Besluit toelating en uitzetting BES
Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen
§ 1. Definitiebepalingen
Artikel 1.1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. luchtvaartuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Luchtvaartwet;
- b. schip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet;
- c. vliegtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Luchtvaartwet;
- d. zeeschip: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, tweede lid, onder c, van de Scheepvaartverkeerswet;
- e. de Wet: de Wet toelating en uitzetting BES;
- f. herhaalde aanvraag: een aanvraag die met toepassing van artikel 8 van de Wet kan worden afgewezen;
- g. toerist: iedere vreemdeling die niet langer dan drie maanden in de openbare lichamen verblijft voor ontspanning, sport, gezondheidsredenen, familieaangelegenheden, studie, godsdienstige doeleinden of zakenbezoeken en die tijdens zijn verblijf in de openbare lichamen geen werkzaamheden tegen beloning verricht;
- h. vertegenwoordiging: diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van het Koninkrijk in het buitenland;
- i. vermissing: ieder geval waarin de houder niet meer de feitelijke beschikking heeft over een op zijn naam gesteld reisdocument of verblijfsdocument, anders dan door of ten behoeve van handelingen van een daartoe bevoegde autoriteit;
- j. minderjarigheid: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES.
Artikel 1.2
In dit besluit wordt verstaan onder reisvisum:
- a. een visum, verleend door de bevoegde autoriteiten van het Koninkrijk en aangebracht in het reisdocument, met het oog op doorreis of beoogd verblijf in de openbare lichamen van ten hoogste drie maanden; en
- b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald: een afzonderlijk verstrekt visum als bedoeld onder a.
In dit besluit wordt verstaan onder doorreisvisum:
- a. een visum, overeenkomstig het bepaalde onder «reisvisum» verleend voor een doorreis door internationale transitruimten, al dan niet met een oponthoud van ten hoogste vijf dagen in de openbare lichamen; en
- b. voorzover bij of krachtens dit besluit niet anders is bepaald: een afzonderlijk verstrekt doorreisvisum als bedoeld onder a.
Artikel 1.3
Onze Minister kan van zijn bevoegdheden mandaat verlenen aan de korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee.
De korpschef en de Commandant van de Koninklijke marechaussee kunnen ondermandaat verlenen aan de onder hen ressorterende ambtenaren voorzover dat in overeenstemming is met de taak en functie van de desbetreffende ambtenaar.
Hoofdstuk 2. Visa als instrumenten van het toelatingsbeleid
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1
Bij een besluit betreffende de machtiging tot voorlopig verblijf is het belang van de internationale betrekkingen in ieder geval betrokken, indien de aanvraag tot het verlenen van de machtiging tot voorlopig verblijf is ingediend door of ten behoeve van een persoon:
- a. aan wie krachtens verdrag of bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie reisbeperkingen zijn opgelegd;
- b. die op een signaleringslijst van een van de landen of van de staten die Partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte staat ter fine van weigering van de toegang;
- c. ter deelname aan in Nederland te voeren vredesbesprekingen;
- d. die behoort tot de hoge bestuursfunctionarissen van een vreemde mogendheid;
- e. met het oog op het functioneren van een in Nederland zetelende internationale instantie.
Artikel 2.2
De hoofden van de vertegenwoordigingen verstrekken periodiek ten minste de volgende gegevens aan Onze Minister:
- a. de wijze van behandeling van aanvragen omtrent een machtiging tot voorlopig verblijf;
- b. het aantal aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de naar aanleiding daarvan genomen besluiten en de verblijfsdoelen waarop de aanvragen betrekking hebben;
- c. het aantal en soort klachten betreffende de afdoening van de aanvragen, bedoeld onder a, alsmede de wijze van afdoening van de klachten;
- d. de gerealiseerde behandeltermijnen en de werkvoorraden.
§ 2. Procedurele bepalingen
Artikel 2.3
De aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt gedaan door het indienen van een formulier, waarvan het model door Onze Minister wordt vastgesteld.
De aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt in persoon ingediend bij Onze Minister.
Artikel 2.4
Indien de vreemdeling, hangende de besluitvorming op een eerdere aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf als bedoeld in artikel 2d van de Wet, wijziging van het gevraagde verblijfsdoel wenst, dient hij een nieuwe aanvraag in.
Artikel 2.5
De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder a, van de Wet, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging.
Bij de door een referent ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder b, van de Wet, legt de referent afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij op verzoek van Onze Minister de originelen over.
In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee naar het oordeel van Onze Minister wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit.
Artikel 2.6
De aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Wet anders voortvloeit of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, voor de vreemdeling gunstiger is.
Artikel 2.7
Een terugkeervisum wordt niet geweigerd op de in artikel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet bedoelde grond aan:
- a. de vreemdeling die naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij voor zakelijke doeleinden moet reizen;
- b. de hier te lande geboren vreemdeling, bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, ten behoeve van wie een aanvraag is gedaan tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, in geval beide ouders van rechtswege of bij vergunning zijn toegelaten of als Nederlander in de openbare lichamen verblijven;
- c. de vreemdeling die een positieve beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen, het verlengen van de geldigheidsduur of het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft ontvangen, maar nog in afwachting is van afgifte van het bijbehorende verblijfsdocument;
- d. de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, en de aanvraag tijdig of naar het oordeel van Onze Minister binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 5.38, eerste lid, is ontvangen.
§ 3. Verplichtingen in het kader van toezicht
Artikel 2.8
De vreemdeling of referent die, hangende de besluitvorming op de aanvraag, bedoeld in artikel 2d van de Wet, verandert van adres, woon- of verblijfplaats, meldt de verandering onmiddellijk bij de instantie waar de aanvraag is ingediend.
Artikel 2.9
De vreemdeling die na binnenkomst in de openbare lichamen niet langer voldoet aan de beperking waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf is verleend of een voorschrift dat aan de machtiging is verbonden, deelt dit onmiddellijk mee aan de korpschef.
De vreemdeling wiens geldig document voor grensoverschrijding of machtiging tot voorlopig verblijf na binnenkomst in de openbare lichamen vermist wordt, verloren is gegaan of ondeugdelijk is geworden voor identificatie, doet daarvan onmiddellijk in persoon aangifte bij de korpschef.
De in het eerste en tweede lid en artikel 2.5 omschreven verplichtingen rusten ten aanzien van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaren op de wettelijk vertegenwoordiger. Voor kinderen van twaalf jaren en ouder kan aan deze verplichtingen ook worden voldaan door de wettelijk vertegenwoordiger.
Artikel 2.10
De gegevens, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder b, van de Wet, worden op verzoek dan wel uit eigen beweging verstrekt aan Onze Minister indien dit noodzakelijk is met het oog op:
- a. het vaststellen van de identiteit van de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd;
- b. verificatie van de door de vreemdeling voor wie de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is bestemd verstrekte gegevens en documenten, bedoeld in artikel 2g, eerste lid, dan wel 2i, eerste lid, onder a, van de Wet;
- c. verificatie van naderhand gebleken feiten of omstandigheden die tot de conclusie kunnen leiden dat verlening van de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum onjuist was; of
- d. de beoordeling of aan de voorwaarden en beperkingen waaronder de machtiging tot voorlopig verblijf of het terugkeervisum is verleend, wordt voldaan.
Artikel 2.11
De medewerking, bedoeld in artikel 22h, eerste lid, onder c, van de Wet bestaat voor de toepassing van dit hoofdstuk uit:
- a. het op vordering van Onze Minister beschikbaar stellen van een goedgelijkende pasfoto;
- b. het zich laten fotograferen en het laten afnemen van vingerafdrukken, indien daartoe naar het oordeel van Onze Minister gegronde reden bestaat.
§ 4. Overige bepalingen
Artikel 2.12
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze van indiening en de behandeling van een aanvraag tot verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf dan wel een terugkeervisum, daaronder begrepen de wijze waarop beschikkingen, kennisgevingen, mededelingen of berichten ingevolge dit hoofdstuk aan de vreemdeling of de referent bekend worden gemaakt.
Hoofdstuk 3. Toegang
§ 1. Algemeen
Artikel 3.1
De weigering van de toegang geschiedt schriftelijk.
De toegang wordt geweigerd op grond van artikel 2r van de Wet, indien de vreemdeling het doel van het voorgenomen verblijf of de verblijfsomstandigheden onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dan wel ter staving daarvan onvoldoende documenten over heeft gelegd.
Artikel 3.2
De vervoerder, bedoeld in artikel 2q van de Wet, neemt afschrift van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding, indien hij de vreemdeling rechtstreeks dan wel na transfer of transit naar de openbare lichamen vervoert vanaf een luchthaven die is aangewezen bij ministeriële regeling.
De vervoerder neemt afschrift door het maken van een duidelijke en goed leesbare afbeelding van de pagina’s met de relevante gegevens van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling die hij vervoert. De vervoerder overhandigt het afschrift desgevraagd aan een ambtenaar belast met de grensbewaking, indien bij inreis in de openbare lichamen geen geldig document voor grensoverschrijding door de vreemdeling kan worden overgelegd.
Onder de relevante gegevens wordt in ieder geval verstaan:
- a. naam en voornaam of voornamen van de vreemdeling;
- b. geboortedatum van de vreemdeling;
- c. geboorteplaats van de vreemdeling;
- d. nationaliteit van de vreemdeling;
- e. plaats en datum van afgifte van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling, alsmede het nummer daarvan;
- f. geldigheidsduur van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling;
- g. plaats en datum van afgifte van het in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling aangebrachte visum voor de openbare lichamen dan wel het verblijfsdocument, alsmede de nummers daarvan;
- h. geldigheidsduur van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of verblijfsdocumenten, ook indien een visumverklaring is afgegeven, dan wel gebruik wordt gemaakt van niet in het document voor grensoverschrijding aangebrachte verblijfsdocumenten;
- i. plaats en datum van afgifte van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte visa of verblijfsdocumenten voor derde landen, welke noodzakelijk zijn voor de reis naar de openbare lichamen, dan wel voor het uiteindelijke land van bestemming, ook indien die visa dan wel verblijfsdocumenten niet in het document voor grensoverschrijding zijn aangebracht, maar afzonderlijk aan de vreemdeling zijn verstrekt;
- j. het meest recente uitreisstempel voorzover dit is aangebracht door de grensbewakingautoriteiten van het land waarin de luchthaven van vertrek gelegen is, en
- k. de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte foto.
De gegevens, bedoeld in het derde lid, onder g, worden ook vastgelegd indien een visumverklaring is afgegeven of het verblijfsdocument als afzonderlijk document is verstrekt.
De afbeelding van de in het document voor grensoverschrijding aangebrachte foto, bedoeld in het derde lid, onder k, dient van zodanige kwaliteit te zijn, dat deze goed tot de houder van het geldige document voor grensoverschrijding herleidbaar is.
De ambtenaar belast met de grensbewaking maakt de afbeelding definitief onbruikbaar, zodra de grensbewakingsbelangen dit toestaan.
Artikel 3.3
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.