Besluit van 30 september 2010, houdende regels voor de bewapening en overige uitrusting van de politie van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit bewapening en overige uitrusting politie BES)
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 13 juli 2010, nr. 2010-0000461978, CZW/WSG;
Gelet op de artikelen 41, eerste en tweede lid, en 42, eerste en tweede lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
De Raad van State gehoord (advies van 11 augustus 2010, nr. W04.10.0346/I );
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 september 2010, nr. 2010-0000600906;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. rijkswet: de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- b. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder a, van de rijkswet, met de hoofdrang hoger dan die van aspirant;
- c. aspirant: degene die is toegelaten tot de basisopleiding;
- d. korpsbeheerder: degene die op grond van artikel 47, derde lid, van de rijkswet wat betreft het beheer het bevoegd gezag uitoefent over het politiekorps van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- e. hoofdrang: een hoofdrang als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit rechtspositie korps politie BES;
- f. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- g. bevoegd gezag: het gezag, bedoeld in de artikelen 16 en 17 van de rijkswet en artikel 8 van de Veiligheidswet BES;
- h. keuringscommissies: keuringscommissies als bedoeld in artikel 19, eerste lid;
- i. keuringsreglementen: keuringsreglementen als bedoeld in artikel 20, eerste lid;
- j. aanhoudings- en ondersteuningswerkzaamheden: werkzaamheden als bedoeld in artikel 6, eerste lid, a tot en met e, van het Besluit beheer politiekorps BES.
Hoofdstuk 2. Bewapening en overige uitrusting
Artikel 2
De bewapening van de ambtenaar bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:
- a. een korte wapenstok;
- b. pepperspray en nazorgmiddelen;
- c. een pistool of een revolver met de daarbij behorende munitie.
De korpsbeheerder kan ambtenaren van politie aanwijzen die van het dragen van een in het eerste lid genoemd wapen zijn vrijgesteld.
De korpsbeheerder kan bepalen dat de ambtenaar die belast is met surveillance en beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, mede wordt uitgerust met een politiesurveillancehond, een elektrische wapenstok en een lange wapenstok.
De overige uitrusting van de ambtenaar bestaat uit:
- a. handboeien;
- b. een koppel.
De korpsbeheerder kan de ambtenaar mede uitrusten met een veiligheidsvest of tie-raps.
Artikel 3
De bewapening van de aspirant bestaat in het gedeelte van de opleiding dat in het korps wordt doorgebracht tijdens de uitoefening van de dienst uit:
- a. een korte wapenstok;
- b. pepperspray en nazorgmiddelen;
De korpsbeheerder kan de aspirant, bedoeld in het eerste lid, mede bewapenen met een pistool of een revolver met de daarbij behorende munitie.
Artikel 4
De bewapening van de ambtenaar van politie, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder c, van de rijkswet bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:
- a. een korte wapenstok;
- b. de pepperspray en nazorgmiddelen.
Indien de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, is aangesteld in een van de rangen, bedoeld in artikel 3a, onder c, van het Besluit rechtspositie korps politie BES, omvat zijn bewapening tevens het pistool. Het bewapenen van de ambtenaar van politie, bedoeld in het eerste lid, op wie de eerste volzin niet van toepassing is, met het pistool is toegestaan indien Onze Minister en Onze Minister van Justitie daarvoor, onder door hen te stellen voorwaarden, toestemming hebben verleend.
Het verzoek voor het bewapenen met het pistool wordt gedaan door de korpsbeheerder.
Artikel 5
De bewapening van de ambtenaar die is belast met het optreden ter handhaving van de openbare orde en hulpverlening bij grootschalige manifestaties en evenementen, het uitvoeren van evacuaties, het bewaken en beveiligen van objecten, het optreden tijdens rampen en crises, het uitvoeren van zoekacties en het aanhouden van ordeverstoorders, bestaat mede uit:
- a. een lange wapenstok;
- b. een gasgeweer met bijbehorende gasprojectielen of traangasverspreidende middelen;
- c. een semi-automatisch vuurwapen met de daarbij behorende munitie, voor zover hij is belast met de uitvoering van de bewakings- en beveiligingstaak.
De korpsbeheerder kan bepalen dat een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, tijdens de uitoefening van de dienst mede wordt uitgerust met een politiesurveillancehond en een elektrische wapenstok.
De overige uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit een gasmasker en een schild.
De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.
Artikel 6
De bewapening van de ambtenaar die is belast met persoonsbeveiliging bestaat mede uit:
- a. een gasgeweer met bijbehorende gasprojectielen of traangasverspreidende middelen;
- b. een semi-automatisch vuurwapen;
- c. een automatisch vuurwapen.
Artikel 7
De bewapening van de ambtenaar die is belast met aanhoudings en ondersteuningswerkzaamheden, bestaat mede uit:
- a. een pistoolmitrailleur met de daarbij behorende munitie;
- b. een gasgeweer met bijbehorende gasprojectielen;
- c. een semi-automatisch vuurwapen.
De korpsbeheerder kan bepalen dat een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, tijdens de uitoefening van de dienst mede wordt uitgerust met een hond met als doel in politiedienst te worden ingezet bij aanhoudings- en ondersteuningswerkzaamheden.
De overige uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit een gasmasker en explosieven.
De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.
Artikel 8
De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een bijzondere bijstandseenheid, bestaat mede uit een vuurwapen waarmee lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven met de daarbij behorende munitie.
De korpsbeheerder kan bepalen dat een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede wordt bewapend met een hond met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van deze eenheid.
De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.
Artikel 9
De korpsbeheerder kan een andere ambtenaar, dan bedoeld in de artikelen 5, 7 en 8, uitrusten met een kogelwerend vest, een kogelwerende helm of een gasmasker.
Artikel 10
De korpsbeheerder kan een ambtenaar die is belast met de grensbewaking en met het toezicht op personen, uitrusten met hulpmiddelen ten behoeve van de verwijdering van vreemdelingen.
Onder hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:
- a. handboeien;
- b. combinatieriem;
- c. klittenband;
- d. tie-raps;
- e. schuimcap.
Artikel 11
De korpsbeheerder kan in bijzondere, door het bevoegd gezag aangegeven situaties, een ambtenaar aanwijzen die tijdelijk mede wordt bewapend met:
- a. een lange wapenstok;
- b. rookgranaten, gasgranaten of gashouders, of
- c. een pistoolmitrailleur met de daarbij behorende munitie.
Artikel 12
De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de ambtenaar slechts over een wapen beschikt indien hij voldoet aan de gestelde eisen van bekwaamheid, bedoeld in hoofdstuk VIIb van het Besluit rechtspositie korps politie BES.
Artikel 13
De korpsbeheerder stelt regels met betrekking tot het dragen, het onderhoud en het in een inbraakvrije ruimte bewaren van de wapens en munitie, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 11.
Artikel 14
De korpsbeheerder kan een ambtenaar die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 25, eerste lid, uitrusten met een politiespeurhond.
Uitrusting met een politiespeurhond menselijk geur geschiedt uitsluitend voor de speurtaak of geuridentificatietaak.
Uitrusting met een politiespeurhond explosieven geschiedt uitsluitend voor het opsporen van explosieven, vuurwapen en munitie.
Uitrusting met een politiespeurhond verdovende middelen geschiedt uitsluitend voor het opsporen van verdovende middelen.
Uitrusting met een politiespeurhond stoffelijke resten geschiedt uitsluitend voor het opsporen van stoffelijke resten van mensen.
Uitrusting met een politiespeurhond brandversnellende middelen geschiedt uitsluitend voor het opsporen van brandversnellende middelen.
Artikel 15
Tot de overige uitrusting van de ambtenaar en de ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder a en c, van de rijkswet, kunnen behoren:
- a. helm;
- b. valhelm;
- c. identiteitskaart;
- d. elektrische lantaarn;
- e. signaalfluit met ketting en haak;
- f. aantekenboekje;
- g. zakmes;
- h. verkeersondermouwen.
De korpsbeheerder kan andere uitrusting, dan bedoeld in het eerste lid, aanwijzen. Hij bepaalt aan welke ambtenaren de overige uitrusting wordt verstrekt en wanneer deze wordt gedragen of gebruikt.
Artikel 16
Onze Minister stelt voor de wapens, de daarbij behorende draagmiddelen en de munitie het merk en type vast, met dien verstande dat de eisen waaraan de bewapening van de politie in verband met de taakuitvoering moet voldoen in overeenstemming met Onze Minister van Justitie worden vastgesteld.
Onze Minister kan voor de overige uitrusting het merk en type vaststellen.
Artikel 17
Onze Minister is verantwoordelijk voor de aanschaf en afvoer van de in dit besluit genoemde wapens en de daarbij behorende munitie, alsmede de overige uitrusting ten behoeve van het politiekorps.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de aanschaf en afvoer van wapens en de daarbij behorende munitie, alsmede over de overige uitrusting.
Artikel 18
Onze Minister kan toestemming verlenen een ambtenaar gedurende maximaal een jaar mede te bewapenen met een wapen of munitie voor zover dit noodzakelijk is voor de beproeving ervan. De termijn kan eenmaal worden verlengd met maximaal een jaar.
Onze Minister stelt de Ministers van Justitie van Curaçao en van Sint Maarten hiervan in kennis.
Onze Minister stelt het merk en type van het wapen of de munitie, bedoeld in het eerste lid, vast.
Hoofdstuk 3. Keuring en certificering politiehonden
Artikel 19
Er zijn keuringscommissies voor de politiespeurhond, voor de politiesurveillancehond en voor de hond die bedoeld is om in te zetten bij aanhoudings- en ondersteuningswerkzaamheden, waarvan de leden worden aangewezen door Onze Minister.
De leden van de keuringscommissies zijn ambtenaar van politie als bedoeld in artikel 3, onder a of c, van de rijkswet. Van de keuringscommissie voor de politiespeurhond kunnen tevens buitengewone agenten van politielid zijn.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.