Arbeidsveiligheidsbesluit I BES
Hoofdstuk I. De dagverlichting
Artikel 1
Een werklokaal moet voldoende door daglicht zijn verlicht, tenzij de aard van het werk er zich tegen verzet.
Artikel 2
Een werklokaal zal door daglicht onvoldoende verlicht worden geacht, indien daar niet boven het omliggend terrein gelegen lichtopeningen zijn aangebracht welke direct daglicht toelaten en een gezamenlijk oppervlak hebben van tenminste 1/10 van het vloeroppervlak van het werklokaal, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet of bijzondere omstandigheden of inrichtingen een voldoende dagverlichting waarborgen ter plaatse waar gewerkt wordt.
Artikel 3
Het bepaalde in artikel 2 geldt niet ten aanzien van projecteercellen van bioscopen en werklokalen van baggermolens, grind- of zandzuigers.
Artikel 4
In een werklokaal moet ter plaatse waar arbeid wordt verricht het rechtstreeks invallende zonlicht kunnen worden afgesloten.
Artikel 5
Privaten, urinoirs, trappen en gangen moeten zo mogelijk door daglicht zijn verlicht.
Hoofdstuk II. Het verkrijgen van voldoende en doelmatige verlichting door kunstlicht
Artikel 6
Een plaats waar werkzaamheden worden verricht, moet zonodig voldoende en doelmatig door kunstverlichting zijn verlicht.
De kunstverlichting moet zijn aangepast aan de aard van het werk. De verlichtingssterkte moet voldoende zijn voor de te verrichten werkzaamheden.
Een lichtbron moet zodanig geplaatst en ingericht zijn, dat het licht de arbeider direct of indirect tijdens de arbeid niet hinderlijk in de ogen schijnt.
Artikel 7
Zolang arbeiders, met uitzondering van dezulken die met toezicht of bewaking zijn belast, op het werk aanwezig zijn, moeten de privaten, urinoirs, gangen, trappen, fabrieksterreinen en overige gedeelten zodanig zijn verlicht, dat veilig verkeer en verblijf aldaar voldoende is gewaarborgd.
Artikel 8
Waar meer dan 100 arbeiders in één gebouw plegen te verblijven en de kunstverlichting door middel van electriciteit plaats heeft, moeten, zolang de bedrijfsarbeid geheel of gedeeltelijk met behulp van kunstlicht wordt uitgeoefend, zulke maatregelen zijn getroffen dat bij enige stoornis in de lichtvoorzieningen een voldoende noodverlichting is gewaarborgd bij de uitgangen der werklokalen en op de trappen, gangen en portalen, welke bij het verlaten van het gebouw gebruikt moeten worden.
Hoofdstuk III. Bevorderen van zindelijkheid
Artikel 9
Werklokalen met aanhorigheden, zoals ruimten voor klederberging, kleedkamers, schaftlokalen en nachtverblijven, moeten vrij van grond- en rioolwater, zindelijk en zoveel mogelijk vrij van stof worden gehouden, alsmede van schadelijke insecten en knaagdieren.
Artikel 10
Privaten, urinoirs en badcellen moeten te allen tijde in een zindelijke toestand worden gehouden. Zij dienen dagelijks tenminste eenmaal gereinigd en gedesinfecteerd te worden.
Artikel 11
De wanden en de zoldering van een werklokaal en de aanhorigheden daarvan moeten tenminste eenmaal in de 12 maanden behoorlijk worden gewit, afgewassen of op andere wijze gereinigd.
Artikel 12
Een werklokaal moet van een doelmatige vloer zijn voorzien.
In een werklokaal, waarin voor de arbeid veel water wordt gebruikt, moet de vloer zodanig zijn ingericht, dat het water behoorlijk kan aflopen.
Artikel 13
De vloer van een werklokaal moet worden geschrobd en gedweild, telkens binnen de tijd, die voor het onderhouden ener behoorlijke zindelijkheid nodig blijkt. Indien de aard van het bedrijf of de samenstelling van de vloer zich tegen schrobben of dweilen verzet, moet de vloer op een andere doelmatige wijze voldoende worden gereinigd.
Artikel 14
Het bij de arbeid ontstane afval moet spoedig en op doelmatige wijze worden verwijderd.
Artikel 15
Waar arbeiders aan grote warmte, stof, stank of vuil zijn blootgesteld, moeten voor die arbeiders, naar seksen gescheiden, binnenshuis doelmatig gelegen en ingerichte wasgelegenheden beschikbaar zijn.
Het aantal beschikbare wasgelegenheden moet bedragen tenminste één op elke tien of minder arbeiders, die gelijktijdige rust- en schafttijden hebben, wanneer het stof of vuil niet van vergiftigde aard en gemakkelijk te verwijderen is en in de andere gevallen tenminste één op elke vijf of minder dier arbeiders.
Artikel 16
Op elke was- en badplaats moet schoon water kunnen toevloeien in voldoende hoeveelheid. Het gebruikte water moet kunnen wegvloeien. Voor elke wasplaats moeten zeep en schone handdoeken en, zonodig, nagelborstels in voldoende hoeveelheid beschikbaar zijn.
Artikel 17
Waar arbeiders door de aard van hun arbeid lichaamsreiniging van meer omvang dan alleen van hoofd, handen en voeten behoeven, moeten voor die arbeiders doelmatig gelegen en ingerichte badgelegenheden in voldoend aantal, doch tenminste één voor elke twintig of minder van deze arbeiders, beschikbaar zijn. Het aantal badgelegenheden kan in mindering worden gebracht van het aantal wasplaatsen, zoals bedoeld in artikel 15.
Artikel 18
Deze badcellen en wasgelegenheden moeten gedurende een voor een behoorlijk gebruik voldoende tijd voor de arbeiders toegankelijk en behoorlijk bruikbaar zijn. Waar de bad- en wasgelegenheden zich in een afzonderlijke ruimte bevinden, mag deze in de hierboven bedoelde tijd niet anders zijn afgesloten dan met een sluiting, die voor iedere arbeider te openen is.
Artikel 19
Een arbeider, die werkzaamheden verricht waarbij zijn klederen of hoofdhaar blootstaan aan sterke verontreiniging, moet de beschikking worden gegeven over een op afdoende wijze regelmatig gereinigd, doelmatig overkleed en hoofdbedekking, die door hem bij die werkzaamheden moeten worden gedragen.
Hoofdstuk IV. De privaten en urinoirs
Artikel 20
Waar arbeid verricht wordt moeten tenminste een privaat en een voldoend aantal urinoirs aanwezig zijn.
Artikel 21
Waar tien of meer personen van beiderlei kunne arbeid verrichten, moeten de privaten naar seksen gescheiden en van een duidelijk opschrift, aanduidende de sekse waarvoor zij bestemd zijn, voorzien zijn. De toegangen tot voor verschillende seksen bestemde privaten moeten zich zo mogelijk niet in elkaars nabijheid bevinden.
Artikel 22
De privaten en urinoirs moeten zodanig zijn geplaatst en worden onderhouden, dat zij voor alle arbeidende personen voor wie zij bestemd zijn, gedurende hun arbeid behoorlijk te bereiken en te gebruiken zijn.
Artikel 23
Voor arbeiders, die geregeld in zeer warme lokalen arbeid verrichten of aan grote warmte zijn blootgesteld, moeten de privaten en urinoirs tochtvrij zijn en binnendoor te bereiken.
Artikel 24
Ieder privaat of urinoir moet doelmatig ingericht zijn, goed rein kunnen worden gehouden en voldoende zijn geventileerd. Een privaat moet overdekt zijn en zodanig zijn afgesloten, dat het bij gebruik behoorlijke afzondering waarborgt.
Artikel 25
De privaten en urinoirs moeten zodanig op de buitenlucht geventileerd zijn, dat geen stank in de werklokalen, schaftlokalen of nachtverblijven waarneembaar is.
Artikel 26
Onder een privaat wordt uitsluitend verstaan een watercloset, voorzien van een goed werkende doorspoelinrichting, waarbij een voldoend krachtige waterstroom toevloeit, welke telkens de faecaliën uit de trechter wegspoelt en waarbij de afvoerpijp zodanig is gevormd, dat daarin water blijft staan, hetwelk een afsluiting tegen stank vormt.
Artikel 27
Waar arbeid wordt verricht, moet het aantal voor de arbeiders beschikbare privaten en urinoirs bedragen:
- 1e. tenminste één privaat voor elke vijftien of minder vrouwelijke personen;
- 2e. tenminste één privaat en één urinoir voor elke vijf en twintig of minder mannelijke personen;
- 3e. één privaat voor tien of minder mannelijke personen.
Hoofdstuk V. Kleedkamers, klederbergplaatsen, schaftgelegenheden en de verblijfplaatsen waar, uit hoofde van de wijze van bedrijfsuitoefening of de plaats waar het bedrijf wordt uitgeoefend, de arbeiders de nacht moeten doorbrengen
Artikel 28
Waar personen in schadelijke lokalen werkzaamheden verrichten, moeten voor gebruik als kleedkamer doelmatig gelegen, door een opschrift aangewezen ruimten aanwezig zijn. Deze ruimten moeten doelmatig zijn ingericht voor berging van klederen, welke de in deze lokalen werkende arbeiders afleggen, verwisselen of bij hun arbeid dragen; zij mogen geen deel uitmaken van werklokalen, noch van schaftlokalen en moeten goed geventileerd en naar seksen gescheiden zijn.
Voor de kleren, die bij de arbeid in het eerste lid bedoeld, zijn gedragen, moeten opzettelijk daartoe aangewezen bergplaatsen beschikbaar zijn, gescheiden van de bergplaatsen der overige klederen.
Artikel 29
Onverminderd het bepaalde in artikel 28 moeten daar waar mannen en vrouwen arbeiden die voor en na hun arbeid van kleren verwisselen en gezamenlijk in werklokalen werken, alsmede daar waar vijf en twintig of meer personen arbeiden, voor gebruik als kleedkamer doelmatig gelegen, door een opschrift aangewezen ruimten aanwezig zijn. Deze ruimten moeten doelmatig zijn ingericht voor berging van klederen, welke de arbeiders afleggen, verwisselen of bij hun arbeid dragen; zij mogen geen deel uitmaken van werklokalen, noch van schaftlokalen en moeten goed geventileerd en naar seksen zijn gescheiden.
Artikel 30
Onverminderd het bepaalde in artikel 28 moeten daar waar minder dan vijf en twintig personen arbeiden, doelmatig ingerichte klederbergplaatsen beschikbaar zijn, bestemd voor berging van de klederen, welke de arbeiders afleggen en/of verwisselen of bij hun arbeid dragen.
Deze klederbergplaatsen mogen geen deel uitmaken van schadelijke werklokalen.
Artikel 31
Voor een arbeider, werkzaam in een schadelijk werklokaal, moet, indien zulk een werklokaal deel uitmaakt van een plaats waar tien of meer personen plegen te arbeiden, tot het doorbrengen van de schafttijd en tot het nuttigen van voedsel, als schaftgelegenheid, een doelmatig, behoorlijk ingericht, verlicht en geventileerd, zindelijk gehouden schaftlokaal beschikbaar zijn. Zulk een schaftlokaal mag niet in open verbinding staan met een schadelijk werklokaal.
Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing waar tien of meer personen werkzaam zijn, die een rusttijd hebben van meer dan een half uur en niet in de gelegenheid zijn, zich gedurende die rusttijd naar huis te begeven.
Een schaftlokaal, als in dit artikel bedoeld, moet voor het aantal personen, dat gelijktijdig schafttijd heeft, een vloeroppervlakte hebben van tenminste 1.25 m2 per persoon. De hoogte moet tenminste 2.50 m bedragen. Een schaftlokaal moet behoorlijke zitgelegenheden bevatten voor alle personen, die daarvan tegelijkertijd gebruik maken.
Een schaftlokaal mag niet als werklokaal, bergplaats of slaapplaats worden gebruikt.
Artikel 32
Waar artikel 31 niet van toepassing is, moet, indien in de werklokalen hiertoe geen behoorlijke gelegenheid wordt geboden, voor een arbeider, die een rusttijd heeft van een half uur of langer en niet in de gelegenheid is zich gedurende die rusttijd naar huis te begeven, een behoorlijke schaftgelegenheid beschikbaar zijn.
Een behoorlijke schaftgelegenheid wordt geacht beschikbaar te zijn, indien een lokaliteit ter beschikking is, waarin voor de personen, als bedoeld in het eerste lid, een tafel en behoorlijke zitgelegenheden aanwezig zijn. Deze lokaliteit mag niet als een schadelijk werklokaal worden gebruikt.
Artikel 33
De bepalingen vervat in de artikelen 31 en 32 zijn niet van toepassing, indien en voorzover de regeling der werktijden, de duur van de schafttijden of andere omstandigheden van plaatselijke aard het mogelijk maken, dat de arbeiders de schafttijden doorbrengen in hun woning of in een andere doelmatige lokaliteit, waar geen sterke drank verstrekt wordt en welke voor hen kosteloos en zonder verplichting tot het maken van vertering toegankelijk is.
Artikel 34
Waar arbeiders werkzaam zijn, die in verband met de ligging van het werk, gedurende de tijdsruimte tussen het einde en het begin van de dagelijkse werktijd, aldaar plegen te verblijven, moeten voor hen nachtverblijven beschikbaar zijn.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing daar waar arbeiders werkzaam zijn die in verband met de uitoefening van het bedrijf tussen 22.00 uur en 07.00 uur ten minste vier uren aanwezig moeten zijn, en die niet doorlopend arbeid verrichten of geen vastgestelde rusttijden hebben.
Artikel 35
Een nachtverblijf als in artikel 34 bedoeld moet een gemiddelde hoogte van tenminste 2.50 m hebben.
Een nachtverblijf moet zijn voorzien van in de buitenlucht uitkomende ramen, die zodanig kunnen worden geopend, dat de gezamenlijke doorlaatopening niet minder dan 1/25 van de vloeroppervlakte en in geen geval minder dan 1.00 m2 bedraagt; het gezamenlijke lichtoppervlak der ramen moet tenminste 1/30 van het vloeroppervlak bedragen.
Een nachtverblijf mag voor geen ander doel worden gebezigd en moet van een werklokaal geheel zijn afgescheiden door dichte wanden, vloer en zoldering, behoudens de voor de toegang dienende deuren. Een nachtverblijf mag niet in directe verbinding staan met een schadelijk werklokaal, noch deel uitmaken van een schaftlokaal.
Een nachtverblijf, waarin geen buitendeur aanwezig is, moet behalve de voor gewoon gebruik dienende toegang of uitgang, nog een uitgang hebben, die gelegenheid biedt tot ontkoming.
Artikel 36
In een nachtverblijf als in artikel 34 bedoeld, moet voor iedere in dat artikel bedoelde persoon een behoorlijk ingerichte slaapplaats aanwezig zijn van tenminste 1.90 m lang en 0.75 m breed, welke tenminste 0.50 m boven de vloer is gelegen. De ruimte onder deze slaapplaats moet behoorlijk kunnen worden gereinigd. Bij elke slaapplaats moet tenminste aan een lange zijde een gangpad van tenminste 0.50 m breed zijn.
Artikel 37
Indien een nachtverblijf, als in artikel 34 bedoeld, bestemd is voor meer dan één persoon, moeten de slaapplaatsen onderling door tenminste 0.80 m hoge schotten zijn gescheiden. Het gangpad tussen twee rijen slaapplaatsen moet tenminste 1.50 m breed zijn.
Slaapplaatsen mogen niet boven elkaar zijn aangebracht.
Een nachtverblijf mag uitsluitend dienen voor personen van gelijk geslacht ten getale van ten hoogste 20.
Artikel 38
Onder schadelijke werklokalen wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan: werklokalen waar ten gevolge van de uitoefening van het bedrijf vergiftiging, besmetting, gevaar of schade door gassen, dampen of stof dan wel een temperatuur hoger dan 5° Celsius boven de temperatuur van de buitenlucht kan worden veroorzaakt.
Hoofdstuk VI. Bevorderen van voldoende luchtverversing en beschutting tegen regen en zon
Artikel 39
De daken, wanden, ramen en toegangen van een werklokaal moeten, tenzij de aard van het bedrijf zich daartegen verzet, zodanig zijn ingericht en worden onderhouden, dat de daarin verblijvende arbeiders beschut zijn tegen de nadelige invloeden van de weersgesteldheid.
Artikel 40
De te warme lucht moet, voor zover de aard van het bedrijf zulks toelaat, doelmatig worden afgevoerd.
Artikel 41
Hinderlijke warmteuitstraling moet zo mogelijk op doelmatige wijze door de bekleding der warmteuitstralende voorwerpen of door warmtekerende schermen zijn tegengegaan.
Artikel 42
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.