Besluit van 14 september 2010, houdende regels met betrekking tot het verlenen van onderstand in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Besluit onderstand BES)

Type Amvb Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 juli 2010, nr. IVV/I/2010/13018, gedaan mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op artikel 18.3, eerste, vierde en vijfde lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

De Raad van State gehoord (advies van 12 augustus 2010, nr. W12.10.0343/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 september 2010, nr. IVV/I/2010/16119, uitgebracht mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel I, tweede lid, van de Rijkswet wijziging Statuut in verband met de opheffing van de Nederlandse Antillen in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Gezamenlijke huishouding
1.

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

2.

Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

3.

Indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en tussen hen bloedverwantschap bestaat tot en met de tweede graad, kan Onze Minister bepalen dat dit gelet op alle omstandigheden niet wordt aangemerkt als een gezamenlijke huishouding.

Artikel 3. Alleenstaande, alleenstaande ouder, gezin en uitreiziger

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 4. Onderstand, voorliggende voorziening, arbeidsinschakeling, arbeidsongeschiktheid en zelfstandig wonend

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Rechten en plichten

§ 2.1. Arbeidsinschakeling

Artikel 5. Plicht tot arbeidsinschakeling
1.

De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van aanvraag van onderstand verplicht:

2.

Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan Onze Minister in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

3.

Indien onderstand wordt verleend aan personen met een gezamenlijke huishouding gelden de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, voor ieder van hen.

4.

De verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op de belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

5.

De beoordeling van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid wordt gebaseerd op een medisch onderzoek en, voor zover dat naar het oordeel van Onze Minister nodig is, een arbeidskundig onderzoek.

§ 2.2. Recht op onderstand

Artikel 6. Rechthebbenden
1.

De persoon die rechtmatig woonachtig is in een openbaar lichaam en die naar het oordeel van Onze Minister aldaar in zodanige omstandigheden verkeert dat hij niet de middelen kan verwerven om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en die voldoet aan de plicht tot arbeidsinschakeling, heeft recht op onderstand van overheidswege.

2.

Het recht op onderstand komt de personen met een gezamenlijke huishouding gezamenlijk toe, tenzij een van deze personen geen recht heeft op onderstand.

Artikel 7. Uitsluiting van onderstand
1.

Geen recht op onderstand heeft de persoon:

2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op de persoon die, nadat hij ten minste vijf jaar onafgebroken rechtmatig woonachtig is geweest in de openbare lichamen:

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel d, geldt voor personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, een periode van dertien weken.

Artikel 8. Niet-noodzakelijke kosten

In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend:

Artikel 9. Voorliggende voorziening

Geen recht op onderstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op onderstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet-noodzakelijk worden aangemerkt.

Artikel 10. Zeer dringende redenen

Aan een persoon die geen recht op onderstand heeft, kan Onze Minister, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van deze paragraaf onderstand verlenen, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.

§ 2.3. Inlichtingenplicht en afstemming

Artikel 11. Inlichtingenplicht
1.

De belanghebbende doet aan Onze Minister op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op onderstand.

2.

Onze Minister stelt bij de uitvoering van dit besluit de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES.

Artikel 12. Afstemming
1.

Onze Minister stemt de onderstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, alsmede op het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan.

2.

Indien de belanghebbende naar het oordeel van Onze Minister tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit dit besluit voortvloeiende verplichtingen niet of niet voldoende nakomt, kan Onze Minister de onderstand verlagen. Van een verlaging wordt afgezien indien elke mate van verwijtbaarheid ontbreekt.

3.

Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende persoon mede verstaan het gezin.

4.

Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot het verlagen van de onderstand, bedoeld in het tweede lid.

Hoofdstuk 3. Algemene onderstand

§ 3.1. Algemene onderstand

Artikel 13. Basisbedragen algemene onderstand

Het basisbedrag van de algemene onderstand bedraagt per twee weken:

a. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire: USD 151 per 1 januari 2026: USD 256;
b. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius: USD 185per 1 januari 2026: USD 267;
c. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba: USD 181per 1 januari 2026: USD 273.

§ 3.2. Toeslagen algemene onderstand

Artikel 14. Toeslag voor zelfstandig wonen
1.

Het basisbedrag van de algemene onderstand, genoemd in artikel 13, wordt voor een zelfstandig wonende belanghebbende verhoogd met een toeslag per twee weken van:

a. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire: USD 260 per 1 januari 2026: USD 471;
b. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius: USD 255 per 1 januari 2026: USD 455;
c. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba: USD 289 per 1 januari 2026: USD 452.
2.

Indien recht bestaat op de toeslag, bedoeld in artikel 17a, bestaat er geen recht op de toeslag, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15. Toeslag voor een gezamenlijke huishouding

Het basisbedrag van de algemene onderstand, genoemd in artikel 13, wordt voor personen met een gezamenlijke huishouding verhoogd met een toeslag per twee weken van:

a. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire: USD 109 per 1 januari 2026: USD 257:
b. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius: USD 132 per 1 januari 2026: USD 255;
c. indien de belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba: USD 130 per 1 januari 2026: USD 256.
Artikel 16. Kindertoeslag
1.

Het basisbedrag van de algemene onderstand, genoemd in artikel 13, wordt voor een gezin met een of meer ten laste komende kinderen verhoogd met een toeslag per twee weken van:

a. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire: USD 23 per 1 januari 2026: USD 63;
b. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius: USD 23 per 1 januari 2026: USD 69;
c. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Saba: USD 23 per 1 januari 2026: USD 64
voor het eerste kind.
2.

Het basisbedrag van de algemene onderstand, genoemd in artikel 13, wordt voor een gezin met twee of meer ten laste komende kinderen verhoogd met een toeslag per twee weken van:

a. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire: USD 12 per 1 januari 2026: USD 33;
b. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius: USD 12 per 1 januari 2026: USD 36;
c. indien het gezin woonachtig is in het openbaar lichaam Saba: USD 12 per 1 januari 2026: USD 34
per kind voor het tweede en derde kind.
3.

Het gezin heeft voor ten hoogste drie kinderen recht op toeslag.

Artikel 17. Toeslag bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
1.

Het basisbedrag van de algemene onderstand, genoemd in artikel 13, wordt bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van de alleenstaande, van de alleenstaande ouder of van een van de personen dan wel beide personen die een gezamenlijke huishouding voeren, verhoogd met een enkelvoudige toeslag per twee weken van:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.