdrukkelijk worden verklaard dat dit geschiedt voor den duur der vergunning en voor al wat daarop betrekking heeft.

3.

Het door den aanvrager gekozen domicilie gaat bij overdracht en bij overlijden van den wettige houder eener vergunning over op den verkrijger der vergunning.

Artikel 8

Vertegenwoordigers als bedoeld in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – moeten bij authentieke akte zijn aangesteld.

Artikel 9

Ingeval van overlijden van den wettigen houder eener vergunning zijn diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.

Artikel 10

1.

Bij overlijden van den wettigen houder eener vergunning moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtsverkrijgenden, als er twee of meer zijn, binnen een bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.

2.

Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder eener vergunning zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.

Artikel 11

1.

Wanneer rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener vergunning, die niet voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, ingevolge het derde lid van dat artikel hunne uit de vergunning voorvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen, moet bij het verzoek om toestemming tot die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overlegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.

2.

Met betrekking tot overdrachten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel gelden overigens de artt.54–59.

Artikel 12

Het verzoek om toestemming tot elke andere overdracht van eene vergunning dan bedoeld in art.11 moet eveneens, behalve van de overige gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het tweede lid van art.6 is ten deze toepasselijk.

Artikel 13

1.

Van elke verandering in het bestuur – commissarissen daaronder begrepen – van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders zijn van vergunningen of welke andere naamlooze vennootschappen, houders van vergunningen, besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan Onze Minister.

2.

In de kennisgeving moet worden opgegeven:

  • a. de nationaliteit van den nieuwe bestuurder of commissaris;
  • b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • c. waar hij woonachtig is.
3.

Onze Minister is bevoegd om te allen tijde te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bescheiden worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen, éénmaal worden verlengd.

4.

Het bovenstaande geldt eveneens voor verandering in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van vergunningen of die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van vergunningen zijn.

Artikel 14

1.

Van elk optreden van een nieuwen vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van art.5 der Mijnwet BES, moet binnen één maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door den houder der vergunning worden kennis gegeven aan Onze Minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld.

2.

Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor de tijdelijk vervangende en waarnemende vertegenwoordigers.

Artikel 15

1.

Bij de behandeling van een verzoek om vergunning en een verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning, overeenkomstig de artt. 33 en 34, wordt indien overigens tegen het verzoek geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

2.

In het geval genoemd in art.9 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden vergunninghouder voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

3.

In de gevallen genoemd in de artt.13 en 14 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder der vergunning nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

4.

Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij art. 34.

Artikel 16

1.

In elk geval dat een persoon of een vennootschap, welke in verband met het verkrijgen van eene vergunning tot opsporing aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten moet voldoen, naar het oordeel van Onze Minister daaraan niet voldoet, wordt dit aan den belanghebbende of de belanghebbenden bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt geteekend.

2.

Bij die beschikking wordt tegelijkertijd het verzoek om vergunning of het verzoek om toestemming tot overdracht eener vergunning afgewezen, dan wel aangeteekend dat de uit de vergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen niet op de rechtverkrijgenden van den overleden wettigen houder zijn overgegaan, omdat zij niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

3.

Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 17

1.

In elk geval dat de houder eener vergunning naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten te voldoen, wordt dit aan den belanghebbende te kennen gegeven bij eene met redenen omkleede beschikking welke ten spoedigste aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte wordt medegedeeld.

2.

Van die beschikking en het exploit van beteekening worden uittreksels in de Staatscourant bekend gemaakt.

Hoofdstuk II. Over de vereischten waaraan de houders van het recht op concessie en van concessiën tot ontginning moeten voldoen

Artikel 18

1.

Behoudens het bepaalde bij het derde lid van dit artikel moet het verzoekschrift waarbij aanspraken op eene concessie worden geldend gemaakt, behalve van de overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van bescheiden, aantoonende dat de verzoeker voldoet aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

2.

Bij het kiezen van domicilie in het verzoekschrift, moet uitdrukkelijk worden verklaard, dat dit geschiedt voor den duur der concessie en voor al wat daarop betrekking heeft. Het gekozen domicilie gaat bij overdracht van het recht op concessie, dan wel van de concessie en bij overlijden van den wettigen houder van het recht op concessie dan wel van de concessie over op den verkrijger.

3.

Zoolang door een aanvrager de bescheiden, genoemd in het eerste lid van dit artikel, nog niet zijn terugontvangen, kan door hem bij de indiening van andere verzoeken worden volstaan met de overlegging van afschriften dier bescheiden onder mededeeling bij welk verzoek de origineele stukken zijn gevoegd.

Artikel 19

1.

In geval van overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie zijn diens rechtverkrijgenden, voor zover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis, voldoen aan de in art. 5 der Mijnwet BES gestelde vereischten verplicht zulks door bescheiden aan te toonen en tevens het bewijs van bedoeld overlijden tijdig aan Onze Minister in te dienen.

2.

Wanneer rechtverkrijgenden van een overledenen wettigen houder van het recht op eene concessie, die niet voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, hun recht wenschen over te dragen, moeten bij het verzoek tot goedkeuring van die overdracht, behalve de overigens gevorderde stukken ook worden overgelegd het bewijs van overlijden van den wettigen houder en tevens door bescheiden worden aangetoond, dat de verkrijger aan de gestelde vereischten voldoet. Het verzoek tot goedkeuring van deze overdracht moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan. Het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.

Artikel 20

Het bepaalde bij art.19 geldt eveneens in geval van overlijden van den wettigen houder van eene concessie voor diens rechtverkrijgenden, voor zoover zij reeds dadelijk dan wel binnen den tijd van één jaar na het openvallen der erfenis voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten, zoomede voor rechtverkrijgenden van een overleden wettigen houder eener concessie, die niet voldoen aan de gestelde vereischten en hunne uit de concessie voortvloeiende rechten en verplichtingen wenschen over te dragen.

Artikel 21

Afgescheiden van het bepaalde bij de artt. 19 en 20 is bij elke andere overdracht van het recht op concessie of van eene concessie de verkrijger verplicht Onze Minister door bescheiden aan te toonen, dat hij voldoet aan de art.5 van de Mijnwet BES gestelde vereischten; het bepaalde bij het derde lid van art.18 is ten deze toepasselijk.

Artikel 22

Het bepaalde bij art.8 geldt eveneens voor de aanstelling van vertegenwoordigers – ook tijdelijk vervangende en waarnemende – van niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde houders van het recht op concessie en van concessiën.

Artikel 23

1.

Bij overlijden van den wettigen houder van het recht op eene concessie of van eene concessie moeten zijne in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgende, als er twee of meer zijn, binnen een voor elk geval door Onze Minister te stellen bekwamen termijn bij authentieke akte een gemeenschappelijken vertegenwoordiger aanstellen.

2.

Wanneer er een of meer niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op eene concessie of van eene concessie zijn, die verplicht zijn in voldoening aan art.5 der Mijnwet BES een vertegenwoordiger aan te stellen, moet, als er tevens een of meer in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigde rechtverkrijgenden zijn, diezelfde vertegenwoordiger ook door deze rechtverkrijgenden tot hun vertegenwoordiger worden aangesteld; in dit geval moet de aanstelling in verband met het bepaalde bij het derde lid van art.5 der Mijnwet BES geschieden binnen de tijd van één jaar na het openvallen der erfenis.

Artikel 24

1.

Van elke verandering in het bestuur – commissarissen daaronder begrepen – van naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders zijn van het recht op concessie of van concessies of welke andere naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen, houders van het recht op concessie of van concessiën besturen, moet door dat bestuur, binnen één maand nadat de verandering heeft plaats gehad, worden kennis gegeven aan Onze Minister.

2.

In de kennisgeving moet worden opgegeven:

  • a. de nationaliteit van den nieuwen bestuurder of commissaris;
  • b. of hij ingezetene is van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
  • c. waar hij woonachtig is.
3.

Onze Minister is bevoegd om te alle tijden te vorderen, dat binnen een voor elk geval door hem te stellen termijn, bewijzen worden overgelegd, aantoonende de juistheid van de bij het tweede lid van dit artikel voorgeschreven opgaven. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal worden verlengd.

4.

Het bovenstaande geldt eveneens voor veranderingen in het beheer van vennootschappen onder eene firma of bij wijze van geldschieting, die houders zijn van het recht op concessie of van concessiën dan wel die bestuurders zijn van naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen welke houders van het recht op concessie of van concessiën zijn.

Artikel 25

1.

Van elk optreden van een nieuwen vertegenwoordiger, als bedoeld in het eerste lid van art. 5 der Mijnwet BES, moet binnen ééne maand nadat dit optreden heeft plaats gehad, door den houder van het recht op concessie of van eene of meer concessiën, worden kennis gegeven aan Onze Minister, onder overlegging van de authentieke akte of van een volledig afschrift daarvan, waarbij de nieuwe vertegenwoordiger is aangesteld.

2.

Het bepaalde bij het eerste lid van dit artikel geldt eveneens voor tijdelijk vervangende of waarnemende vertegenwoordigers.

Artikel 26

1.

Bij de behandeling van een aanvrage om concessie en van een verzoek om goedkeuring tot overdracht van het recht op concessie of van eene concessie wordt, indien overigens tegen het verleenen van de concessie of de goedkeuring, voor zoover die wordt vereischt, geen bezwaren bestaan, nagegaan of de aanvrager dan wel de verkrijger voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

2.

In de gevallen genoemd in de artt.19 en 20 wordt nagegaan of de rechtverkrijgenden van een overleden houder van het recht op concessie dan wel van eene concessie voldoen aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

3.

In de gevallen genoemd in artt. 24 en 25 wordt nagegaan of in verband met het optreden van een nieuwen bestuurder of commissaris, een nieuwen beheerenden vennoot dan wel een nieuwen vertegenwoordiger, de houder van het recht op concessie of van eene concessie nog voldoet aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten.

4.

Overigens wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij de artt. 78 en 79 of de artt.80 tot en met 85.

5.

In de gevallen, bedoeld in het tweede en derde lid van dit artikel, wordt aan belanghebbenden, indien zij naar het oordeel van Onze Minister aan de gestelde vereischten voldoen, daarvan mededeeling gedaan.

Artikel 27

1.

In elk geval dat een persoon of een vennootschap, welke in verband met het verkrijgen van het recht op concessie of van eene concessie aan de in art.5 der Mijnwet BES gestelde vereischten moet voldoen, naar het oordeel van Onze Minister daaraan niet voldoet, zoomede in elk geval dat de houder van het recht op eene concessie of van eene concessie naar het oordeel van Onze Minister heeft opgehouden aan die gestelde vereischten te voldoen, wordt dit aan den belanghebbende te kennen gegeven bij met redenen omkleede beschikking.

2.

Deze beschikking wordt van wege Onze Minister aan den belanghebbende bij eene, bij deurwaardersexploit beteekende akte medegedeeld.

3.

De beschikking wordt in de Staatscourant bij uitreksel aangekondigd.

Hoofdstuk III. Over de vergunningen tot opsporing.

Artikel 28

1.

Recht tot opsporing wordt verkregen door schriftelijke vergunning.

2.

Het schriftelijk verzoek om vergunning moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend bij Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.

3.

Verzoeken om vergunning per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.

4.

Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.

Artikel 29

1.

Verzoeken om vergunning kunnen ook worden gedaan door een door den aanvrager daartoe bij authentieke of onderhandsche akte aangestelden bijzonderen gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoekschrift worden overlegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor den lastgever op de voorgeschreven wijze domicilie te kiezen.

2.

Zoolang een volmacht, welke is overlegd bij een verzoekschrift om vergunning, nog niet door de gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor denzelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welk verzoek de origineele akte is overlegd.

3.

Machtiging tot het aanvragen van vergunningen kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in art.8 bedoelde authentieke akte, waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.

Artikel 30

1.

Elk schriftelijk verzoek om vergunning mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein dat een samenhangend geheel vormt en moet behalve van de overigens gevorderde stukken in elk geval vergezeld gaan van een kaart of schetsteekening van het in het verzoekschrift zoo nauwkeurig mogelijk aan te duiden terrein.

2.

In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd, en woonplaats zoomede het beroep van den aanvrager worden vermeld.

3.

[vervallen]

Artikel 31

1.

Het aangeven van de grensomschrijving der aangevraagde terreinen in de verzoekschriften om vergunning moet zoo nauwkeurig mogelijk geschieden.

2.

De hoekpunten van een aangevraagd terrein moeten in het algemeen zoo worden gekozen dat ten minste één daarvan òf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt op eenvoudige wijze bepaald is.

3.

De verbindingslijnen der hoekpunten moeten bestaan uit rechte lijnen of goed waarneembare natuurlijke grenzen dan wel uit grenzen tusschen districten en plantages, voor zoover die grenzen officieel zijn vastgesteld. Meridianen en parallellen, zoomede lijnen die daarmede een aangegeven hoek vormen, mogen alleen als grenzen worden gebezigd indien zij zijn bepaald door in de nabijheid gelegen vaste punten.

Artikel 32

Verzoeken om vergunning welke niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereischten voldoen, worden op dien grond afgewezen en mogen niet aan de aanvragers ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden; kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, welke in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending aan de aanvragers ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren op zich zelf geen bezwaar op tegen het verleenen van vergunning.

Artikel 33

1.

Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig door Onze Minister ontvangen aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend.

2.

Onder aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.

3.

Omtrent de voorkeur van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende aanvragen voor zoover zij voor eene gunstige beschikking in aanmerking kunnen komen wordt door het lot beslist. De loting heeft plaats op de door Onze Minister te bepalen wijze. Van den uitslag der loting wordt proces-verbaal opgemaakt. Aan belanghebbenden wordt op hun verlangen door Onze Minister van het proces-verbaal inzage verleend.

4.

Wanneer een aanvrage welke ingevolge het bepaalde bij dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de aanvrage welke bij de loting het volgend nummer heeft getrokken.

5.

Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte kan slechts vergunning worden verleend nadat daarvoor een nieuwe aanvrage is ingediend.

Artikel 34

Nadat Onze Minister een verzoek om vergunning met de daarop betrekkelijke stukken heeft ontvangen en nadat overeenkomstig art.33 omtrent de voorkeur is beslist, wordt de aanvrage ten spoedigste bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 35

1.

Eene vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporing wordt slechts verleend aan één persoon of ééne vennootschap.

2.

Vergunning tot opsporing worden niet verleend aan:

  • a. Minderjarigen;
  • b. Onder curateele gestelden;
  • c. Personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van vergunningen zijn uitgesloten;
  • d. Naamlooze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het bedrijven van mijnbouw niet behoort.

Artikel 36

1.

Aanvragen om vergunning ingediend voor terreinen, binnen welke aan anderen vergunning tot het doen van opsporingen is verleend, zoolang dezen ingevolge die vergunning eene afspraak op concessie geldend kunnen maken, worden afgewezen. Voor zoodanige terreinen kunnen eerst geldige aanvragen worden ingediend nadat de daarvoor verleende vergunning is vervallen of ingetrokken.

2.

Het bepaalde bij het vorige lid is ook toepasselijk op aanvragen voor terreinen, waarvan een gedeelte behoort tot het onderzoekingsterrein van een ander.

Artikel 37

Bij overlijden van een aanvrager vervalt zijne aanvrage; zijne rechtverkrijgenden kunnen aan zijne aanvrage geene rechten of aanspraken ontleenen.

Artikel 38

1.

De beschikking waarbij vergunning verleend wordt moet behelzen:

  • a. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den houder der vergunning;
  • b. de oppervlakte van het onderzoekingsterrein, uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
  • c. de grenzen van het onderzoekingsterrein;
  • d. den duur der vergunning;
  • e. den naam van het eiland en het district, waarbinnen het onderzoekingsterrein is gelegen;
  • f. het gekozen domicilie;
  • g. de voorwaarden, welke aan de vergunning zijn verbonden, in elk geval de voorwaarde genoemd in het tweede lid van art. 141;
  • h. het bedrag van het door den houder der vergunning verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop het bedrag uiterlijk over het eerste vergunningsjaar en verder telken jare over volgende vergunningsjaren moet worden voldaan;
  • i. den datum.
2.

Voorts moet in de beschikking worden melding gemaakt van:

  • a. de bezwaren die door rechthebbende op den grond of derde belanghebbenden mochten zijn ingebracht en de dienaangaande genomen beslissing; indien geen bezwaren zijn ingebracht, wordt zulks uitdrukkelijk in de beschikking vermeld.

Artikel 39

Wanneer de juiste oppervlakte van een onderzoekingsterrein niet met de zekerheid kan worden berekend, kan worden volstaan met eene schatting tenzij de aanvrager meting van het terrein op zijne kosten verlangt.

Artikel 40

1.

Van de beschikking waarbij vergunning verleend is, wordt zoo spoedig mogelijk een authentiek en volledig afschrift uitgereikt aan den houder der vergunning of, zoo de houder der vergunning niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gevestigd, aan diens vertegenwoordiger aldaar.

2.

De verleende vergunning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant; in die bekendmaking wordt de grensomschrijving van het afgestane onderzoekingsterrein vermeld.

3.

[vervallen]

Artikel 41

1.

Ingeval het in het eerste lid van art.40 bedoeld afschrift van de vergunningsbeschikking wegens het onbekend zijn van het adres van den houder der vergunning (of van diens gemachtigde) dan wel van den vertegenwoordiger, niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is kunnen worden uitgereikt, wordt dit aangeteekend. De vergunning wordt alsdan geacht niet te zijn verleend; er kunnen derhalve geene rechten aan worden ontleend.

2.

De bepaling van het vorig lid is mede van toepassing wanneer het voor het afschrift van de vergunningsbeschikking verschuldigde zegelgeld niet binnen een termijn van drie maanden na de verzending is voldaan.

3.

Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.

Artikel 42

1.

Wanneer eene vergunning is verleend aan een aanvrager die op het tijdstip der verleening reeds was overleden, terwijl Onze Minister onkundig was dat overlijden, wordt de vergunning geacht niet te zijn verleend, zoodat de rechtverkrijgenden van den overleden aanvrager aan zoodanige vergunning geene rechten kunnen ontleenen. Hiervan moet aanteekening geschieden.

2.

Op de krachtens dit artikel door Onze Minister genomen beschikking is van toepassing het bepaalde bij het tweede lid van art.40.

Artikel 43

1.

De beschikking van Onze Minister waarbij een verzoek om vergunning wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust. Behoudens het bepaalde bij art.16 wordt van de beschikking aan den belanghebbende kosteloos een volledig afschrift uitgereikt.

2.

Van de in het vorig lid genoemde beschikking wordt een volledig afschrift bekend gemaakt in de Staatscourant.

Artikel 44

1.

Onze Minister is bevoegd naar aanleiding van nader verkregen gegevens nopens de grenzen en de oppervlakte van het onderzoekingsterrein of in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen van districten en plantages, na het verleenen van de vergunning bij een nadere beschikking de aanvankelijk in de vergunningsbeschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het onderzoekingsterrein te wijzigen. Hij is tot die wijziging verplicht wanneer de houder der vergunning meting van het terrein op zijne kosten verlangt en de meting eene andere oppervlakte aangeeft dan aanvankelijk in de vergunningsbeschikking was opgenomen.

2.

Op de in het vorig lid bedoeld beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.40.

Artikel 45

1.

Met de opsporing moet binnen den tijd van één jaar na den datum, waarop de vergunning verleend is, een aanvang zijn gemaakt.

2.

Uiterlijk eene maand na het verstrijken van den in het eerste lid van dit artikel genoemden termijn moet de houder der vergunning of zijn vertegenwoordiger dan wel hij, die overeenkomstig het bepaalde bij art.168 met de plaatselijke leiding is belast, de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba schriftelijk in kennis stellen met den aard der op het onderzoeksterrein verrichte werkzaamheden en met hetgeen overigens is verricht, zoomede met den tijd waarop en, voor zooveel de werkzaamheden op het terrein betreft, met de plaats alwaar de werkzaamheden zijn verricht en uitgevoerd.

3.

Na ontvangst van de in het eerste lid genoemde schriftelijke kennisgeving gaat de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba na of hetgeen is verricht als een begin van opsporing kan worden beschouwd, nadat zoo noodig op hun last een plaatselijk onderzoek is ingesteld, waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt.

4.

Als datum van indiening der kennisgeving, geldt die van het daarvoor kosteloos afgegeven, gedagteekend ontvangbewijs.

5.

De Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zendt de schriftelijke kennisgeving ten spoedigste door aan Onze Minister, vergezeld van zijn advies en, indien een plaatselijk onderzoek is ingesteld, van het opgemaakt proces-verbaal.

Artikel 46

Indien door Onze Minister wordt beslist, dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt of, indien geen schriftelijke kennisgeving bedoeld in het tweede lid van art. 45 is ingediend, wordt overeenkomstig de artt. 61 en 62 de vergunning ingetrokken.

Artikel 47

1.

Het schriftelijk verzoek om verlening van eene vergunning moet door den houder of zijn vertegenwoordiger in twee eensluidende gezegelde exemplaren worden ingediend aan Onze Minister en wel binnen drie maanden vóór het verstrijken van den vergunningstermijn, waarvan de verlenging wordt gevraagd. Met de exemplaren van het verzoek wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde bij het vierde lid van artikel 1a van de Mijnwet BES in verband met het tweede en vierde lid van art.28 van dit besluit. Verzoeken om verlenging ingediend nà, of langer dan drie maanden vóór, het verstrijken van den vergunningstermijn worden onvoorwaardelijk afgewezen.

2.

Het verzoek kan worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht moet bij het verzoek worden overgelegd. Het bepaalde bij het tweede en derde lid van art.29 is ten deze toepasselijk.

3.

Het verzoek om verlenging mag, evenals de beschikking waarbij de verlenging wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.

4.

De verlengde vergunningstermijn gaat in met den dag volgende op dien waarop de termijn, waarvan de verlenging wordt verleend, eindigt of inmiddels reeds is geëindigd.

5.

In afwachting van de beschikking op een verzoek om verlenging mogen de werkzaamheden op het onderzoekingsterrein voortgezet.

6.

Bij overlijden van den houder eener vergunning die een verzoek om verlenging heeft ingediend, waarop alsdan nog niet is beschikt, kan de verlenging aan de rechtverkrijgenden worden verleend.

Artikel 48

1.

Het verzoek om verlenging wordt afgewezen indien niet is aangetoond, dat de houder der vergunning diligent is geweest.

2.

Het verzoek om verlenging wordt mede afgewezen indien door den houder der vergunning niet door aanbieding van kwitantiën is aangetoond, of indien niet op andere wijze aan Onze Minister is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

3.

Onder diligentie wordt verstaan, dat van de vergunning ernstig gebruik is gemaakt, in dien zin, dat de werkzaamheden op het terrein zoo regelmatig mogelijk zijn voortgezet en alleen door omstandigheden onafhankelijk van den wil van den houder der vergunning nog niet tot zoodanig resultaat hebben geleid, dat op grond daarvan eene aanspraak op concessie geldend gemaakt kan worden.

4.

Teneinde te kunnen beoordeelen of de houder der vergunning diligent is geweest, moet bij het verzoek om verlenging – voor de eerste maal – worden overgelegd een zakelijk verslag nopens de werkzaamheden welke gedurende en na afloop van het eerste jaar van den vergunningstermijn op het onderzoekingsterrein hebben plaats gehad, nopens hetgeen overigens is verricht, met vermelding van de resultaten dier werkzaamheden en verrichtingen. Een verzoek om verlenging waarbij geen verslag is overgelegd wordt dadelijk afgewezen.

Artikel 49

1.

Bij het verzoek om verlenging voor de tweede maal moet worden overgelegd een verslag betreffende de werkzaamheden en verrichtingen gedurende het jaar, waarvoor de vergunning voor de eerste maal werd verlengd.

2.

Overigens geldt het bepaalde bij de artt.47 4n 48 eveneens ten aanzien van verlenging voor de tweede maal.

Artikel 50

De ingevolge de artt.48 en 49 ingediende verslagen worden niet aan de houders der vergunning teruggezonden, maar blijven berusten bij Onze Minister.

Artikel 51

Op de beschikkingen houdende verlenging van den vergunningstermijn is van toepassing het bepaalde bij art.40.

Artikel 52

1.

De beschikking waarbij een verzoek om verlenging van den vergunningstermijn wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

2.

Op die beschikkingen is van toepassing het bepaalde bij art.43.

Artikel 53

Wanneer een vergunning door tijdsverloop is vervallen of is ingetrokken, mag aan hen die houders dier vergunning zijn geweest, nòch voor hetzelfde terrein, nòch voor een gedeelte daarvan opnieuw vergunning verleend; evenmin mag aan hen een inmiddels aan een ander voor datzelfde terrein of een gedeelte daarvan verleende of overgedragen vergunning worden overgedragen.

Artikel 54

1.

De vergunning tot het doen van mijnbouwkundige opsporingen mag niet anders worden overgedragen dan krachtens verkregen toestemming van Onze Minister.

2.

Het schriftelijke verzoek tot overdracht der vergunning tot opsporing moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.

3.

Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overlegd.

4.

Het verzoek om toestemming tot overdracht mag, evenals de beschikking waarbij de toestemming wordt verleend, slechts betrekking hebben op ééne vergunning.

5.

Bij het overlijden van een der bij de overdracht betrokken partijen vervalt, indien de toestemming nog niet is verleend, het verzoek daartoe.

6.

De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de toestemming wordt verleend.

Artikel 55

1.

Het verzoek om toestemming tot overdracht moet vergezeld gaan van de c.q. gevorderde stukken; in elk geval moet door overlegging van kwitantiën of op andere wijze blijken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

2.

In het verzoekschrift moeten de beschikking waarbij de vergunning is verleend, zoomede de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.

3.

[vervallen]

4.

Verzoeken om toestemming tot overdracht welke niet dadelijk bij de indiening geheel aan alle gestelde vereischten voldoen, worden op dien grond afgewezen en mogen niet ter verbetering, wijziging of aanvulling worden teruggezonden; kleine fouten of onduidelijkheden van ondergeschikt belang, welke in de verzoeken mochten voorkomen en zonder terugzending ambtshalve kunnen worden verbeterd, leveren op zich zelf geen bezwaar op tegen het verleenen der toestemming.

Artikel 56

1.

De vergunning tot opsporing kan slechts op één persoon of ééne vennootschap worden overgedragen.

2.

De vergunning kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art.35 geen vergunning zou kunnen verleend.

3.

De toestemming tot overdracht wordt ook geweigerd wanneer door de overdracht houder der vergunning zou worden een persoon of vennootschap, aan wie ingevolge art.53 voor het betrokken onderzoekingsterrein niet opnieuw vergunning zou mogen worden verleend.

4.

De toestemming tot overdracht wordt mede geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze is gebleken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

Artikel 57

Op de beschikkingen waarbij toestemming tot overdracht van vergunningen is verleend, is van toepassing het bepaalde bij art. 40, met dien verstande, dat een afschrift van de beschikking wordt uitgereikt aan den nieuwen houder der vergunning of zijn vertegenwoordiger.

Artikel 58

De houder, die de vergunning heeft overgedragen, is verplicht nadat de toestemming tot overdracht is verleend het hem ingevolge art. 40 uitgereikt afschrift van de vergunningsbeschikking aan den nieuwen houder af te geven.

Artikel 59

1.

De beschikking waarbij een verzoek om toestemming tot overdracht van eene vergunning is afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

2.

Op die beschikking is van toepassing het bepaalde bij art.43.

Artikel 60

1.

De vergunning wordt ingetrokken:

  • a. ingeval niet binnen de in art. 45 daarvoor bepaalden tijd met de opsporing is aangevangen;
  • b. op vordering van de rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden, ingeval de opsporingen worden ondernomen zonder dat te hunnen opzichte is voldaan aan de bepalingen van art.173.
2.

De vergunning kan worden ingetrokken:

  • a. ingeval de houder der vergunning aan eene der daarbij gestelde voorwaarden niet voldoet.
  • b. hetzij voor het geheele onderzoekingsterrein, hetzij voor een gedeelte daarvan, op het verzoek van den houder der vergunning. Dit verzoek wordt in tweevoud ingediend aan Onze Minister. Op de beide exemplaren van het verzoekschrift worden dag en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld. Binnen drie maanden na den dag der indiening wordt op het verzoek beschikt.

Artikel 61

1.

De intrekking eener vergunning tot opsporing geschiedt door Onze Minister.

2.

De beschikking waarbij eene vergunning wordt ingetrokken, vermeldt de gronden waarop de intrekking berust en wordt, tenzij de intrekking op eigen verzoek is geschied, aan den houder der vergunning gerechtelijk beteekend.

Artikel 62

1.

Tot de intrekking eener vergunning als bedoeld in art.60 eerste lid sub a wordt overgegaan zoodra ingevolge art. 46 is beslist dat niet tijdig met de opsporing een aanvang is gemaakt.

2.

De beschikking, waarbij eene vergunning ingevolge het eerste lid van dit artikel is ingetrokken, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 63

1.

Behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel wordt tot de intrekking op vordering van de rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden en om reden de houder der vergunning niet aan eene der daarbij gestelde voorwaarden heeft voldaan, niet overgegaan dan nadat de houder der vergunning in de gelegenheid is gesteld om binnen een bepaalden bekwamen termijn voor zijne belangen op te komen.

2.

Wanneer wordt gebruikt gemaakt van de bevoegdheid om de vergunning in te trekken om reden dat de houder niet heeft voldaan aan de voorwaarde, dat hij het door hem verschuldigd vast recht op de daarvoor bepaalde tijdstippen moet voldoen, wordt de houder der vergunning niet vooraf in de gelegenheid gesteld om voor zijne belangen op te komen.

Artikel 64

1.

Van de beschikking waarbij een vergunning op vordering van rechthebbenden op den grond of van derde belanghebbenden is ingetrokken, wordt aan den verzoeker afschrift verleend.

2.

Van de beschikking waarbij de vordering van rechthebbenden op den grond of derde rechthebbenden om intrekking eener vergunning is afgewezen, wordt zoowel aan den verzoeker als den houder der vergunning afschrift verleend

3.

De beschikkingen in dit artikel bedoeld worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.

Artikel 65

1.

Wanneer eene vergunning voor een gedeelte van het onderzoekingsterrein op verzoek van den houder wordt ingetrokken, worden voor het gedeelte of de gedeelten die hij behoudt, door Onze Minister een of meer afzonderlijke nieuwe vergunningsbeschikkingen uitgereikt overeenkomstig het bepaalde bij de artt.38, 39 en 40.

2.

De termijn eener nieuwe vergunning als bedoeld in het vorige lid, wordt geacht te zijn ingegaan op den dag, waarop de oorspronkelijke gedeeltelijk ingetrokken vergunning inging.

3.

De beschikking, waarbij het verzoek van den houder eener vergunning om intrekking van zijne vergunning of van een deel daarvan is afgewezen, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

Artikel 66

1.

De intrekking op verzoek van den houder eener vergunning gaat in zoodra hem de beschikking houdende intrekking is uitgereikt.

2.

In alle andere gevallen gaat de intrekking in op den dag, waarop de intrekkingsbeschikking aan den houder der vergunning bij deurwaardersexploit is beteekend.

3.

Zoodra de intrekking van eene vergunning is ingegaan, moet de houder de opsporing op het onderzoeksterrein of op het gedeelte waarvoor de vergunning werd ingetrokken staken of doen staken.

Artikel 67

[vervallen]

Hoofdstuk IV. Over de concessiën.

Afdeeling 1e. Concessie-aanvragen

Artikel 68

In dit besluit wordt onder «concessie-aanvraag» en «aanvrage om concessie» verstaan: het in het eerste lid van het volgende artikel bedoeld verzoekschrift, waarbij de ontdekker eener in de Mijnwet BES genoemde delfstof zijne aanspraken doet gelden en dientengevolge recht op concessie tot ontginning van de ontdekte delfstof verkrijgt.

Artikel 69

1.

de aanspraken in het eerste lid van art.2 der Mijnwet BES bedoeld worden geldend gemaakt door een schriftelijk verzoek om concessie.

2.

In de concessie-aanvrage moet de aanvrager domicilie kiezen in de hoofdplaats van het eiland waarbinnen het concessie-terrein is gelegen voor den duur der concessie.

3.

Het schriftelijk verzoek om concessie moet in twee eensluidende exemplaren worden ingediend aan Onze Minister. De exemplaren van het verzoekschrift moeten beide gezegeld zijn en gelijktijdig worden ingediend.

4.

Op beide exemplaren van het verzoekschrift worden datum en uur der indiening aangeteekend en een exemplaar weder aan den verzoeker ter hand gesteld.

5.

Concessie-aanvragen per telegram gedaan worden niet in behandeling genomen.

6.

De concessie-aanvraag wordt zoo spoedig mogelijk na de indiening volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt met vermelding van het tijdstip der indiening.

Artikel 70

1.

Concessie-aanvragen kunnen ook worden gedaan door een door den aanvrager bij authentieke of onderhandsche akte aangestelden bijzonderen gemachtigde; de volmacht moet bij de aanvrage worden overgelegd en ook uitdrukkelijk de macht inhouden om voor den lastgever in de concessie-aanvraag op de in het tweede lid van art. 69 voorgeschreven wijze domicilie te kiezen.

2.

Zoolang een volmacht welke is overgelegd bij een concessie-aanvraag nog niet door den gemachtigde is terugontvangen, kan door dezen bij de indiening van andere verzoeken voor dezelfden aanvrager worden volstaan met de overlegging van een afschrift der volmacht onder mededeeling bij welke verzoek de origineele akte is overgelegd.

3.

Machtiging tot het aanvragen van concessiën kan door een niet in Bonaire, Sint Eustatius en Saba gevestigden aanvrager ook worden verleend bij de in de artt. 8 en 22 bedoelde authentieke akte waarbij door hem een vertegenwoordiger is aangesteld.

Artikel 71

1.

Verschillende met dezelfde postbestelling of op andere wijze gelijktijdig bij Onze Minister ingediende concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden geacht alle op hetzelfde tijdstip te zijn ingediend.

2.

Onder concessie-aanvragen voor één en hetzelfde terrein worden ook verstaan aanvragen voor terreinen die gedeeltelijk samenvallen.

3.

Omtrent de in het eerste lid van art.2 der Mijnwet BES bedoelde voorkeur wordt ten aanzien van gelijktijdig voor één en hetzelfde terrein ingediende concessie-aanvragen beslist door Onze Minister op de door dezen te bepalen wijze.

4.

Wanneer eene concessie-aanvraag, welke ingevolge het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES en dit artikel de voorkeur heeft, om de een of andere reden wordt afgewezen, geniet de voorkeur de daarop volgende aanvrage met inachtneming van de door Onze Minister bepaalde volgorde.

5.

Bij gunstige beschikking op een aanvrage welke de voorkeur heeft, worden alle andere aanvragen, welke volgens dit artikel moeten worden geacht voor één en hetzelfde terrein te zijn gedaan, afgewezen ook al is door die beschikking een gedeelte van het terrein waarvoor de andere aanvragen zijn gedaan, beschikbaar gebleven. Voor dat beschikbaar gebleven gedeelte wordt slechts concessie verleend nadat daarvoor een nieuwe geldige aanvrage is ingediend.

Artikel 72

Elke concessie-aanvraag mag slechts betrekking hebben op één aaneengesloten terrein, dat één samenhangend geheel vormt.

Artikel 73

De concessie-aanvraag moet bevatten:

  • 1°. den naam, de voornamen en de woonplaats van den verzoeker;
  • 2°. de benaming der delfstof of de namen der delfstoffen voor welker ontginning concessie gevraagd wordt;
  • 3°. de ligging van de ontdekte vindplaats of vindplaatsen en de grenzen, hetzij van het aangevraagde, hetzij van het bestaande concessie-terrein;
  • 4°. den naam aan de concessie te geven of gegeven;
  • 5°. het gekozen domicilie;
  • 6°. het beroep en den leeftijd van den verzoeker;
  • 7°. of de ontdekking is geschied als houder eener vergunning dan wel als concessionaris, onder opgave van datum en nummer van de vergunningsbeschikking dan wel de concessiebeschikking;
  • 8°. den tijd waarvoor de concessie wordt aangevraagd met dien verstande dat die, ingevolge het vijfde lid van artikel 1a van de Mijnwet BES, 75 jaren niet mag te boven gaan.

Artikel 74

1.

Elke concessie-aanvraag moet behalve van de in het eerste lid van art. 73 genoemde en nog overigens gevorderde stukken, vergezeld gaan van:

  • 1°. eene aantooning als bedoeld in art. 86;
  • 2°. eene plattegrondteekening in drievoud van het aangevraagde terrein, op geen kleiner schaal dan van 1:20000, na plaatselijke opmeting opgemaakt door den rooimeester of een ander persoon als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, op welke plattegrondteekening nauwkeurig moeten zijn aangegeven:
  • a. de grenzen van het aangevraagd terrein;
  • b. de punten, geschikt voor de afbakening van merkteekens, waarvan twee opeenvolgende op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
  • c. de ligging der ontdekte vindplaats of vindplaatsen;
  • d. de natuurlijke of kunstmatig aangebrachte , ter oriënteering dienende, kenbare vaste punten aan de oppervlakte;
  • e. de astronomische en magnetische meridiaan.
2.

Bij uitzondering kan, indien ten genoege van Onze Minister door den aanvrager overtuigend wordt aangetoond, dat het hem onmogelijk is geweest om over den rooimeester te beschikken, worden volstaan met eene door een ander daartoe naar het oordeel van Onze Minister geschikt persoon verrichte plaatselijke opmeting en daarvan opgemaakte plattegrondteekening.

3.

Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de begrenzing van het aangevraagde terrein door vaste merkteekens of anderszins onmiskenbaar is vastgelegd, behoeft de in het tweede lid sub 2°. genoemde kaart niet alle gegevens sub a–e te vermelden.

4.

Wanneer ten genoege van Onze Minister wordt aangetoond, dat de in het eerste lid van dit artikel bedoelde stukken niet dadelijk bij de concessie-aanvraag kunnen worden overgelegd, wordt een termijn van ten langste zes maanden gesteld waarbinnen de aanvrager die stukken moet indienen. De gestelde termijn kan in bijzondere gevallen éénmaal met ten langste drie maanden worden verlengd.

Artikel 75

Bij de plaatselijke opmeting van een aan te vragen concessieterrein, bedoeld in het eerste lid sub 2 van art. 74, moeten de grenzen van dat terrein zoodanig op het terrein worden uitgezet, dat zij te allen tijde zijn terug te vinden.

Artikel 76

1.

Concessieterreinen moeten zooveel mogelijk door rechte lijnen begrensd zijn.

2.

Lijnen zonder bekend azimuth getrokken mogen niet als grenzen worden aangenomen.

3.

De hoekpunten der aangevraagde concessieterreinen moeten zóó worden gekozen dat ten minste één daarvan óf zelf een gemakkelijk op het terrein te vinden, uit zijn aard niet aan verandering of verplaatsing onderhevig vast punt is òf ten opzichte van een dergelijk zich in de nabijheid bevindend vast punt is bepaald.

Artikel 77

1.

Eene concessie tot ontginning wordt slechts verleend aan één persoon of ééne vennootschap.

2.

Concessiën tot ontginning worden niet verleend aan:

  • a. minderjarigen;
  • b. onder curateele gestelden;
  • c. personen of vennootschappen, die ingevolge wettelijk voorschrift van het verkrijgen van concessiën tot ontginning zijn uitgesloten;
  • d. naamloze vennootschappen en besloten vennootschappen tot wier werkkring volgens hare statuten het drijven van mijnbouw niet behoort;
  • e. hem, die krachtens art. 7 der Mijnwet BES van zijn rechten als concessionaris vervallen is verklaard maar alleen voor zooveel betreft het terrein zijner vroegere concessie.

Afdeeling 2e. Overdracht van het recht op concessie.

Artikel 78

1.

Het schriftelijk verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie in zijn geheel, ingevolge het tweede lid van art. 2 en het derde lid van art. 5 der Mijnwet BES wordt gericht aan Onze Minister.

2.

Het verzoek moet door de beide bij de overdracht betrokken partijen worden gedaan; het kan bij één verzoekschrift worden gedaan.

3.

Het verzoek kan ook worden gedaan door een gemachtigde; de volmacht of volmachten moeten bij het verzoekschrift worden overgelegd.

4.

Elk verzoek om goedkeuring mag slechts betrekking hebben op ééne concessie-aanvraag.

5.

Bij het verzoek om goedkeuring tot overdracht moet, behalve de ingevolge het tweede lid van art. 18 of art. 20 en overigens gevorderde stukken worden overgelegd het door den houder van het recht op concessie ingevolge het derde lid van art. 69 terugontvangen exemplaar van zijn concessie-aanvraag. Ook moet door overlegging van kwitantiën of op andere wijze blijken, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

6.

In het verzoekschrift moeten de naam, voornamen, leeftijd en woonplaats en het beroep van den verkrijger worden vermeld.

7.

Bij overlijden van den verkrijger vervalt, indien de goedkeuring nog niet is verleend, het verzoek daartoe.

8.

[vervallen]

9.

Het recht op concessie kan slechts op één persoon of ééne vennootschap worden overgedragen.

10.

Het recht op concessie kan niet worden overgedragen op een persoon of vennootschap aan wie ingevolge art. 77 geen concessie zou kunnen worden verleend.

11.

De goedkeuring op de overdracht wordt ook geweigerd indien niet door aanbieding der kwitantiën is aangetoond of indien niet op andere wijze blijkt, dat de aan vast recht verschuldigde bedragen zijn betaald.

Artikel 79

1.

Onze Minister beschikt op het verzoek met inachtneming van het bepaalde bij de artt. 26 en 27.

2.

Elke overdracht van het recht op concessie wordt door Onze Minister bij afzonderlijke beschikking goedgekeurd.

3.

De beschikking, waarbij de goedkeuring is verleend, wordt in de Staatscourant bekend gemaakt.

4.

De overdracht gaat in met den datum van de beschikking, waarbij de goedkeuring wordt verleend.

5.

De beschikking waarbij een verzoek om goedkeuring van een overdracht van het recht op concessie wordt afgewezen, wordt met redenen omkleed en, onverminderd het bepaalde bij art. 27 in de Staatscourant bekend gemaakt.

Afdeeling 3e. Behandeling van concessie-aanvragen.

Artikel 80

1.

Is Onze Minister van oordeel dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten, maar dat daaraan kan worden tegemoetgekomen door de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen, dan wordt, tenzij om andere redenen in elk geval afwijzend op de aanvrage moet worden beschikt, de aanvrager in de gelegenheid gesteld de noodige verbeteringen in zijn aanvrage aan te brengen.

2.

Daartoe wordt den aanvrager onder terugzending van de concessie-aanvrage medegedeeld, dat en waarom zijne aanvrage niet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, met uitnoodiging om binnen ééne maand nadat hem die mededeeling zal zijn uitgereikt, de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen en haar daarna wederom aan Onze Minister te doen toekomen. Voor de uitgereikte mededeeling wordt door den aanvrager een gedagteekend ontvangbewijs afgegeven, terwijl voor de door hem wederom ingediende concessie-aanvrage aan hem een gedagteekend ontvangbewijs wordt uitgereikt.

3.

Het bepaalde bij de vorige leden geldt ook ten aanzien van de in art. 74 genoemde, bij de aanvrage behoorende stukken

4.

Voldoet de aanvrager niet aan de uitnoodiging om binnen de gestelden termijn de noodige verbeteringen in zijn aanvrage aan te brengen, dan wordt zij onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 81

Is Onze Minister van oordeel, dat een concessie-aanvraag niet voldoet aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten en dat daaraan ook niet kan worden tegemoetgekomen door de noodige verbeteringen in de aanvrage aan te brengen, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 82

Is Onze Minister van oordeel dat, ofschoon de aanvrage aan de in het eerste lid van art. 2 der Mijnwet BES gestelde vereischten voldoet, tegen het verleenen der concessie bezwaren bestaan, waaraan door den aanvrager niet kan worden tegemoetgekomen, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 83

Voldoet de aanvrager niet aan de uitnoodiging om binnen den gestelden termijn hetzij aan de gerezen bezwaren tegemoet te komen, hetzij de noodige verbeteringen in de aanvrage of ten aanzien van de daarbij behoorende stukken aan te brengen, dan wel worden de vereischte stukken niet binnen den in het vierde lid van art. 74 gestelden of verlengenden termijn ingediend, dan wordt de concessie-aanvrage onvoorwaardelijk afgewezen.

Artikel 84

Zoodra vaststaat, dat zoowel de aanvraag als de daarbij behoorende stukken voldoen aan alle gestelde vereischten, wordt de aanvraag, indien gedurende en naar aanleiding van de behandeling daarin wijzigingen zijn aangebracht, onder verwijzing naar de eerste openbaarmaking ingevolge het vijfde lid van art. 69, opnieuw volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt met vermelding wederom van het tijdstip der indiening.

Artikel 85

Ieder belanghebbende kan binnen den tijd van drie maanden nadat een aanvrage om concessie is bekend gemaakt, voor zijne belangen opkomen en zijne bezwaren tegen het verleenen der aangevraagde concessie schriftelijk inbrengen bij Onze Minister.

Afdeeling 4e. Het verleenen van concessiën

Artikel 86

Concessiën worden slechts verleend voor de winning van zoodanige delfstoffen, waarvan ten genoegen van Onze Minister wordt aangetoond, dat zij binnen het mijnveld in eene natuurlijke afzetting voorkomen, waaruit hare winning technisch mogelijk is.

Artikel 87

Concessiën worden niet verleend voor ontginning in streken of terreinen, waar die, naar het oordeel van Onze Minister, den Raad van Bestuur gehoord, om redenen van algemeen belang niet kan worden toegelaten.

Artikel 88

Na de indiening van het bij art. 69 bedoelde verzoek om concessie kan de ontdekker zijne werkzaamheden op den voet van opsporingswerken voortzetten totdat hij in kennis zal zijn gesteld van de beschikking op zijn verzoek.

Artikel 89

Op elke concessie-aanvraag wordt door Onze Minister afzonderlijk beschikt, met gelijktijdige beslissing omtrent de eventueel ingebrachte bezwaren, en na den Raad van Bestuur te hebben gehoord.

Artikel 90

De beschikking waarbij de concessie verleend wordt, moet behelzen:

  • 1°. den naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van den concessionaris;
  • 2°. den naam van den concessie;
  • 3°. de oppervlakte van het concessieterrein uitgedrukt in hectaren, met verwaarloozing van onderdeelen;
  • 4°. de grenzen van het concessieterrein aangeduid op de bij de beschikking behoorende kaart, waarop tevens de voor de plaatsing van merkteekens bestemde punten worden aangegeven, zullen twee opeenvolgende punten op niet meer dan 500 meter afstand mogen gelegen zijn;
  • 5°. den duur der concessie;
  • 6°. den naam van het eiland en het district, dan wel de namen van de districten waar binnen het concessieterrein gelegen is;
  • 7°. het gekozen domicilie;
  • 8°. den naam der delfstof of de namen der delfstoffen waarvoor concessie verleend wordt;
  • 9°. de bijzondere voorwaarden voor zoover zij noodig zijn;
  • 10°. den datum;
  • 11°. het bedrag van het door den concessionaris verschuldigd vast recht en de tijdstippen waarop dat bedrag uiterlijk over het eerste concessiejaar en verder telkenjare over volgende concessiejaren moet worden voldaan;
  • 12°. de Rijks kas waar het vast recht en het uitvoerrecht moeten worden gestort;
  • 13°. de aangaande ingebrachte bezwaren genomen beslissing; terwijl de concessionaris in de beschikking wordt verwezen naar art. 237.

Artikel 91

De beschikking waarbij concessie verleend wordt vormt met het daarin gestelde voorwaarden de akte van concessie.

Artikel 92

1.

Elke concessie-beschikking wordt in de Staatscourant volledig openbaar gemaakt.

2.

Een authentieke afschrift van de beschikking wordt aan den concessionaris uitgereikt. Voor dat afschrift worden geen andere kosten in rekening gebracht dan die van het zegel.

3.

Aan den concessionaris of zijn vertegenwoordiger moeten op verzoek en tegen betaling van de kosten meerdere afschriften van de concessie-beschikking, c.q. met kaart, worden uitgereikt.

Afdeeling 5e. Afwijzing van concessie-aanvragen.

Artikel 93

1.

De beschikking van Onze Minister, waarbij een aanvrage om concessie wordt afgewezen, moet de gronden vermelden waarop de afwijzing berust.

2.

Onverminderd het bepaalde bij art. 26 wordt de beschikking volledig in de Staatscourant openbaar gemaakt en aan den aanvrager kosteloos volledig afschrift van de beschikking uitgereikt.

Artikel 94

Op aanvragen van concessiën wordt afwijzend beschikt:

  • 1°. indien de aanvrager niet voldoet aan de in de Mijnwet BES en dit besluit gestelde vereischten;
  • 2°. indien de aanvrage niet voldoet aan de in dit besluit gestelde vereischten;
  • 3°. indien Onze Minister gebruik maakt van de bevoegdheid verleend bij art. 87.

Artikel 95

1.

Indien eene concessie-aanvraag, welke was ingediend op grond van eene ontdekking van den wettigen houder eener vergunning, wordt afgewezen, mag die houder eene nieuwe concessie-aanvrage voor hetzelfde terrein of een gedeelte daarvan indienen zoolang hij nog wettig houder der vergunning is.

2.

Is na de indiening der eerste afgewezen concessie-aanvrage inmiddels de vergunning vervallen of ingetrokken, dan moeten na de afwijzing van de concessie-aanvrage de werkzaamheden op het aangevraagde terrein onmiddellijk worden gestaakt.

Afdeeling 6e. Gemengde bepalingen betreffende verleende concessiën.

Artikel 96

De concessie gaat in met den datum van de beschikking waarbij zij is verleend.

Artikel 97

Bij verschil van opvatting omtrent het beloop der grenzen van een concessieterrein beslist Onze Minister.

Artikel 98

1.

Onze Minister is bevoegd om, zooveel mogelijk met inachtneming van de belangen van den concessionaris, hetzij in verband met het bepaalde bij het vorige artikel, hetzij in verband met wijzigingen van officieel vastgestelde grenzen van districten enz., hetzij in verband met ontdekte vergissingen of onjuistheden, hetzij naar aanleiding van door van rijksoverheidswege verrichte topographische opnemingen, nader verkregen gegevens nopens de grenzen en de oppervlakte van een concessieterrein, na het verleenen van de concessie bij eene nadere beschikking de aanvankelijk in de concessie-beschikking opgenomen grensomschrijving en oppervlakte van het concessieterrein te wijzigen. In die nadere beschikking wordt aanteekening gehouden van het nieuw bedrag van het verschuldigd vast recht en van het tijdstip waarop dat bedrag voor de eerste maal en telkens voor volgende jaren uiterlijk moeten worden voldaan.

2.

In de beschikking wordt de concessionaris verwezen naar het derde lid van art. 240.

3.

Op de beschikkingen van Onze Minister, houdende wijziging van de grenzen en oppervlakten van concessieterreinen, is van toepassing het bepaalde bij art. 92.

Artikel 99

Nòch de concessionarissen nòch de hypothecaire of andere schuldeischers ontleenen tegenover de rijksoverheid aan krachtens de artt. 97 en 98 genomen beslissingen eenige aanspraak op schadeloosstelling.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)