Wet beginselen gevangeniswezen BES

Type Wet Bes
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk I. Algemene Bepalingen

Artikel 1

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:

Hoofdstuk II. Indeling der gestichten

Artikel 2

De gestichten of afdelingen van de gestichten worden onderscheiden in gevangenissen, huizen van bewaring en door Onze Minister aangewezen instellingen.

Artikel 3
1.

Onze Minister wijst de gestichten of afdelingen van gestichten aan, die bestemd zijn voor gevangenis, huis van bewaring en een door Onze Minister aangewezen instelling.

2.

Voor de opneming van vrouwelijke gedetineerden worden afzonderlijke gestichten of afdelingen van gestichten aangewezen.

3.

Onze Minister kan huizen van bewaring en in bijzondere gevallen andere gestichten aanwijzen, waarin zowel mannen als vrouwen worden opgenomen. In die gevallen worden mannen en vrouwen gescheiden ondergebracht.

Artikel 4
1.

In de gevangenissen wordt, behoudens het bepaalde in artikel 11 en het bepaalde in artikel 29 van het Wetboek van Strafrecht BES, uitsluitend de gevangenisstraf ten uitvoer gelegd.

2.

In bijzondere gevallen kan Onze Minister hechtenis en militaire detentie, vervangende hechtenis en militaire detentie daaronder begrepen, in een gevangenis ten uitvoer doen leggen.

Artikel 5
1.

De huizen van bewaring zijn bestemd:

2.

In de huizen van bewaring kunnen ook degenen worden opgenomen, die tot gevangenisstraf veroordeeld zijn en wier straftijd niet meer dan acht maanden bedraagt.

3.

Onze Minister kan, indien dit door een openbaar belang vereist wordt, bepalen dat veroordeelden in artikel 4 bedoeld, tijdelijk in een huis van bewaring worden opgenomen.

Artikel 6

De door Onze Minister aangewezen instellingen zijn bestemd tot opneming van:

Hoofdstuk III. Differentiatie der gevangenissen

Artikel 7

Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd zijn voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, die de leeftijd van eenentwintig jaren nog niet hebben bereikt.

Artikel 8

Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, niet in aanmerking komende voor plaatsing in een van de in artikel 7 genoemde afdelingen, wier werkelijke straftijd niet meer dan acht maanden bedraagt.

Artikel 9

Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, niet in aanmerking komende voor plaatsing in een* van de in artikel 7 bedoelde afdelingen, wier werkelijke straftijd meer dan acht maanden bedraagt.

Artikel 10

Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van mannelijke tot gevangenisstraf veroordeelden, die meer dan de helft van een opgelegde onvoorwaardelijke straf van tenminste drie jaren hebben doorgebracht in een andere afdeling van een gevangenis of huis van bewaring.

Artikel 11

Onze Minister wijst een of meer gevangenissen aan, waarvan afdelingen in het bijzonder bestemd worden voor de opneming van gedetineerden uit alle kategorieën, die tijdelijk een regime met intensieve persoonlijke begeleiding behoeven.

Artikel 12

Omtrent de wijze, waarop de tot gevangenisstraf veroordeelden over de verschillende gevangenissen worden verdeeld, worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen gegeven.

Hoofdstuk IV. Beheer en toezicht

Artikel 13

Het opperbeheer van de gestichten berust bij Onze Minister, die voor elk gesticht of elke afdeling daarvan een huishoudelijk reglement vaststelt.

Artikel 14

Het beheer van ieder gesticht berust bij de direkteur of een hoofd op wie het in deze wet omtrent de direkteur bepaalde van toepassing is.

Artikel 15

Het personeel van de gestichten wordt door Onze Minister benoemd, geschorst en ontslagen.

Artikel 16
1.

Bij ieder gesticht is een Commissie van Toezicht, waarvan de leden door Onze Minister worden benoemd en ontslagen.

2.

De Commissie van Toezicht heeft tot taak:

3.

De Commissie van Toezicht stelt zich door persoonlijk contact met de gedetineerden regelmatig op de hoogte van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als maandcommissaris.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de Commissie van Toezicht, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de maandcommissaris.

Hoofdstuk V. Regime

Artikel 17

Met handhaving van het karakter van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel, wordt de tenuitvoerlegging hiervan mede dienstbaar gemaakt aan de voorbereiding van de terugkeer van de gedetineerden in de maatschappij.

Artikel 18
1.

De onveroordeelden worden aan geen andere beperkingen onderworpen dan die welke voor het doel van hun opsluiting of in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in het gesticht noodzakelijk zijn.

2.

Hun regime wordt, naar de beginselen van deze wet, geregeld bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 19
1.

Onze Minister kan in de huishoudelijke reglementen van gestichten of afdelingen van gestichten bepalen, dat de bevolking door de direkteur in groepen zal worden ingedeeld.

2.

Het regime in de verschillende groepen kan verschillend zijn.

Artikel 20
1.

Onveroordeelden worden bij voorkeur niet met veroordeelde gedetineerden in een vertrek geplaatst.

2.

Mannelijke gedetineerden beneden de eenentwintig jaren worden bij voorkeur afgezonderd van de volwassen gedetineerden.

Artikel 21

Onverminderd het bepaalde in artikel 19, tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld met betrekking tot het toestaan van individuele voorrechten.

Artikel 22

De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een gesticht vindt plaats in algehele of in beperkte gemeenschap, dan wel in afzondering.

Artikel 23
1.

De tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel in een gesticht vindt als regel plaats in gemeenschap.

2.

De directeur kan de gedetineerde op zijn verzoek dan wel ambtshalve de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel in afzondering laten ondergaan indien de veiligheid, orde of goede gang van zaken in het gesticht daartoe, naar zijn oordeel, bepaaldelijk aanleiding geeft.

3.

Indien de directeur ambtshalve besluit de gedetineerde de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel in afzondering te laten ondergaan, dan wel indien hij een daartoe strekkend verzoek van de gedetineerde afwijst, geschiedt dat schriftelijk en met redenen omkleed. Daarbij wijst hij de gedetineerde op de mogelijkheid van beklag als bedoeld in artikel 40.

Hoofdstuk VI. Arbeid en arbeidsloon

Artikel 24
1.

De direkteur draagt zorg voor de beschikbaarheid van arbeid voor de gedetineerden, voor zover de aard van de detentie zich daartegen niet verzet.

2.

Volwassen gedetineerden die tot een vrijheidsstraf (vervangende hechtenis en militaire detentie daaronder begrepen) zijn veroordeeld zijn verplicht de hen opgedragen arbeid te verrichten.

3.

Onveroordeelden zijn niet tot arbeid verplicht. Indien zij verklaard hebben aan de arbeid te willen deelnemen, worden zij op gelijke voet als de in het tweede lid bedoelde gedetineerden daartoe in de gelegenheid gesteld.

Artikel 25

De arbeid zal zich bij voorkeur uitstrekken tot het verrichten van de huisdienst en tot het vervaardigen van voorwerpen voor de overheidsdienst en objecten van algemeen nut.

Artikel 26
1.

Het aan de gedetineerden toe te kennen arbeidsloon wordt door Onze Minister vastgesteld. Een deel daarvan wordt bestemd voor de uitgaanskas. Het overige deel blijft onder bewaring van de direkteur, doch staat ter beschikking van de gedetineerden volgens nader bij ministeriële regeling te stellen regelen.

2.

De onveroordeelden kunnen over het arbeidsloon beschikken volgens bij ministeriële regeling vast te stellen regels.

Artikel 27
1.

Het door de gedetineerden verdiende arbeidsloon is hun eigendom.

2.

Moedwillig of door achteloosheid door gedetineerden tijdens de detentie aan ’s Rijks eigendommen toegebrachte schade kan zowel op de uitgaanskas als op het overige gedeelte van het arbeidsloon worden verhaald. Voor het overige is de uitgaanskas onvervreemdbaar en niet vatbaar voor beslag.

Artikel 28

De wijze waarop de uitgaanskas aan de gedetineerden na hun invrijheidstelling wordt uitgekeerd, wordt bij of krachtens algemene maatregel van bestuur geregeld.

Artikel 29

De arbeidstijd wordt bij huishoudelijk regelement van de gestichten of afdelingen vastgesteld, zoveel mogelijk overeenkomstig die welke gebruikelijk is in het vrije bedrijf.

Artikel 30

De arbeid zal zoveel mogelijk mede dienstbaar worden gemaakt aan het onderhouden, vergroten of verwerven van vakbekwaamheid.

Hoofdstuk VII. Geestelijke verzorging

Artikel 31

Het behoort tot de taak van de direkteur te bevorderen, dat de gedetineerden de te hunnen behoeve gehouden godsdienstoefeningen en bezinningssamenkomsten kunnen bijwonen.

Artikel 32
1.

De gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld godsdienstonderwijs te ontvangen.

2.

Zij worden bovendien in de gelegenheid gesteld persoonlijk kontakt met geestelijke verzorgers te onderhouden.

Hoofdstuk VIIa. Medische verzorging

Artikel 32a
1.

De gedetineerde wordt toegestaan zich door een aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger te laten onderzoeken en behandelen.

2.

De gedetineerde wordt toegestaan om zich voor eigen rekening door een arts van zijn keuze te laten onderzoeken en behandelen.

3.

De directeur draagt zorg dat de aan het gesticht verbonden arts of diens vervanger:

4.

De directeur draagt zorg voor:

5.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels gesteld worden inzake het klagen over beslissingen die ten aanzien van gedetineerden zijn genomen door de aan het gesticht verbonden arts of diens plaatsvervanger.

Hoofdstuk VIII. Sociale verzorging

Artikel 33

Het behoort tot de taak van de direkteur de gedetineerden te helpen bij het zoeken naar een oplossing van de maatschappelijke moeilijkheden, die met het feit van hun detentie of met de omstandigheden, die tot het plegen van het strafbare feit hebben geleid, in verband staan.

Hoofdstuk IX. Ontwikkeling en ontspanning

Artikel 34

De gedetineerden worden in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van de in het gesticht aanwezige mogelijkheden tot onderwijs, vorming en rekreatie.

Artikel 35

Aan gedetineerden, voor wie zulks wenselijk wordt geacht, wordt zoveel mogelijk aanvullend schoolonderricht gegeven.

Hoofdstuk X. Tucht, controle, geweldgebruik en maatregelen in verband met de veiligheid, orde en strafvordering

Artikel 36
1.

In de gestichten of afdelingen van de gestichten kunnen door de direkteur, of bij zijn afwezigheid, belet of ontstentenis door zijn plaatsvervanger, de navolgende disciplinaire straffen worden opgelegd wegens het begaan van feiten, die onverenigbaar zijn met een goede orde en tucht:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.