Wet van 30 september 2010, houdende bepalingen over de politie en over de brandweerzorg, de rampenbestrijding en de crisisbeheersing op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Veiligheidswet BES)
Indien ten aanzien van de inspectie een aanwijzing is gegeven als bedoeld in artikel 29 van de Rijkswet Raad voor de rechtshandhaving, staat de inspectie onder gezag van de Raad voor de rechtshandhaving.
Artikel 73
Het brandweerkorps en een orgaan als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder a, verstrekken de door Onze Minister aangewezen ambtenaren desgevraagd de inlichtingen die zij redelijkerwijs nodig hebben in verband met de uitvoering van toetsen als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder a en b.
Het brandweerkorps, een orgaan van het openbaar lichaam, van een samenwerkingslichaam of van het Rijk dan wel een ieder die werkzaam is bij een organisatie, een instelling, een inrichting die of een bedrijf dat betrokken is bij een brand, ramp of crisis, verstrekt de door Onze Minister aangewezen ambtenaren desgevraagd de inlichtingen die zij redelijkerwijs nodig hebben in verband met het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder c.
Artikel 74
De werkzaamheden die in het kader van artikel 71, eerste lid, worden uitgevoerd, worden jaarlijks door Onze Minister vastgesteld, gehoord de Rijksvertegenwoordiger.
Over de werkzaamheden, bedoeld in artikel 71, eerste lid, rapporteert de inspectie, gevraagd en ongevraagd, rechtstreeks aan Onze Minister.
De inspectie rapporteert tevens aan de Rijksvertegenwoordiger.
Onze Minister brengt in een multidisciplinair rapport aan de Staten-Generaal verslag uit van de bevindingen van de inspectie bij de toetsing, bedoeld in artikel 71, eerste lid, onder b.
Onze Minister zendt, onverminderd het vierde lid, de Staten-Generaal jaarlijks een door de inspectie opgesteld verslag van de werkzaamheden die in het kader van artikel 71, eerste lid, zijn uitgevoerd.
Artikel 75
De Rijksvertegenwoordiger kan een bestuursorgaan van het openbaar lichaam of van een samenwerkingslichaam een aanwijzing geven indien de taakuitvoering op grond van de hoofdstukken 4 en 5 in het desbetreffende openbaar lichaam tekortschiet.
Tot het geven van een aanwijzing gaat de Rijksvertegenwoordiger niet over dan nadat hij over de voorgenomen aanwijzing het bestuurscollege heeft gehoord.
De organen van het openbaar lichaam en een samenwerkingslichaam geven de Rijksvertegenwoordiger alle inlichtingen die hij voor de uitoefening van het toezicht nodig heeft.
Artikel 76
Onverminderd artikel 71, eerste lid, zijn de ambtenaren die bij besluit van het bestuurscollege zijn aangewezen, belast met toezicht op de naleving van:
- a. het gestelde bij of krachtens artikel 40;
- b. het gestelde bij of krachtens artikel 51 ten aanzien van de krachtens artikel 45 aangewezen inrichtingen; en
- c. de verordening, bedoeld in artikel 39.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onder b.
Artikel 77
De gezaghebber, de Rijksvertegenwoordiger, de algemeen commandant en het door hem aangewezen ter plaatste dienstdoende personeel van de brandweer alsmede de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 73, eerste en tweede lid, zijn bevoegd elke plaats te betreden, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. Zo nodig verschaffen zij zich de toegang met behulp van de sterke arm. Zij kunnen zich bij het binnentreden doen vergezellen van door hen aangewezen personen.
De titels X en XI van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat:
- a. de machtiging, bedoeld in artikel 155 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt verleend door de gezaghebber;
- b. het legitimatiebewijs, bedoeld in artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt uitgegeven door de gezaghebber;
- c. het schriftelijk verslag omtrent het binnentreden, bedoeld in artikel 163 van het Wetboek van Strafvordering BES, wordt toegezonden aan de gezaghebber.
De gezaghebber, de lokaal commandant van de brandweer en het door hem aangewezen ter plaatse dienstdoende personeel van de brandweer alsmede de door Onze Minister aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 73, eerste en tweede lid, zijn bevoegd alle benodigde uitrustingsstukken en hulpmiddelen op de plaats, bedoeld in het eerste lid, mee te nemen en daarvan op zodanige wijze gebruik te maken als zij voor een goede vervulling van hun taak noodzakelijk achten.
Hoofdstuk 8. Sancties en overige bepalingen
Artikel 78
Overtreding van de regels van de verordening, bedoeld in artikel 39 en van het bij of krachtens de artikelen 31 en 40, derde, vijfde en zesde lid, bepaalde wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.
In geval van overtreding van artikel 40, derde lid, kan als bijkomende straf worden opgelegd gehele of gedeeltelijke stillegging van de inrichting voor een tijd van ten hoogste een jaar.
Het niet naleven van artikel 51, derde lid, is een strafbaar feit en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie, indien het feit opzettelijk is begaan, en gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie, indien het feit niet opzettelijk is begaan.
Het niet naleven van artikel 56, tweede lid, door degene die een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 45, eerste lid, aangewezen categorie drijft, is een strafbaar feit en wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaar of een geldboete van de vijfde categorie, indien het feit opzettelijk is begaan, en gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie, indien het feit niet opzettelijk is begaan.
De in het eerste en tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
De in het derde en vierde lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven, voor zover zij opzettelijk zijn begaan. Voor zover zij geen misdrijven zijn, zijn zij overtredingen.
Artikel 79
Met de opsporing van de bij artikel 78 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES, belast de ambtenaren, aangewezen bij besluit van Onze Minister.
Als opsporingsambtenaar kan slechts worden aangewezen degene die voldoet aan de door Onze Minister te stellen regels over de eisen van bekwaamheid.
De opsporingsambtenaren zijn bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
Hoofdstuk 9. Overgangs- en invoeringsbepalingen
Artikel 80
Ten aanzien van de in deze wet opgenomen verplichtingen geldt dat:
- a. het beheersplan, bedoeld in de artikelen 23 en 29, uiterlijk acht maanden na inwerkingtreding van deze wet voor het eerst wordt vastgesteld;
- b. de brandbeveiligingsverordening, bedoeld in artikel 39, eerste lid, uiterlijk binnen zes maanden na inwerkingtreding van deze wet voor het eerst wordt vastgesteld;
- c. het beleidsplan, bedoeld in artikel 42, uiterlijk negen maanden na inwerkingtreding van deze wet voor het eerst wordt vastgesteld;
- d. het risicoprofiel, bedoeld in artikel 43, tweede lid, uiterlijk zes maanden na inwerkingtreding van deze wet voor het eerst wordt vastgesteld;
- e. het rampen- en crisisplan, bedoeld in artikel 44, uiterlijk twaalf maanden na inwerkingtreding van deze wet voor het eerst wordt vastgesteld;
- f. de rampbestrijdingsplannen, bedoeld in artikel 45, uiterlijk twaalf maanden na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 45, eerste lid, voor het eerst worden vastgesteld.
Het krachtens wettelijk voorschrift vastgestelde rampenplan van een eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba blijft van kracht totdat het rampen- en crisisplan, bedoeld in artikel 44, is vastgesteld.
De krachtens wettelijk voorschrift vastgestelde rampbestrijdingsplannen van een eilandgebied Bonaire, Sint Eustatius of Saba blijven van kracht totdat de rampbestrijdingsplannen, bedoeld in artikel 45, zijn vastgesteld.
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over gelijkstelling van diploma’s van ambtenaren van politie en het personeel van de brandweer.
Artikel 81
In afwijking van artikel 11, eerste lid, van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, treedt de Staat ten aanzien van de rechten en verplichtingen naar burgerlijk recht van de voormalige eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba, voor zover het betreft de taken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij het brandweerkorps, bedoeld in artikel 27, berusten, met ingang van inwerkingtreding van deze wet voor de voormalige eilandgebieden in de plaats.
In afwijking van artikel 11, tweede lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, treedt in wettelijke procedure en rechtsgedingen waarbij de dienst brandweer van het voormalige eilandgebied Bonaire, de dienst luchthaven van het voormalige eilandgebied Sint Eustatius en de dienst lucht- en zeehaven van het voormalige eilandgebied Saba voor wat betreft taken die na inwerkingtreding van deze wet door het brandweerkorps, bedoeld in artikel 27, van deze wet, worden uitgevoerd, is betrokken, de Staat dan wel Onze Minister in de plaats van het eilandgebied dan wel het bestuurscollege.
Artikel 82
Wijzigt de Wet politiegegevens.
Artikel 83
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikel 84
Deze wet wordt aangehaald als: Veiligheidswet BES.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen nemen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)