Arbeidsveiligheidsbesluit II BES
Hoofdstuk 1. Steigerwerk
Noodzaak van veilig arbeiden
Artikel 1
Het vervoer en het plaatsen van materialen en onderdelen van bouwwerken moet geschieden op zodanige wijze, dat de arbeiders zoveel mogelijk zijn beschermd tegen elk gevaar.
Noodzaak van steigerwerk
Artikel 2
Doelmatig, voldoende en veilig steigerwerk moet voor de arbeiders op het werk beschikbaar zijn voor alle arbeid, welke niet veilig kan worden uitgevoerd met andere hiertoe geëigende middelen.
Een steiger mag niet worden opgebouwd, afgebroken of belangrijk gewijzigd dan onder toezicht van een bekwaam en verantwoordelijk persoon en zoveel mogelijk door bekwame arbeiders die voldoende met deze arbeid zijn vertrouwd.
Kwaliteit van de materialen
Artikel 3
Alle steigers met toebehoren en alle ladders moeten zijn vervaardigd van deugdelijke materialen en voldoende sterk zijn in verband met de belasting en spanning waaraan zij zullen worden onderworpen.
Het hout dat gebruikt wordt voor steigers, gaanderijen, bordessen, loopplanken en ladders moet van goede kwaliteit zijn, moet rechtdradig zijn, moet de vezels in de langsrichting hebben, moet in goede staat van onderhoud verkeren en mag niet zijn geverfd of behandeld op een wijze die gebreken zou kunnen verbergen.
Rondhout dat gebruikt wordt voor steigerwerk moet geheel ontdaan zijn van bast en schors.
Waar nodig moeten stellingplanken en stellinghout beschermd worden tegen inscheuren.
Metalen delen van steigers mogen geen scheuren vertonen en moeten vrij zijn van corrosie of enig ander gebrek waardoor de sterkte mogelijk wordt aangetast.
Gietijzeren spijkers mogen niet worden gebruikt.
Stalen buizen moeten over de gehele lengte rond zijn, op het oog recht en niet vervormd. De buizen moeten loodrecht op de lengterichting zijn afgesneden; de einden van de buizen moeten glad en afgebraamd zijn. De buizen moeten vrij zijn van scheuren, indeukingen en andere gebreken; zij mogen niet koud zijn vervormd.
Toezicht en opslag van material
Artikel 4
De onderdelen van een steiger, met inbegrip van hefwerktuigen, touwen en staaldraad, moeten telkens voor het opbouwen door een ervaren persoon worden nagekeken en mogen slechts worden gebruikt, indien zij in ieder opzicht voldoen aan de voor hun doel te stellen eisen.
Steigertouwen moeten een lengte hebben van tenminste 5 m; de middellijn moet tenminste 10 mm bedragen. Tegen uitrafelen moeten voorzieningen zijn getroffen.
Touw dat in aanraking is geweest met zuren of andere bijtende stoffen of dat gebreken heeft, mag niet worden gebruikt.
Wanneer als verbindingsmiddel gebruik wordt gemaakt van een U-vormige stalen beugel, dan moet deze zijn vervaardigd van tenminste 12 mm rondstaal. De klemplaat moet zijn vervaardigd van 12 mm dikke staalplaat met een breedte van tenminste 40 mm. Andere afmetingen van beugel en plaat zijn afhankelijk van de maten van de palen, welke tussen beugel en plaat worden geklemd.
Al het materiaal dat wordt gebruikt bij het opbouwen van steigers moet goed worden bewaard en afgescheiden zijn van ander materiaal dat ongeschikt is voor steigerwerk.
Het ter beschikking stellen en gebruik van steigermateriaal en het onderhoud van steigers
Artikel 5
Voldoende materiaal moet beschikbaar zijn en gebruikt worden bij het opbouwen van steigerwerk.
Een steiger moet in goede staat gehouden worden en elk deel moet zodanig geborgd of vastgemaakt zijn dat geen onderdeel zich kan verplaatsen ten gevolge van normaal gebruik.
Een steiger mag niet gedeeltelijk afgebroken en achtergelaten worden zodat het gebruik ervan mogelijk is, tenzij het achtergelaten gedeelte blijft voldoen aan de voorschriften.
Staande steigers van rondhout en van gezaagd hout
Artikel 6
Staanders van rondhout of van gezaagd hout moeten:
- a. verticaal of weinig hellend naar het gebouw zijn opgesteld.
- b. voldoende dicht bij elkaar zijn bevestigd om de stabiliteit van de steiger onder alle omstandigheden te verzekeren.
Tussen staanders moeten bij een gemiddelde belasting van niet meer dan 300 kg/m2 tussen twee staanders, de navolgende afstanden worden in acht genomen:
- a. Indien geen vervoer met wagens daarop plaats vindt:
- –. bij een werkvloerhoogte niet hoger dan 5 m: hart op hart max. 2.50 m;
- –. bij een werkvloerhoogte hoger dan 5 m: hart op hart max. 2.30 m.
- b. Indien vervoer met wagens daarop plaats vindt: ongeacht de werkvloerhoogte: hart op hart max. 2.00 m.
Indien door bijzondere omstandigheden een grotere afstand noodzakelijk is, kan deze worden toegelaten, mits de steiger ter plaatse voldoende wordt versterkt.
De stabiliteit van houten staanders moet verzekerd worden op een der navolgende wijzen:
- a. door de staander voldoende diep in de grond te laten zakken, al naar gelang de grondsoort;
- b. door de staander te laten rusten op een geschikte plank of een andere doelmatige grondplaat zodanig dat afglijding wordt voorkomen;
- c. op een andere doelmatige wijze.
Indien twee steigers op een hoek van een bouwwerk bij elkaar komen, moet op de hoek aan de buitenkant van de steigers een staander worden geplaatst.
De staanders van een steiger, die een werkvloer heeft op meer dan 3.50 m hoogte, mogen niet bestaan uit gezaagd hout.
Rondhouten staanders, oplangers, scheerhouten en onderbinders moeten recht zijn en de omtrek, gemeten aan de top moet tenminste 25 cm (middellijn 8 cm) en, gemeten midden tussen de top en 1 m boven het worteleinde tenminste 32 cm (middellijn 10 cm) bedragen.
Rondhouten oplangers (met uitzondering van het tophout) moeten een lengte hebben van tenminste 8 m. Een oplanger moet tenminste 2.50 m samengaan met de paal, waaraan hij wordt verbonden en tenminste op twee plaatsen, op een onderlinge afstand van tenminste 1.50 m met touw of andere doelmatige verbindingsmiddelen daaraan zijn bevestigd. Bij gebruik van touw voor bevestiging van de oplanger aan de paal moet de bovenste verbinding uit tenminste zes slagen bestaan en elke lager gelegen verbinding telkens uit tenminste twee slagen meer. De windingen moeten met houten pluggen goed zijn gespannen. Het worteleinde van de oplanger moet rusten op een goed bevestigde klos. Oplanglassen van twee opeenvolgende staanders mogen niet tussen dezelfde scheerhouten zijn gelegen. Staanders, welke tweemaal moeten worden opgetopt, mogen niet uit enkele palen bestaan. De staanders en optoppers, welke zich daaronder bevinden, moeten bestaan uit twee naast en tegen elkander geplaatste palen. Het worteleinde van de oplanger moet rusten op de top van de daaronder staande paal. De afstand van de topeinden van twee tegen elkaar geplaatste palen moet tenminste 2.50 m bedragen.
Staanders van gezaagd hout moeten uit één stuk bestaan.
Scheerhouten (schakels, aanbinders) moeten horizontaal en voldoende stevig bevestigd zijn aan de binnenzijde van de staanders door middel van bouten (beugels), klemhaken, touw of op een andere doeltreffende wijze.
Indien een scheerhout een werkvloer draagt, moet onder de verbinding van het scheerhout aan elke staander een klos zijn aangebracht, tenzij een verbindingsmiddel wordt gebruikt, dat het aanbrengen van klossen overbodig maakt. Indien rondhouten staanders worden gebruikt dient gebruik te worden gemaakt van z.g. Rotterdamse klossen. De afmetingen van de klos zijn 30 x 10 x 10 cm. De bevestiging geschiedt door middel van een staaldraad 6 met een lengte van 1700 mm welke aan de klos vastgemaakt wordt door middel van een moerbout 3/4" met een lengte van 160 mm. De klossen moeten zijn aangebracht voordat de steigervloer in gebruik wordt genomen.
Wanneer een scheerhout wordt verlengd, moeten de einden tenminste 1 m samengaan.
De onderlinge afstand van de scheerhouten en de afstand van het onderste scheerhout tot de begane grond mogen niet meer dan 3.50 m bedragen.
Kortelingen moeten recht zijn en stevig aan de scheerhouten zijn bevestigd.
Als er geen scheerhouten gebruikt worden, moeten de kortelingen worden vastgemaakt aan de staanders en gedragen worden door stevig vastgemaakte klossen.
Kortelingen moeten onder een geringe helling naar het bouwwerk zijn gelegd en moeten tenminste 10 cm buiten de scheerhouten uitsteken.
Kortelingen welke met een eind op een muur rusten moeten aan dat eind vlakke, dragende oppervlakken hebben van tenminste 10 cm lengte.
De afmetingen van de kortelingen moeten in verhouding zijn tot de door hen te dragen lasten.
De afstand tussen twee opeenvolgende kortelingen waarop de werkvloer rust moet vastgesteld worden rekening houdende met de te verwachten lasten en het soort werkvloer.
In het algemeen mag deze afstand niet groter zijn dan 1 m met planken minder dan 40 mm dikte, 1.50 m met meer dan 40 mm doch minder dan 50 mm dikte en 2 m met planken van tenminste 50 mm dikte.
De afmetingen van de kortelingen van rechtdradig gezaagd hout moeten tenminste bedragen:
7 x 5 cm bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.30 m;
9½ x 5 cm bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.65 m;
9½ x 9½ cm bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.80 m.
Staanders en de daaraan bevestigde oplangers moeten op afstanden in verticale richting van ten hoogste 4.50 m tenminste om de andere door zwiepingen of op een andere doelmatige wijze aan de balklaag of aan een ander vast onderdeel van het bouwwerk zijn verbonden.
Zwiepingen (in- en uiten) moeten van gezaagd hout met een zwaarte van tenminste 5 x 7 cm of 3 x 15 cm zijn.
Zwiepingen, welke bij het werken hinder veroorzaken, mogen eerst worden verwijderd, nadat zij door een daarboven of daaronder geplaatste zijn vervangen.
Bij het toepassen van een onderbinder moet deze doelmatig aan twee of meer in de muur dragende kortelingen, waarvan de onderlinge afstand ten hoogste 2 m bedraagt, worden verbonden; hij moet zo dicht mogelijk tegen de muur zijn aangebracht.
Langsschoren van gezaagd hout moeten tenminste 5 x 7 cm of 3 x 15 cm zwaar zijn.
Staande steigers samengesteld uit buizen, koppelingen en houten steigerplanken
Artikel 7
Staanders:
- a. De staanders moeten loodrecht of een weinig hellend naar de muur op de grondplaten zijn geplaatst.
- b. De grondplaten moeten tegen verzakking en verschuiving zijn verzekerd.
- c. De onderste buizen van de staanders moeten om de andere een lengteverschil hebben van tenminste 1.50 m.
- d. De staanders mogen slechts worden verlengd met buizen, die een lengte hebben van tenminste 4 m, behalve de bovenste buis van elke staander.
- e. De verbinding van de op elkaar geplaatste buizen moet plaats vinden door middel van een montagepen en een laskoppeling.
- f. De lassen van twee opeenvolgende staanders mogen niet tussen dezelfde schakels zijn aangebracht.
- g. Indien ter verkrijging van een doorgang of om andere redenen, in afwijking van het bovenstaande, een of meer staanders niet op de grond kunnen steunen, moet de steiger ter plaatse zijn versterkt.
- h. Indien twee steigers op een hoek van een bouwwerk bij elkaar komen, moet op die plaats aan de buitenkant van de steigers een staander zijn geplaatst.
- i. Bij een dubbele steiger mag de afstand van de aan de muurzijde geplaatste staanders tot de muur ten hoogste 0.35 m bedragen.
De steigerbreedte moet tenminste 1.30 m en mag ten hoogste 1.80 m bedragen.
De onderlinge afstand van de staanders mag in verband met de steigerbreedte niet meer bedragen dan:
1.80 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.50 m;
1.70 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.65 m;
1.60 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.80 m.
Schakels of liggers:
- a. De schakels of liggers moeten aan elke staander door middel van een kruiskoppeling zijn bevestigd.
- b. Bij hoeken van steigers moeten de schakels door in het hoekpunt geplaatste staanders worden gesteund.
- c. De onderlinge afstand van de schakels mag ten hoogste 1.60 m bedragen.
- d. Schakels die in elkaars verlengde liggen, moeten door middel van een montagepen en een laskoppeling aan elkaar zijn verbonden.
- e. De lassen van twee boven elkaar liggende schakels mogen niet tussen dezelfde staanders zijn aangebracht.
- f. De onderste schakel mag niet hoger dan 0.25 m boven de grondplaten zijn aangebracht, tenzij de staanders tot een hoogte van tenminste 6 m boven de grondplaten bestaan uit twee naast elkaar geplaatste buizen, welke onderling stevig zijn gekoppeld. In het laatste geval moet op een afstand van ten hoogste 2.50 m boven de grondplaten een doorlopende schakel zijn aangebracht.
De kortelingen van een enkele staande steiger moeten onder een geringe helling naar de muur zijn gelegd en tenminste 10 cm in de muur reiken, tenzij:
- a. de kortelingen aan de muurzijde aan muursteunen zijn bevestigd en het draagvlak van de muursteun volledig in het metselwerk rust;
- b. de kortelingen aan de muurzijde rusten op onderliggers of op een andere doelmatige wijze worden gesteund.
Elke korteling moet door tenminste een koppeling aan een schakel of aan een onderligger zijn bevestigd. De onderlinge afstand van de kortelingen, waarop de vloeren rusten, mag niet meer bedragen dan:
0.90 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.50 m;
0.75 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.65 m;
0.60 m bij een steigerbreedte van ten hoogste 1.80 m.
Koppelbuizen:
Elke twee achter elkaar geplaatste staanders moeten onderling door middel van koppelbuizen zijn verbonden.
De vertikale afstand van de koppelbuizen, welke zo dicht mogelijk onder de schakels moeten worden geplaatst, mag niet meer bedragen dan 1.60 m.
Onderliggers:
De onderliggers mogen slechts worden toegepast, indien zij door middel van kruiskoppelingen zijn verbonden aan in de muur dragende buizen.
De afstand tussen deze kortelingen mag niet meer bedragen dan de toegelaten afstand tussen de staanders.
Indien een muuropening breder is dan de toegestane afstand tussen de staanders, moet de onderligger op afstanden, welke tenminste gelijk zijn aan die van de staanders, doelmatig worden gesteund.
Verankeringen (in- en uiten):
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.