Wet beginselen gevangeniswezen BES
Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen
Artikel 1
Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;
- b. gedetineerden: de personen, ingesloten in een gevangenis, een huis van bewaring of in een door Onze Minister aangewezen instelling;
- c. onveroordeelden: de personen, niet krachtens veroordeling tot straf of maatregel, ingesloten in een van de gestichten, bedoeld in artikel 2.
Hoofdstuk II. Indeling der gestichten
Artikel 2
De gestichten of afdelingen van de gestichten worden onderscheiden in gevangenissen, huizen van bewaring en door Onze Minister aangewezen instellingen.
Artikel 3
Onze Minister wijst de gestichten of afdelingen van gestichten aan, die bestemd zijn voor gevangenis, huis van bewaring en een door Onze Minister aangewezen instelling.
Voor de opneming van vrouwelijke gedetineerden worden afzonderlijke gestichten of afdelingen van gestichten aangewezen.
Onze Minister kan huizen van bewaring en in bijzondere gevallen andere gestichten aanwijzen, waarin zowel mannen als vrouwen worden opgenomen. In die gevallen worden mannen en vrouwen gescheiden ondergebracht.
Artikel 4
In de gevangenissen wordt, behoudens het bepaalde in artikel 11 en het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht BES, uitsluitend de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd.
In bijzondere gevallen kan Onze Minister hechtenis en militaire detentie, vervangende hechtenis en militaire detentie daaronder begrepen, in een gevangenis ten uitvoer doen leggen.
Artikel 5
De huizen van bewaring zijn bestemd:
- a. tot opneming van hen, die de straffen van hechtenis of van militaire detentie moeten ondergaan;
- b. tot opneming van alle anderen, aan wie krachtens rechterlijke beslissing of door het openbaar gezag rechtens hun vrijheid is ontnomen, voor zover geen andere plaats voor hen is bestemd of voor zolang opname in de voor hen bestemde plaats niet mogelijk is;
- c. tot verblijf voor doortrekkende gedetineerden.
In de huizen van bewaring kunnen ook degenen worden opgenomen, die tot gevangenisstraf veroordeeld zijn en wier straftijd niet meer dan acht maanden bedraagt.
Onze Minister kan, indien dit door een openbaar belang vereist wordt, bepalen dat veroordeelden in artikel 4 bedoeld, tijdelijk in een huis van bewaring worden opgenomen.
Artikel 6
De door Onze Minister aangewezen instellingen zijn bestemd tot opneming van:
- a. hen, wier plaatsing in een instelling op grond van artikel 39 van het Eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht BES moet volgen, indien niet tevens hun plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is gelast, dan wel zodanige plaatsing door verlof of ontslag werd onderbroken of beëindigd;
- b. onveroordeelden, naar wier geestvermogens volgens wettelijke regeling een onderzoek noodzakelijk wordt geacht;
- c. de gedetineerden, die tot gevangenisstraf veroordeeld zijn, doch die op grond van de gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van hun geestvermogens voor verblijf of verder verblijf in een gevangenis of huis van bewaring ongeschikt gebleken zijn of wier observatie noodzakelijk wordt geacht, een en ander volgens bij ministeriële regeling te stellen regelen.
Hoofdstuk III. Differentiatie der gevangenissen
Artikel 7
Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd zijn voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt.
Artikel 8
Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, niet in aanmerking komende voor plaatsing in een van de in artikel 7 genoemde afdelingen, wier werkelijke straftijd niet meer dan acht maanden bedraagt.
Artikel 9
Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, niet in aanmerking komende voor plaatsing in een* van de in artikel 7 bedoelde afdelingen, wier werkelijke straftijd meer dan acht maanden bedraagt.
Artikel 10
Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, die meer dan de helft van een opgelegde onvoorwaardelijke straf van tenminste drie jaren hebben doorgebracht in een andere afdeling van een gevangenis of huis van bewaring.
Artikel 11
Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van gedetineerden uit alle kategorieën, die tijdelijk een regime met intensieve persoonlijke begeleiding behoeven.
Artikel 12
Omtrent de wijze, waarop de tot gevangenisstraf veroordeelden over de verschillende gevangenissen worden verdeeld, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gegeven.
Hoofdstuk IV. Beheer en toezicht
Artikel 13
Het opperbeheer van de gestichten berust bij Onze Minister, die voor elk gesticht of elke afdeling daarvan een huishoudelijk reglement vaststelt.
Artikel 14
Het beheer van ieder gesticht berust bij de direkteur of een hoofd op wie het in deze wet omtrent de direkteur bepaalde van toepassing is.
Artikel 15
Het personeel van de gestichten wordt door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen.
Artikel 16
Bij ieder gesticht is een Commissie van Toezicht, waarvan de leden door Onze Minister worden benoemd en ontslagen.
De Commissie van Toezicht heeft tot taak:
- a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in het gesticht of afdelingen daarvan;
- b. kennis te nemen van door de gedetineerden naar voren gebrachte grieven;
- c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in Hoofdstuk XII;
- d. aan Onze Minister, de direkteur of het hoofd van een gesticht, al dan niet uit eigen beweging, advies en inlichtingen te geven omtrent het in onderdeel a gestelde.
De Commissie van Toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de gedetineerden regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als maandcommissaris.
Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de Commissie van Toezicht, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de maandcommissaris.
Hoofdstuk V. Regime
Artikel 17
Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt de tenuitvoerlegging hiervan mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerden in de maatschappij.
Artikel 18
De onveroordeelden worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het gesticht noodzakelijk zijn.
Hun regime wordt, naar de beginselen van deze wet, geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
Artikel 19
Onze Minister kan in de huishoudelijke reglementen van gestichten of afdelingen van gestichten bepalen, dat de bevolking door de direkteur in groepen zal worden ingedeeld.
Het regime in de verschillende groepen kan verschillend zijn.
Artikel 20
Onveroordeelden worden bij voorkeur niet met veroordeelde gedetineerden in een vertrek geplaatst.
Mannelijke gedetineerden beneden de eenentwintig jaren worden bij voorkeur afgezonderd van de volwassen gedetineerden.
Artikel 21
Onverminderd het bepaalde in artikel 19, tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het toestaan van individuele voorrechten.
Artikel 22
De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een gesticht vindt plaats in algehele of in beperkte gemeenschap, dan wel in afzondering.
Artikel 23
De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een gesticht vindt als regel plaats in gemeenschap.
De directeur kan de gedetineerde op zijn verzoek dan wel ambtshalve de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel in afzondering laten ondergaan indien de veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht daartoe, naar zijn oordeel, bepaaldelijk aanleiding geeft.
Indien de directeur ambtshalve besluit de gedetineerde de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel in afzondering te laten ondergaan, dan wel indien hij een daartoe strekkend verzoek van de gedetineerde afwijst, geschiedt dat schriftelijk en met redenen omkleed. Daarbij wijst hij de gedetineerde op de mogelijkheid van beklag als bedoeld in artikel 40.
Hoofdstuk VI. Arbeid en arbeidsloon
Artikel 24
De direkteur draagt zorg voor de beschikbaarheid van arbeid voor de gedetineerden, voor zover de aard van de detentie zich daartegen niet verzet.
Volwassen gedetineerden die tot een vrijheidsstraf (vervangende hechtenis en militaire detentie daaronder begrepen) zijn veroordeeld zijn verplicht de hen opgedragen arbeid te verrichten.
Onveroordeelden zijn niet tot arbeid verplicht. Indien zij verklaard hebben aan de arbeid te willen deelnemen, worden zij op gelijke voet als de in het tweede lid bedoelde gedetineerden daartoe in de gelegenheid gesteld.
Artikel 25
De arbeid zal zich bij voorkeur uitstrekken tot het verrichten van de huisdienst en tot het vervaardigen van voorwerpen voor de overheidsdienst en objecten van algemeen nut.
Artikel 26
Het aan de gedetineerden toe te kennen arbeidsloon wordt door Onze Minister vastgesteld. Een deel daarvan wordt bestemd voor de uitgaanskas. Het overige deel blijft onder bewaring van de direkteur, doch staat ter beschikking van de gedetineerden volgens nader bij ministeriële regeling te stellen regelen.
De onveroordeelden kunnen over het arbeidsloon beschikken volgens bij ministeriële regeling vast te stellen regels.
Artikel 27
Het door de gedetineerden verdiende arbeidsloon is hun eigendom.
Moedwillig of door achteloosheid door gedetineerden tijdens de detentie aan ’s Rijks eigendommen toegebrachte schade kan zowel op de uitgaanskas als op het overige gedeelte van het arbeidsloon worden verhaald. Voor het overige is de uitgaanskas onvervreemdbaar en niet vatbaar voor beslag.
Artikel 28
De wijze waarop de uitgaanskas aan de gedetineerden na hun invrijheidstelling wordt uitgekeerd, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.
Artikel 29
De arbeidstijd wordt bij huishoudelijk regelement van de gestichten of afdelingen vastgesteld, zoveel mogelijk overeenkomstig die welke gebruikelijk is in het vrije bedrijf.
Artikel 30
De arbeid zal zoveel mogelijk mede dienstbaar worden gemaakt aan het onderhouden, vergroten of verwerven van vakbekwaamheid.
Hoofdstuk VII. Geestelijke verzorging
Artikel 31
Het behoort tot de taak van de direkteur te bevorderen, dat de gedetineerden de te hunnen behoeve gehouden godsdienstoefeningen en bezinningssamenkomsten kunnen bijwonen.
Artikel 32
De gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld godsdienstonderwijs te ontvangen.
Zij worden bovendien in de gelegenheid gesteld persoonlijk kontakt met geestelijke verzorgers te onderhouden.
Hoofdstuk VIIa. Medische verzorging
Artikel 32a
De gedetineerde wordt toegestaan zich door een aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger te laten onderzoeken en behandelen.
De gedetineerde wordt toegestaan om zich voor eigen rekening door een arts van zijn keuze te laten onderzoeken en behandelen.
De directeur draagt zorg dat de aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger:
- a. regelmatig beschikbaar is voor het houden van een spreekuur;
- b. op andere tijdstippen beschikbaar is, indien dit in het belang van de gezondheid van de gedetineerde noodzakelijk is;
- c. de gedetineerden die hiervoor in aanmerking komen onderzoekt op hun geschiktheid voor deelname aan arbeid, sport of een andere activiteit.
De directeur draagt zorg voor:
- a. de verstrekking van de door de aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger voorgeschreven medicijnen en diëten;
- b. de behandeling van de gedetineerde op aanwijzing van de aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger;
- c. de overbrenging van de gedetineerde naar een ziekenhuis dan wel een andere instelling, indien de onder b bedoelde behandeling aldaar plaatsvindt.
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden inzake het klagen over beslissingen die ten aanzien van gedetineerden zijn genomen door de aan het gesticht verbonden arts of diens plaatsvervanger.
Hoofdstuk VIII. Sociale verzorging
Artikel 33
Het behoort tot de taak van de direkteur de gedetineerden te helpen bij het zoeken naar een oplossing van de maatschappelijke moeilijkheden, die met het feit van hun detentie of met de omstandigheden, die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid, in verband staan.
Hoofdstuk IX. Ontwikkeling en ontspanning
Artikel 34
De gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de in het gesticht aanwezige mogelijkheden tot onderwijs, vorming en rekreatie.
Artikel 35
Aan gedetineerden, voor wie zulks wenselijk wordt geacht, wordt zoveel mogelijk aanvullend schoolonderricht gegeven.
Hoofdstuk X. Tucht, controle, geweldgebruik en maatregelen in verband met de veiligheid, orde en strafvordering
Artikel 36
In de gestichten of afdelingen van de gestichten kunnen door de direkteur, of bij zijn afwezigheid, belet of ontstentenis door zijn plaatsvervanger, de navolgende disciplinaire straffen worden opgelegd wegens het begaan van feiten, die onverenigbaar zijn met een goede orde en tucht:
- a. opsluiting in de strafcel;
- b. onthouding van bezoek, van het schrijven of ontvangen van brieven of beperking van andere rechten en gunsten;
- c. geldboete tot een bedrag van ten hoogste het zakgeld van de gedetineerde over twee weken;
- d. berisping.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.