Wet ambtenarenrechtspraak 1951 BES
Titel I. Algemene bepalingen
Artikel 1
Ambtenaar in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is degene die door het bevoegde gezag is aangesteld om in openbare dienst op Bonaire, Sint Eustatius of Saba werkzaam te zijn.
Tot de openbare dienst behoren alle diensten en bedrijven door de staat en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba beheerd, met inbegrip van het van overheidswege gegeven openbare onderwijs.
Niet zijn ambtenaren in de zin dezer wet:
- a. de bedienaren van de godsdienst en de godsdienstleraren;
- b. zij, met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.
Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder ambtenaren gewezen ambtenaren begrepen.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. hof van justitie: Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- b. openbaar lichaam: openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- c. woonplaats: woonplaats als bedoeld in het Burgerlijk Wetboek BES.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt niet onder ambtenaren verstaan:
- a. de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;
- b. krachtens de Grondwet of de wet voor het leven benoemde ambtenaren;
- c. de gezaghebber en de gedeputeerden.
Artikel 2a
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. de staat, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld:
- b. het openbaar lichaam, indien de ambtenaar in dienst van deze rechtspersoon is aangesteld.
- a. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor zover het de ambtenaren in dienst van de staat betreft;
- b. het bestuurscollege, voor zover het de ambtenaren in dienst van het openbare lichaam betreft, met inachtneming van sub c;
- c. de eilandsraad, voor zover de eilandgriffier en de op de griffie werkzame ambtenaren betreft.
Artikel 3
Over de beschikkingen, handelingen en weigeringen (om te beschikken of te handelen) ten aanzien van ambtenaren als zodanig, hun nagelaten betrekkingen en rechtverkrijgenden door een administratief orgaan genomen, verricht of uitgesproken, oordeelt bij uitsluiting in eerste aanleg het gerecht in ambtenarenzaken en in hoger beroep de raad van beroep in ambtenarenzaken.
Onder «gerecht» verstaan deze wet en de daarop berustende algemene maatregelen van bestuur en beschikkingen, het gerecht in ambtenarenzaken; onder "raad" de raad van beroep in ambtenarenzaken.
Artikel 4
Alle voorgeschreven kennisgevingen en oproepingen geschieden schriftelijk.
Ambtshalve toezending van stukken alsmede toezending van stukken vanwege partijen vinden plaats bij aangetekende brief.
Door de griffier van het gerecht onderscheidenlijk de raad wordt zo spoedig mogelijk na de ontvangst van een aangetekend stuk daarvan kennis gegeven aan de inzender.
Toezending bij aangetekende brief kan vervangen worden door terhandstelling tegen gedagtekend ontvangstbewijs:
- a. aan de griffier van het gerecht onderscheidenlijk de raad indien het geldt een stuk bestemd voor het gerecht onderscheidenlijk de raad;
- b. indien het betreft een stuk voor een natuurlijk persoon aan de geadresseerde in persoon of te zijnen woonhuize aan een van zijn huisgenoten, tenzij voor een bepaalde zaak een andere woonplaats gekozen is;
- c. indien het betreft een stuk voor een rechtspersoon of een administratief orgaan aan een van de leden van het bestuur in het gebouw waar het bestuur of het orgaan zitting of kantoor houdt, tenzij voor een bepaalde zaak een andere woonplaats gekozen is.
Bij twijfel, of enig door middel van de post verzonden geschrift tijdig is ingediend, wordt de dag van bezorgen ten postkantore en voor wat betreft de eilanden Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten (N.G.) de tiende dag na de bezorging ten postkantore beschouwd als de dag, waarop het geschrift is ontvangen.
Op aanvrage van de rechter in ambtenarenzaken onderscheidenlijk de raad geeft de administratie der posterijen schriftelijk inlichtingen omtrent het tijdstip in het vorig lid bedoeld.
Artikel 5
[vervallen]
Artikel 6
Indien een administratief orgaan dat een college is, als partij optreedt, wordt het door zijn voorzitter vertegenwoordigd.
Een college is evenwel bevoegd aan een zijner leden de vertegenwoordiging in bepaalde gedingen of bepaalde soorten van gedingen op te dragen.
Titel II. Het gerecht en de raad van beroep in ambtenarenzaken
Hoofdstuk Eerste. Het gerecht in ambtenarenzaken
§ 1. Samenstelling
Artikel 7
Het rechtsgebied van het gerecht in ambtenarenzaken strekt zich uit over het gehele gebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het gerecht is gevestigd in de zittingsplaats van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het gerecht kan ook elders zitting houden.
Artikel 8
Het gerecht bestaat uit een lid van het Hof van justitie als rechter in ambtenarenzaken en een ander lid van dat hof als rechter-plaatsvervanger.
Als griffier van het gerecht in ambtenarenzaken treedt op de ambtenaar die als griffier van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba dienst doet, of, voor zoveel nodig, de ambtenaren die deze vervangen.
Artikel 9
De rechter in ambtenarenzaken en de rechter-plaatsvervanger worden bij koninklijk besluit op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie benoemd voor een tijdvak van zes jaren en zijn bij hun aftreden terstond herbenoembaar.
Op hun verzoek wordt hun vóór het verstrijken van evengenoemd tijdvak bij koninklijk besluit op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie ontslag verleend.
Artikel 10
Een algemene maatregel van bestuur stelt voor het gerecht voorschriften vast omtrent:
- a. het geven van waarschuwingen wegens handelingen strijdig met de eer of de waardigheid van het ambt;
- b. het dienen van bericht en advies.
Wanneer de zaak, waaromtrent bericht en advies zijn gevraagd, aan de beslissing van het gerecht is onderworpen, of het te voorzien is, dat zulks zal geschieden, is het geven van eenvoudig bericht voldoende.
§ 2. Werkzaamheden
Artikel 11
Indien om enige reden de rechter of de plaatsvervanger die het onderzoek op de zitting verricht heeft, niet in staat is te beslissen, wordt de zaak opnieuw op de zitting behandeld.
Artikel 12
Het is de rechter en de plaatsvervanger verboden:
- a. hetgeen zij als zodanig te weten zijn gekomen verder bekend te maken dan voor de uitoefeningen van hun functie gevorderd wordt;
- b. over een voor hen aanhangig geding of een geding, dat, naar zij weten of vermoeden, voor hen aanhangig zal worden, zich in te laten in enig onderhoud of gesprek met partijen of hun raadslieden of van deze enige bijzondere onderrichting, memorie of schriftuur aan te nemen.
De in het vorige lid onder a. omschreven verbodsbepaling geldt ook voor de dienstdoende griffier.
Artikel 13
De rechter, de griffier of enig ander ambtenaar, die zich voor plaatselijk onderzoek of andere ingevolge deze wet te verrichten werkzaamheid begeeft buiten zijn woonplaats of buiten de plaats waar het gerecht is gevestigd, heeft aanspraak op vergoeding overeenkomstig de bepalingen van het tarief van gerechtskosten en salarissen in burgerlijke zaken.
§ 3. Wraking, verschoning en uitsluiting
Artikel 14
Vóór de aanvang van de behandeling ener zaak ter zitting kan door elke partij elke rechter die over de zaak zit, bij ondertekende akte worden gewraakt:
- a. indien hij partij in de zaak is of deel uitmaakt van het administratief orgaan dat partij in de zaak is;
- b. indien hij een rechtstreeks persoonlijk belang bij het geschil heeft;
- c. indien hij aan een der partijen in bloedverwantschap of in zwagerschap bestaat tot in de vierde graad ingesloten;
- d. indien, op zijn beklag of door zijn toedoen, binnen het jaar vóór de wraking, tegen een der partijen of derzelver echtgenoot of nabestaanden en aangehuwden in de rechte linie een vervolging wegens misdrijf heeft plaats gehad;
- e. indien hij een schriftelijk advies in de zaak gegeven heeft;
- f. indien hij, hangende het geding, van iemand, die bij de zaak belang heeft, geschenken heeft ontvangen of geschenken hem zijn beloofd en hij deze belofte heeft aangenomen;
- g. indien hij, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie, een verschil over een gelijksoortig onderwerp hebben als hetwelk tussen partijen in geschil is;
- h. indien een burgerlijk rechtsgeding tussen hem, zijn echtgenoot, hun bloedverwanten of aangehuwden in de rechte linie, en een der partijen hangende is;
- i. indien hij voogd, toeziende voogd, curator of toeziende curator, vermoedelijk erfgenaam of begiftigde is van een der partijen, of indien een der partijen zijn vermoedelijk erfgenaam is;
- k. indien een hoge graad van vijandschap bestaat tussen hem en een der partijen;
- l. indien tussen hem en een der partijen sedert de aanleg van het geding of binnen zes maanden vóór de behandeling der zaak ter zitting, beledigingen of bedreigingen hebben plaats gehad.
In de gevallen in lid 1 genoemd kan elke rechter zich verschonen.
Artikel 15
Indien de gewraakte rechter de reden van wraking als juist erkent, moet hij zich van de zaak onthouden.
Indien hij in de wraking niet berust, vraagt hij zo spoedig mogelijk de beslissing van de raad van beroep, onder overlegging van de desbetreffende akte van wraking, alsmede van zijn schriftelijk antwoord daarop.
Artikel 16
De redenen waarom een rechter gewraakt kan worden gelden ook voor de dienstdoende griffier.
Bij wraking of vermeende reden van verschoning van de griffier beslist de rechter in hoogste ressort.
Hoofdstuk Tweede. De raad van beroep
§ 1. Samenstelling
Artikel 17
Het rechtsgebied van de Raad van beroep strekt zich uit over het gehele gebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
De raad is gevestigd in de zittingsplaats van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Het gerecht kan ook elders zitting houden.
Artikel 18
De raad is samengesteld uit de voorzitter van het hof van justitie of het lid van het hof, hetwelk hem als zodanig vervangt, als ambtshalve lid tevens voorzitter en twee leden, benevens drie leden-plaatsvervangers.
Tenzij het tegendeel blijkt, zijn in deze wet onder leden van de raad leden-plaatsvervangers begrepen.
Als griffier van de raad treedt op de griffier of substituut-griffier van het hof van justitie of voor zoveel nodig de ambtenaren die deze vervangen.
Artikel 19
De leden en de leden-plaatsvervangers van de raad worden bij koninklijk besluit op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie benoemd voor een tijdvak van zes jaren en zijn bij hun aftreden terstond herbenoembaar.
Op hun verzoek wordt hun voor het verstrijken van evengenoemd tijdvak bij koninklijk besluit op gezamenlijke voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Onze Minister van Justitie ontslag verleend.
Artikel 20
Benoembaar tot lid is iedere Nederlander, die woonplaats heeft in het Caribische deel van het Koninkrijk.
Niet benoembaar zijn echter:
- a. de rechter en de rechter-plaatsvervanger in ambtenarenzaken;
- b. de actief dienende of op nonactiviteit gestelde ambtenaren, alsmede hun echtgenoten, met uitzondering evenwel van de voor het leven benoemde ambtenaren;
- c. zij, die deel uitmaken van het bestuur of in dienst zijn van een vereniging van ambtenaren. Onder vereniging van ambtenaren is voor de toepassing van deze bepaling een verband van verenigingen en een onderdeel van een vereniging begrepen.
Indien ten aanzien van een lid of plaatsvervangend lid zich na zijn benoeming een van de gevallen genoemd in lid 2 van dit artikel voordoet, houdt hij op lid of plaatsvervangend lid te zijn.
Artikel 21
Ingeval van gelijktijdige benoeming geldt als oudst benoemde het lid, wiens naam in de benoemingsbeschikking het eerst is vermeld en zo vervolgens. Heeft de benoeming plaats gehad bij verschillende beschikkingen van gelijke datum, dan wordt de laagst genummerde beschikking geacht het eerst te zijn genomen en zo vervolgens.
Artikel 22
Een algemene maatregel van bestuur, stelt voor de raad voorschriften vast omtrent:
- a. de wijze van beëdiging van de benoemde leden;
- b. de verboden bloed- en aanverwantschap tussen hen die voor de behandeling van een geding zitting nemen onderling en tussen deze en de dienstdoende griffier;
- c. het geven van waarschuwingen aan de leden wegens handelingen strijdig met de eer of de waardigheid van hun ambt;
- d. het dienen van bericht en advies.
Wanneer de zaak, waaromtrent bericht en advies zijn gevraagd, aan de beslissing van de raad is onderworpen, of het te voorzien is, dat zulks zal geschieden, is het geven van eenvoudig bericht voldoende.
Artikel 23
De benoemde leden van de raad kunnen door het hof van justitie bij met redenen omklede beschikking, worden ontslagen:
- a. wanneer zij bij onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak wegens misdrijf tot gevangenisstraf of hechtenis zijn veroordeeld;
- b. wegens wangedrag of onzedelijkheid of bij herhaaldelijk gebleken achteloosheid in de uitoefening hunner functie;
- c. wegens het plegen van in artikel 29 verboden handelingen.
Zij worden door het hof van justitie bij met redenen omklede beschikken ontslagen:
- a. bij gebleken ongeschiktheid door ouderdom, door aanhoudende lichaamsziekte of tengevolge van zielsziekte, of bij het verlies van de hoedanigheid van Nederlands onderdaan;
- b. indien zij hun woonplaats overbrengen buiten het rechtsgebied van de raad;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.