← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit Luchtverkeer BES

Geldende tekst a fecha 2026-04-25

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Een wijziging van de in dit besluit genoemde bijlagen bij het Verdrag geldt vanaf het moment waarop van deze wijziging mededeling in het Tractatenblad is gedaan.

Hoofdstuk 2. Luchtverkeersdienstverlening en kwaliteits- en veiligheidssysteem luchtverkeersleidingsdiensten

Artikel 2
1.

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het luchtruim binnen de delen van het vluchtinformatiegebied Curaçao en het vluchtinformatiegebied San Juan dat zich boven het territoir van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bevindt dan wel die delen waarvoor de Minister de verantwoordelijkheid voor het verzorgen van luchtverkeersdienstverlening heeft aanvaard.

2.

De bepalingen van hoofdstuk 4, 5, 6 en 7 zijn van toepassing op alle luchtvaartuigen binnen het grondgebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba – de territoriale wateren daaronder begrepen – en binnen het luchtruim, bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling worden de grenzen van het luchtruim, bedoeld in het eerste lid, vastgelegd.

Artikel 3

De Minister stelt de luchtruimstructuur, inclusief de structuur van luchtroutes, de classificatie van het luchtruim en de indeling van het luchtruim vast.

Artikel 4
1.

Een luchtverkeersdienstverlener die belast is met het geven van luchtverkeersdienstverlening in het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geeft luchtverkeersdienstverlening op een veilige, efficiënte, continue en voortdurende basis, voor zover dit vereist wordt om tegemoet te komen aan de vraag naar zulke diensten in het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

2.

De luchtverkeersdienstverlener houdt zich onverminderd andere bepalingen opgenomen in dit besluit aan de algemene vereisten voor het geven van luchtverkeersdienstverlening, zoals opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage A.

3.

De luchtverkeersdienstverlener stuurt de Minister een afschrift van de aansprakelijkheidsverzekering, bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage A.

Artikel 5

[Vervallen]

Artikel 6

[Vervallen]

Artikel 7

[Vervallen]

Artikel 8

De Minister kan op nationaal niveau deskundige organisaties of op internationaal niveau door ICAO erkende organisaties die de technische ervaring en deskundigheid bezitten, de bevoegdheid geven om controle uit te oefenen op de door de Minister aan te geven van toepassing zijnde eisen en normen opgenomen in dit besluit.

Artikel 9
1.

Een erkende organisatie beschikt over:

2.

Een erkende organisatie:

Artikel 10

Bij de bepaling van de noodzaak voor de uitoefening van luchtverkeersdienstverlening neemt de Minister het volgende in overweging:

Artikel 11

Bij de aanwijzing van luchtverkeersdienstverleners handelt de Minister conform het bepaalde in §2.8 van hoofdstuk 2 van bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 12

In het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden bij ministeriële regeling aangewezen:

Artikel 13

Elke luchtverkeersdienst draagt de verantwoordelijkheid voor het verlenen van luchtverkeersdiensten aan luchtvaartuigen binnen de aan deze toegewezen luchtruim. De verantwoordelijkheid voor luchtverkeersdienstverlening aan een luchtvaartuig of een groep van luchtvaartuigen kan worden overgedragen aan andere luchtverkeersdiensten mits coördinatie tussen de betreffende luchtverkeersdiensten is verzekerd.

Artikel 14
1.

Tussen twee luchtverkeersleidingscentra vindt de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot een vlucht plaats bij het passeren van de gemeenschappelijke grens tussen de desbetreffende luchtverkeersleidingsgebieden, of op zodanige andere positie, tijd of vlieghoogte als is overeengekomen tussen de twee luchtverkeersleidingsdiensten.

2.

Tussen een luchtverkeersleidingscentrum en een naderingsluchtverkeersleidingsdienst, een naderingsluchtverkeersleidingsdienst en een plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst, een luchtverkeersleidingscentrum en een plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst, vindt de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot een vlucht plaats op een wijze zoals is overeengekomen tussen een luchtverkeersleidingscentrum en een luchtverkeersleidingsdienst of tussen de luchtverkeersleidingsdiensten onderling.

3.

De overdracht van verantwoordelijkheid tussen een naderingsluchtverkeersleidingsdienst en een plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst wordt uitgevoerd in overeenstemming met § 3.6.1.3 en 3.6.1.3.2 van bijlage 11 van het Verdrag.

4.

De overdracht van verantwoordelijkheid tussen sectoren belast met de verlening van luchtverkeersleiding bij dezelfde luchtverkeersleidingsdiensteenheid wordt van de ene sector naar de andere sector overgedragen op een punt, hoogte of tijd zoals neergelegd in instructies van de luchtverkeersleidingsdienst.

5.

De coördinatie van overdracht zoals vermeld in dit artikel wordt uitgevoerd conform de bepalingen van § 3.6.2. van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 15
1.

Elke luchtverkeersdienstverlener beschikt ten allen tijde over een kwaliteits- en veiligheidssysteem, welke voldoet aan door bij ministeriële regeling te stellen regels.

2.

Het systeem, bedoeld in het eerste lid, wordt beschreven in een handboek, welke door de Minister wordt goedgekeurd.

3.

Elke luchtverkeersdienstverlener draagt zorgt voor het in stand en in overeenstemming houden van het handboek met het kwaliteits- en veiligheidssysteem.

4.

De luchtverkeersdienstverlener toont aan dat zij handelt in overeenstemming met:

5.

Elke luchtverkeersdienstverlener voert tenminste eenmaal per jaar een interne beoordeling uit van het kwaliteits- en veiligheidssysteem.

6.

Bij vernieuwing of aanzienlijke aanpassing van luchtverkeersleidingsprocedures of technische systemen, stelt de luchtverkeersdienstverlener vooraf een kwaliteits- en veiligheidsplan op, welke aan de Minister wordt voorgelegd ter goedkeuring, die de verantwoordelijkheid draagt om na te gaan of het ingediend plan voldoet aan de veiligheidseisen van ICAO.

7.

Goedkeuring van de ingediende voorstellen tot implementatie, bedoeld in het zesde lid, vindt slechts plaats, indien de luchtverkeersdienstverlener schriftelijk blijk heeft gegeven dat zij een schatting van de veiligheid heeft uitgevoerd en dat een gedetailleerde beoordeling hiervan door de Minister uitwijst dat het vereiste minimale veiligheidsniveau wordt bereikt.

Artikel 16
1.

De luchtverkeersdienstverlening heeft ten doel:

2.

Luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven in het belang van de algemene luchtverkeersveiligheid en een veilig, ordelijk en vlot verloop van het luchtverkeer.

3.

Luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven in de luchtruimte-klassen A, B, C, D, E, F en G.

4.

De wijze waarop luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven binnen het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, geschiedt conform de aanwijzingen opgenomen in de bij dit besluit behorende bijlage B «ATS Airspace Classifications».

5.

Door de Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de wijze waarop luchtverkeersdienstverlening wordt gegeven.

6.

De betrokken luchtverkeersdienst verleent in de luchtruimte-klassen E, F en G toestemming aan VFR-vluchten om onder bepaalde omstandigheden zonder de vereiste radiocommunicatie, vluchten uit te voeren.

7.

De luchtverkeersdienstverlener neemt bij de uitoefening van luchtverkeersdienstverlening de vereisten voor luchtvaartmaatschappijen neergelegd in bijlage 6 van het Verdrag in acht. Wanneer luchtvaartmaatschappijen zulks vereisen stelt de luchtverkeersdienstverlener hen of de door hen aangewezen vertegenwoordigers informatie ter beschikking teneinde hen of de door hen aangewezen vertegenwoordigers in staat te stellen hun verantwoordelijkheden uit te voeren.

Artikel 17

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald welke luchtverkeersdiensten binnen welke delen van het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, luchtverkeersdienstverlening kunnen uitoefenen.

Artikel 18

Door de Minister kunnen ter bevordering van een veilige, ordelijke en vlotte afwikkeling van het luchtverkeer, regels worden gesteld betreffende de prioriteitstelling bij de luchtverkeersdienstverlening.

Artikel 19
1.

Luchtverkeersleiding wordt gegeven aan de volgende vluchten:

2.

Luchtverkeersleiding wordt gegeven middels het verstrekken van klaringen voor separatiedoeleinden of verkeersinformatie; klaringen worden als regel verstrekt per radio, doch kunnen aan luchtvaartterreinverkeer ook worden verstrekt door middel van lichtseinen.

3.

Klaringen voorzien in separatie tussen:

bijzondere VFR-vluchten onderling indien voorgeschreven door de Minister.

4.

Uitvoering van luchtverkeersleiding geschiedt conform § 3.3. en § 3.4. van Bijlage 11 van het Verdrag.

5.

De luchtverkeersdienst voldoet, teneinde zorg te dragen voor de veiligheid en doeltreffendheid bij de uitvoering van luchtverkeersdienstverlening aan de vereisten voor communicatie zoals neergelegd in hoofdstuk 6 van Bijlage 11 van het Verdrag.

6.

Luchtverkeersdiensten worden voorzien van de vereiste informatie welke nodig is voor de uitvoering van hun taken conform hoofdstuk 7 van Bijlage 11 van het Verdrag.

7.

De inhoud van een klaring bevat:

8.

Klaringen voor trans-sonische vluchten geschiedt conform § 3.7.2.1 van Bijlage 11 van het Verdrag.

9.

Het teruglezen van klaringen en veiligheid gerelateerde informatie vindt plaats conform § 3.7.3. van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 20

Een ATC-klaring wordt tussen luchtverkeersdiensten gecoördineerd conform de bepalingen van § 3.7.4.1, § 3.7.4.2, § 3.7.4.3 en § 3.7.4.4 van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 21
1.

Wanneer de omvang van het luchtverkeer zulks vereist implementeren de luchtverkeersdiensten een luchtverkeersstroomregeling.

2.

De luchtverkeersdienst die de luchtverkeersstroomregeling heeft geïmplementeerd stelt de andere relevante luchtverkeerseenheden op de hoogte en informeert de eenheid belast met de luchtverkeersstroomregeling voorzover deze eenheid bestaat.

Artikel 22
1.

Vluchtinformatie wordt verstrekt aan alle luchtvaartuigen wanneer:

2.

Vluchtinformatie omvat:

3.

Vluchtinformatie aan VFR-vluchten omvat tevens inlichtingen omtrent ander luchtverkeer en mogelijke instrumentweersomstandigheden langs de vliegroute, voor zover beschikbaar.

Artikel 23

[Vervallen]

Artikel 24

De instantie, belast met het geven van AFIS, verstrekt in ieder geval de volgende vluchtinformatie:

Artikel 25

[vervallen]

Artikel 26
1.

Door de Minister kunnen ter bescherming van de openbare veiligheid bij het gebruik van het luchtruim, ter bevordering van het veilige, ordelijke en vlotte verloop van het luchtverkeer of ter bescherming van personen of zaken aan boord van het luchtvaartuig of op het aardoppervlak regels worden gesteld aan deelnemers aan het luchtverkeer.

2.

Door de Minister kunnen voorts regels worden gesteld betreffende:

Artikel 27
1.

Alarmering wordt verzorgd:

2.

Behoudens het bepaalde in artikel 28, vindt de melding door luchtverkeersdiensten aan het RCC betreffende in nood verkerende luchtvaartuigen plaats conform de bepalingen neergelegd in § 5.2. van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 28
1.

Indien een luchtverkeersdienst beslist dat een luchtvaartuig zich in de alarmeringsfase bevindt wordt de piloot, voorzover uitvoerbaar, door de luchtverkeersdienst hiervan op de hoogte gesteld alvorens het RCC te melden.

2.

Informatie welke verschaft wordt aan het RCC door de luchtverkeersdienst, wordt, voorzover uitvoerbaar, onmiddellijk aan de piloot doorgegeven.

Artikel 29
1.

Behoudens het bepaalde in het tweede lid informeert de luchtverkeersdienst, na vaststelling dat een luchtvaartuig in een noodtoestand verkeert, andere luchtvaartuigen, waarvan bekend is dat zij zich in de nabijheid van het desbetreffende luchtvaartuig bevinden, zo gauw mogelijk van de aard van de noodsituatie.

2.

Wanneer de luchtverkeersdienst ervan op de hoogte is of veronderstelt dat een luchtvaartuig onderworpen is aan wederrechtelijke inmenging, zal geen referentie gemaakt worden op de communicatiekanalen met betrekking tot deze noodsituatie tenzij het luchtvaartuig hiertoe referentie heeft gemaakt en verzekerd is dat dit de situatie niet zal verslechteren.

Artikel 30

Aan noodvoertuigen die assistentie gaan verlenen aan luchtvaartuigen in nood, wordt voorrang gegeven boven alle op de grond bewegend verkeer.

Artikel 31
1.

Onverminderd artikel 30 houden voertuigen op het manoeuvreergebied zich aan de volgende bepalingen:

2.

Ongeacht het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b en c volgen voertuigen en voertuigen die een luchtvaartuig slepen de instructie van de toren op.

Artikel 32

Aan elk luchtvaartuig waarvan bekend is of verondersteld wordt dat het is onderworpen aan wederrechtelijke inmenging, wordt maximale assistentie verleend alsmede de nodige prioriteit boven andere luchtvaartuigen gegeven.

Artikel 33

In geval een luchtvaartuig is onderworpen aan wederrechtelijke inmenging wordt zo mogelijk de betrokken luchtverkeersdienst daarvan in kennis gesteld onder vermelding van belangrijke omstandigheden ter zake en de daardoor veroorzaakte wijzigingen van het geldende vliegplan.

Artikel 34

In geval een luchtvaartuig is onderworpen aan wederrechtelijke inmenging, wordt door de luchtverkeersdienst onmiddellijk gevolg gegeven aan verzoeken van het luchtvaartuig. Informatie betrekking hebbende op de veilige uitoefening van een vlucht zal voortdurend uitgezonden worden en de nodige maatregelen zullen worden genomen om de uitvoering van alle vluchtfasen, in het bijzonder de veilige landing van het luchtvaartuig, te bevorderen.

Artikel 35

Zodra een luchtverkeersdienst op de hoogte wordt gesteld van een verdwaald luchtvaartuig zullen al de nodige stappen zoals neergelegd in §2.23.1.1.1 en §2.23.1.1.2. van Bijlage 11 van het Verdrag, ondernomen worden om het luchtvaartuig te assisteren en de vlucht bescherming te bieden.

Artikel 36
1.

Zodra een luchtverkeersdienst een luchtvaartuig heeft waargenomen of een melding heeft ontvangen dat een luchtvaartuig binnen het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid vluchten uitoefent zonder een degelijke identificatie, zal de luchtverkeersdienst pogingen doen om de identiteit van het luchtvaartuig vast te stellen, voorzover dit nodig is voor het geven van luchtverkeersdienstverlening of wanneer dit vereist wordt door de bevoegde militaire autoriteiten op basis van overeengekomen procedures.

2.

Om aan het bepaalde in het eerste lid te voldoen onderneemt de luchtverkeersdienst de volgende stappen:

Artikel 37

Zodra de identiteit van het luchtvaartuig door de luchtverkeersdienst wordt vastgesteld, stelt de luchtverkeersdienst, voorzover dit nodig is, de betreffende militaire eenheid hiervan op de hoogte.

Artikel 38
1.

Zodra de luchtverkeersdienst op de hoogte is dat een luchtvaartuig wordt onderschept binnen het gebied waarin zij luchtverkeersdienstverlening geeft, handelt de luchtverkeersdienst naar omstandigheden conform de bepalingen neergelegd in § 2.23.2.1 van Bijlage 11 van het Verdrag.

2.

Zodra de luchtverkeersdienst op de hoogte is dat een luchtvaartuig wordt onderschept buiten het gebied waarin zij luchtverkeersdienstverlening geeft, handelt de luchtverkeersdienst naar omstandigheden conform de bepalingen neergelegd in § 2.23.2.2 van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 39
1.

Luchtverkeersdiensten maken gebruik van gecoördineerde Wereldtijd (UTC) en drukken tijd uit in uren en minuten en voorzover vereist seconden van het etmaal, beginnend te middernacht.

2.

Luchtverkeersdiensten zijn uitgerust met klokken die tijd in uren, minuten en seconden aanduiden welke duidelijk zichtbaar zijn van elk werkstation binnen de betreffende eenheid.

3.

De nauwkeurigheid van de tijd voldoet aan de bepalingen van § 2.24.3 van Bijlage 11 van het Verdrag

4.

Plaatselijke luchtverkeersleidingsdiensten voorzien de piloot van de juiste tijd uitgedrukt in gecoördineerde Wereldtijd UTC alvorens het luchtvaartuig begint te taxiën met de bedoeling om op te stijgen.

Artikel 40

De luchtverkeersdienstverlener geeft bij luchtvaartongevallen de volgende berichten door:

Artikel 41

Luchtverkeersdienstverleners brengen door middel van geschikte regelingen een hechte samenwerking tot stand met militaire autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor activiteiten die van invloed kunnen zijn op de vluchtuitvoering en/of veiligheid van het algemeen luchtverkeer.

Artikel 42

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg dat in overeengekomen coördinatie met de militairen tenminste het volgende in acht wordt genomen:

Artikel 43

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 41 en 42, vindt de coördinatie tussen de militaire autoriteiten en luchtverkeersdienstverleners plaats conform § 2.16 van Bijlage 11 van het Verdrag.

Artikel 44
1.

De rangschikking van activiteiten die potentieel gevaarlijk zijn voor de burgerluchtvaart binnen het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden met de desbetreffende luchtverkeersdiensten gecoördineerd.

2.

Om de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de richtlijnen vervat in Bijlage 15 van het Verdrag tijdig te kunnen afkondigen, vindt de coördinatie vroeg plaats.

Artikel 45

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg dat bij het plannen van ATC-uitvoeringen dan wel bij het ten uitvoer leggen van luchtverkeersdienstverlening, het volgende in acht wordt genomen:

Artikel 46

Om ervoor zorg te dragen dat de luchtverkeersdienstverlening op geschikte wijze kan geschieden, draagt de luchtverkeersdienstverlener zorg dat het luchtverkeerslei-dingssysteem tenminste aan het volgende voldoet:

Artikel 47
1.

Luchtverkeersdiensten voeren luchtverkeersdienstverlening en luchtvaartcommunicatie uit in overeenstemming met de door de Raad van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie vastgestelde normen en aanbevolen werkwijzen alsmede met de door deze Raad goedgekeurde procedures vermeld in de volgende ICAO publicaties:

2.

Indien er bij de uitoefening van luchtverkeersdienstverlening inconsistentie ontstaat tussen de te volgen procedures wordt in de volgende volgorde prioriteit gegeven aan de bij ministeriële regeling vastgestelde ICAO documenten.

3.

De luchtverkeersdienstverlener volgt de instructies van de Minister, die hij geeft ter waarborging van de veiligheid en efficiëntie van het luchtverkeer, in het handboek bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, op.

4.

Luchtverkeersdiensten kunnen overeenkomsten op het gebied van luchtverkeersdienst-verlening met aangrenzende centra aangaan, mits deze overeenkomsten niet in strijd zijn met de bepalingen opgenomen in dit besluit.

5.

De luchtverkeersdienstverlener legt de overeenkomsten, bedoeld in het vierde lid, ter goedkeuring voor aan de Minister alvorens deze van toepassing worden verklaard voor de uitoefening van luchtverkeersdienstverlening.

6.

De overeenkomsten, bedoeld in het vierde lid, worden binnen 14 dagen na de goedkeuring, bedoeld in het vijfde lid, van toepassing.

Artikel 48

De luchtverkeersdienstverlener stelt veiligheidseisen samen met betrekking tot ontwerp, implementatie, onderhoud en gebruik van operationele systemen en de onderdelen daarvan, zowel onder normale als onder gedegradeerde operationele omstandigheden, teneinde het door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie gepubliceerde veiligheidsniveau op het gebied van luchtverkeersbeveiliging te kunnen bereiken.

Artikel 49

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg dat systemen zodanig worden ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt dat de taken die aan het luchtverkeersdienstpersoneel worden opgedragen compatibel zijn met de menselijke capaciteiten, zowel onder normale als onder gedegradeerde operationele omstandigheden.

Artikel 50
1.

Het is de luchtverkeersdienstverlener verboden enige handeling te verrichten of enige werkprocedure te implementeren welke indruist tegen de voorschriften in dit besluit.

2.

De luchtverkeersdienstverlener stelt de Minister binnen 24 uur schriftelijk op de hoogte indien hij in een uitzonderlijk geval moest afwijken van de voorschriften in dit besluit. Zijn rapport is duidelijk gegrond.

Artikel 51

De luchtverkeersdienstverlener stelt elk personeelslid welke taken uitvoert ten behoeve van luchtverkeersdienstverlening bij de betreffende luchtverkeersdienst in het bezit van dit besluit.

Artikel 52
1.

Elke luchtverkeersleider stelt de luchtverkeersdienstverlener op de hoogte van opdrachten die hij heeft ontvangen welke indruisen tegen voorschriften van dit besluit en zich verzet tegen de uitvoering daarvan.

2.

De luchtverkeersleider neemt bij de uitvoering van zijn taak het volgende in acht:

3.

De luchtverkeersleider vermijdt bij de uitvoering van zijn taak elke handeling die in strijd kan zijn met de toepasselijke procedures met betrekking tot luchtverkeers-dienstverlening.

Artikel 53

Het is de luchtverkeersdienstverlener verboden luchtverkeersdienstverlening uit te laten voeren door:

Artikel 54
1.

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg dat in elk vertrek waarin luchtverkeersdienstverlening gegeven wordt de volgende documenten aanwezig zijn:

2.

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg dat de documenten, bedoeld in het eerste lid, bijgewerkt worden en in een gerede vorm ter beschikking worden gesteld.

3.

Het luchtverkeersdienstpersoneel dat werkzaamheden verricht met betrekking tot de luchtverkeersdienstverlening die de luchtverkeersdienstverlener levert, heeft toegang tot de documenten bedoeld in het eerste lid.

Artikel 55
1.

De luchtverkeersdienstverlener stelt aan elke luchtverkeersleider het handboek, bedoeld in artikel 15, ter beschikking alsmede elke aanvulling en wijziging hiervan.

2.

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg voor het regelmatig actualiseren van de gegevens van het handboek, bedoeld in artikel 15.

3.

De luchtverkeersdienstverlener verstrekt een afschrift van het handboek, bedoeld in artikel 15, met alle aanvullingen en wijzigingen aan de Minister ter goedkeuring.

Artikel 56

[vervallen]

Artikel 57
1.

De luchtverkeersdienstverlener verstrekt de Minister desgevraagd alle inlichtingen die voor zijn onderzoek naar het functioneren van de betreffende luchtverkeersdienst noodzakelijk zijn.

2.

De Minister kan inzage verlangen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze noodzakelijk is.

3.

De Minister mag geen informatie inzake luchtverkeersdienstverleners openbaar maken, die onder het beroepsgeheim valt, tenzij dit betrekking heeft op de wijze waarop een systeem voor de beoordeling en publicatie van de prestaties van die dienstverleners is georganiseerd.

Artikel 58
1.

De luchtverkeersdienstverlener bewijst de Minister om de zes maanden dat deluchtverkeersdienstverlener functioneert conform de bepalingen welke in dit besluit zijn opgenomen.

2.

De luchtverkeersdienstverlener bewijst dat de luchtverkeersdienstverlener conform de hierin opgenomen wettelijke bepalingen functioneert door het regelmatig opnemen van gegevens, in het (de) daarvoor bestemde document(en), die blijk geven dat de betreffende luchtverkeersdienstverlener opereert in overeenstemming met de bepalingen in dit besluit en indien:

Artikel 59

Aan de hand van het resultaat van inspecties kan door de Minister regels worden gesteld met betrekking tot:

Artikel 60

De luchtverkeersdienstverlener voorziet de Minister van de nodige evidentie ter ondersteuning van zijn verplichting, genoemd in artikel 58 eerste lid, inclusief het document ter indicatie van het bereikte niveau waarop de luchtverkeersdienstverlener functioneert gerelateerd aan de vereisten van de bepalingen opgenomen in dit besluit en bijlage A behorende bij dit besluit.

Artikel 61

De luchtverkeersdienstverlener verzendt het resultaat van de intern gehouden onderzoeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het functioneren van de betreffende luchtverkeersdienst naar de Minister.

Artikel 62

Een voorstel van de luchtverkeersdienstverlener, welke inhoudt een verandering in structurering, indeling of categorisering van het luchtruim, dat ter goedkeuring aan de Minister is aangeboden, voldoet tenminste aan het volgende:

Artikel 63
1.

De coördinatie tussen AIS en luchtverkeersdiensten vindt plaats conform de normen neergelegd in §2.20 van Bijlage 11 van het Verdrag.

2.

De luchtverkeersdienstverlener toont de Minister, telkens wanneer de Minister dit vergt, aan dat de werkmethodes en werkprocedures van de AIS in overeenstemming zijn met de toepasbare normen van de volgende bijlagen van het Verdrag:

3.

De luchtverkeersdienstverlener toont de Minister aan dat de werkmethoden en operationele procedures van de AIS consistent zijn met bij ministeriële regeling te bepalen ICAO documenten.

Artikel 64
1.

Communicatiesystemen en navigatiesystemen worden, met inachtneming van de juiste en goedgekeurde procedures, zodanig ontworpen, gebouwd, onderhouden en gebruikt dat de vereiste prestaties worden geleverd binnen het betreffende luchtruim of voor een specifieke toepassing, met name wat betreft de verwerkingstijd, de integriteit, de nauwkeurigheid van het navigatiesysteem, werkingsgebied, reikwijdte van het navigatiesysteem en communicatiesysteem alsmede de functionele continuïteit van de systemen.

2.

De luchtverkeersdienstverlener toont de Minister aan dat de werkmethodes en operationele procedures van de technische dienst, ten dienste van de luchtverkeersdienst, die werkzaamheden verricht ten behoeve van de communicatie, navigatie of bewakingsdiensten, tenminste in overeenstemming zijn met de toepasbare normen van bijlage 10 van het Verdrag.

Artikel 65

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent de samenwerking tussen luchtverkeersdienstverleners en verleners van luchtvaartmeteorologische inlichtingen

Artikel 66

De luchtverkeersdienstverlener draagt zorg voor het indienen van voorstellen aan de Minister, vergezeld van de benodigde veiligheidsanalyse, voor het instellen van functionele luchtruimblokken ter ondersteuning van optimale uitoefening van de luchtverkeersdienstverlening binnen het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 67
1.

Door de Minister kan een stelsel tot stand worden gebracht voor het certificeren van luchtverkeersdienstverleners, als middel om de door de Minister ontworpen voorwaarden en de bevoegdheden, rechten en plichten vast te leggen, waaronder luchtverkeersdienstverleners dienen te functioneren.

2.

De aan de certificatie verbonden voorwaarden zijn objectief, gerechtvaardigd, transparant en verenigbaar met internationale normen.

Artikel 68
1.

De luchtverkeersdienstverlener stelt voor elke opleiding opleidingsprogramma’s vast voor luchtverkeersleiders en AFISO.

2.

De opleidingsprogramma’s behoeven de goedkeuring van de Minister.

3.

De opleidingsprogramma’s worden door de Minister niet goedgekeurd indien deze niet voldoen aan de minimum vereisten van Bijlage 1 van het Verdrag en bij ministeriële regeling te bepalen ICAO documenten.

4.

De Minister houdt toezicht op alle opleidingen ten behoeve van luchtverkeersdienstverlening die door de aangewezen rechtspersoon worden gegeven.

5.

[Vervallen]

Artikel 69
1.

De luchtverkeersdienstverlener draagt er zorg voor dat de luchtverkeersleiders de taal welke gebruikt wordt voor radiotelefonie communicatie zoals neergelegd in Bijlage 10 Volume II van het Verdrag spreken en begrijpen.

2.

Behoudens wanneer communicatie tussen luchtverkeerseenheden in een wederzijds overeengekomen taal plaatsvindt, zal de Engelse taal voor deze communicatie gebruikt worden.

Hoofdstuk 3. Organisatie, taak en bevoegdheid van de aangewezen rechtspersoon

Artikel 70
1.

Bij ministeriële regeling worden, al dan niet onder het stellen van beperkingen en voorwaarden, één of meerdere rechtspersonen aangewezen, die ter bevordering van een zo groot mogelijke veiligheid van het luchtverkeer in het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, belast zijn met de volgende taken:

2.

De aangewezen rechtspersoon vervult de in het eerste lid bedoelde taken naar behoren.

3.

Intrekking van een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt onder gelijktijdige voorziening in de in het eerste lid bedoelde taken, waaromtrent nadere regels kunnen worden gesteld.

4.

[vervallen]

5.

[vervallen]

6.

[vervallen]

Artikel 71
1.

De aangewezen rechtspersoon verstrekt aan de Minister alle gevraagde inlichtingen omtrent de uitvoering van zijn taken.

2.

De aangewezen rechtspersoon zendt jaarlijks binnen zes maanden na afloop van het boekjaar aan de Minister de balans en de staat van baten en lasten, het jaarverslag over het betrokken boekjaar alsmede het beleidsplan voor het volgende jaar. Tevens voegt de aangewezen rechtspersoon daarbij de beleids- en financiële prognoses betreffende de werkzaamheden van de aangewezen rechtspersoon voor de eerstvolgende vijf jaar. Deze stukken gaan vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgelegd door een deskundige als bedoeld in artikel 117 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

De aangewezen rechtspersoon is bevoegd diensten van andere overheidsinstanties te gebruiken tegen betaling van de daarmee gepaard gaande kosten.

4.

De aangewezen rechtspersoon verricht zijn taken overeenkomstig wettelijke regelingen en bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

5.

Slechts in uitzonderlijke gevallen waarbij er serieuze operationele moeilijkheden zijn ontstaan welke de veiligheid van de luchtvaart ernstig aantasten kan de aangewezen rechtspersoon besluiten om de luchtverkeersdienstverlening te degraderen dan wel tijdelijk te onderbreken.

6.

Alvorens tot het besluit, genoemd in het vijfde lid, over te gaan, stelt de aangewezen rechtspersoon de Minister van zijn voornemen op de hoogte.

Artikel 72
1.

De aangewezen rechtspersoon is belast met de organisatie en coördinatie van de opleiding voor luchtverkeersleider en AFISO.

2.

De Minister kan op verzoek van de ter plaatse bevoegde luchtverkeersleidingsdienst, deze naast de aangewezen rechtspersoon belasten met de organisatie en coördinatie van de opleiding voor AFISO.

Artikel 73

De aangewezen rechtspersoon stelt een deugdelijk programma op waarin regels worden opgenomen ter voorkoming van alcohol- en drugsgebruik en -misbruik.

Hoofdstuk 4. luchtverkeersroutes, -procedures en luchtvaart data

Artikel 74
1.

Bij ministeriële regeling worden in het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, luchtverkeersroutes en -procedures vastgesteld, waaronder mede zijn begrepen naderings-, vertrek- en wachtprocedures, alsmede verkeerspatronen voor het luchtvaartterreinverkeer.

2.

Bij het vaststellen van vertrek-, wacht- en naderingsprocedures alsmede verkeerspatronen voor het luchtvaartterreinverkeer pleegt de Minister overleg met de luchtverkeersdienstverlener, de betrokken luchthavenautoriteit, de luchtruimtegebruikers en de Milieudienst van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

3.

De luchtverkeersroutes en -procedures, bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld met inachtneming van:

Artikel 75

De toepassing van «RNP» types binnen het luchtruim, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden voorgeschreven op basis van regionale luchtvaartnavigatie-overeenkomsten.

Artikel 76

Een luchtvaartuig volgt bij het uitvoeren van een vlucht de luchtverkeersroutes, tenzij anders geïnstrueerd door de betrokken luchtverkeersdienst.

Artikel 77
1.

De vaststelling en de melding van luchtvaartdata geassocieerd met luchtverkeersdienstverlening zijn in overeenstemming met de nauwkeurigheid en de integriteitvereiste neergelegd in tabel 1 tot en met 5 van Appendix 5 «Aeronautical data quality requirements» van Bijlage 11 van het Verdrag.

2.

Nauwkeurigheidsvereisten voor luchtvaart data zijn gebaseerd op een 95% vertrouwens niveau. Op grond hiervan worden drie types positie data geïdentificeerd:

Artikel 78
1.

Geografische coördinaten met breedte en lengteaanduiding worden in termen van het «WGS-84» bepaald en gemeld aan «AIS».

2.

De geografische coördinaten, bedoeld in het eerste lid waarvan de WGS coördinaten verkregen zijn door middel van wiskundige berekeningen en waarvan de nauwkeurigheid van het originele veldwerk niet overeenkomt met de vereisten neergelegd in tabel I van Appendix 5 «Aeronautical data quality requirements» van Bijlage 11 van het Verdrag, worden geïdentificeerd.

Artikel 79

De nauwkeurigheidsgraad van het veldwerk en de daarmee samenhangende vaststellingen en berekeningen zijn zodanig dat de daaruit resulterende operationele navigatiedata voor alle fasen van de vlucht binnen de toleranties neergelegd in de relevante tabellen van Appendix 5 «Aeronautical data quality requirements» van Bijlage 11 van het Verdrag vallen.

Hoofdstuk 5. Luchtverkeersregels

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 80
1.

Het gebruik van een luchtvaartuig, zowel op het manoeuvreergebied, de platforms als tijdens de vlucht, geschiedt in overeenstemming met de daarop betrekking hebbende algemene vliegvoorschriften.

2.

Het gebruik van een luchtvaartuig dat zich in de lucht bevindt geschiedt voorts in overeenstemming met de zichtvliegvoorschriften of de instrumentvliegvoorschriften.

3.

Het is verboden een vlucht uit te voeren zonder dat een gezagvoerder is aangewezen.

4.

De gezagvoerder bevindt zich aan boord van het luchtvaartuig.

5.

De gezagvoerder past, ongeacht de weersomstandigheden, de instrumentvliegvoorschriften toe in luchtruimte klasse A.

6.

De gezagvoerder is, ongeacht of hij daadwerkelijk de stuurorganen bedient, ervoor verantwoordelijk dat de vluchtuitvoering geschiedt in overeenstemming met de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde voorschriften; slechts indien de omstandigheden dit in het belang van de veiligheid dringend noodzakelijk maken, mag hij daarvan afwijken.

Artikel 81

Vóór de aanvang van de vlucht neemt de gezagvoerder kennis van alle beschikbare inlichtingen, weersberichten en weersverwachtingen daaronder begrepen, die voor de uitvoering van de vlucht van belang zijn. Daarbij wordt tevens aandacht besteed aan de mede te voeren hoeveelheid brandstof en aan de te volgen handelwijze indien de vlucht niet overeenkomstig het oorspronkelijke voornemen kan worden voltooid.

Afdeling 2. Algemene vliegvoorschriften

Artikel 82
1.

Het is verboden boven gebieden met een aaneengesloten bebouwing of kunstwerken, industrie- en havengebieden daaronder begrepen, dan wel boven mensenmenigten, aan het luchtverkeer deel te nemen op een zodanige hoogte dat het niet meer mogelijk is een noodlanding uit te voeren zonder personen of zaken op het aardoppervlak in gevaar te brengen, tenzij zulks noodzakelijk is:

2.

Door de Minister worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de hoogtemeter en het bepalen van kruishoogtes.

Artikel 83
1.

Het is verboden tijdens de vlucht voorwerpen of stoffen te verwijderen.

2.

Door de Minister worden regels gesteld met betrekking tot het tijdens de vlucht verwijderen van voorwerpen of stoffen.

3.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien door de Minister ontheffing is verleend.

4.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 84
1.

Het is verboden luchtvaartuigen of andere voorwerpen tijdens de vlucht te slepen.

2.

Door de Minister worden regels gesteld met betrekking tot het tijdens de vlucht slepen van luchtvaartuigen en andere voorwerpen.

3.

Het bepaalde in artikel 83, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 85
1.

Het is verboden, behalve in geval van nood, valschermen te gebruiken voor het verlaten van een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig.

2.

Door de Minister worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van valschermen voor het verlaten van een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig.

3.

Het bepaalde in artikel 83, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 86
1.

Het is verboden een vlucht uit te voeren, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, die een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen.

2.

Door Onze Minister worden regels gesteld met betrekking tot het uitvoeren van vluchten, waarbij met opzet bewegingen worden uitgevoerd, die een plotselinge verandering in de stand, een abnormale stand of een abnormale verandering in de snelheid van het luchtvaartuig medebrengen.

3.

Het bepaalde in artikel 83, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 87
1.

Bij ministeriële regeling kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen de uitoefening van de luchtvaart is verboden.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen de luchtvaart in verband met militaire oefeningen wordt beperkt. Een beperking wordt door middel van een NOTAM geactiveerd.

Artikel 88
1.

Een gezagvoerder neemt de beste maatregelen om een botsing te voorkomen, daarbij inbegrepen de manoeuvres om een botsing te vermijden gebaseerd op een RA.

2.

Onverminderd het eerste lid, volgt een gezagvoerder van een luchtvaartuig dat voorzien is van ACAS, een RA direct op, zelfs indien deze afwijkt van een klaring van de betrokken luchtverkeersdienst.

3.

De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat voorrang heeft, behoudt zijn koers en snelheid.

4.

Het is verboden, indien ingevolge de artikelen 89 tot en met 97 voor een ander luchtvaartuig wordt uitgeweken, boven, onder of vóór dat luchtvaartuig langs te gaan, tenzij daarbij op ruime afstand wordt gebleven en er voor het andere luchtvaartuig geen gevolgen merkbaar zijn van luchtwervelingen veroorzaakt door het uitwijkende luchtvaartuig.

5.

Een gezagvoerder die, gevolg gevend aan een RA, afwijkt van een klaring, meldt dit terstond aan de betrokken luchtverkeersdienst.

6.

Indien de gezagvoerder een melding als bedoeld in het derde lid heeft gedaan, geeft de luchtverkeersleider aan dat luchtvaartuig geen opdrachten die tegenstrijdig zijn aan de RA.

7.

Na de afwijking van de klaring als gevolg van de RA wordt de vlucht zo spoedig mogelijk hervat overeenkomstig de oorspronkelijk verkregen klaring of overeenkomstig een nieuwe klaring verkregen van de betrokken luchtverkeersdienst.

Artikel 89
1.

Het is verboden een ander luchtvaartuig zo dicht te naderen dat gevaar voor botsing ontstaat.

2.

Het is verboden in gesloten verband vluchten uit te voeren, tenzij dienaangaande vooraf een regeling is getroffen tussen de gezagvoerders onderling en – bij gecontroleerde vluchten – met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.

Artikel 90
1.

Een luchtvaartuig, waarvoor ingevolge dit hoofdstuk wordt uitgeweken, behoudt zijn oorspronkelijke koers en snelheid. Indien dit luchtvaartuig zich te dicht bevindt bij het luchtvaartuig dat uitwijkt, neemt eerstgenoemd luchtvaartuig, indien botsing door laatstgenoemd luchtvaartuig alléén niet meer kan worden vermeden, eveneens maatregelen, die kunnen bijdragen tot het voorkomen van botsingen.

2.

Een luchtvaartuig, dat ingevolge dit hoofdstuk uitwijkt voor een ander luchtvaartuig, mag niet boven, onder of vóór dat luchtvaartuig langs gaan, tenzij het daarbij op ruime afstand blijft.

Artikel 91

Wanneer twee luchtvaartuigen elkaar recht vooruit of bijna recht vooruit naderen en gevaar voor botsing bestaat, verlegt elk van deze luchtvaartuigen zijn koers naar rechts.

Artikel 92
1.

Wanneer twee luchtvaartuigen op dezelfde of op bijna dezelfde hoogte koersen volgen die elkaar kruisen, wijkt het luchtvaartuig dat het andere rechts van zich heeft, voor dit laatste uit.

2.

Ter vermijding van botsingen wijken:

Artikel 93
1.

Onder een luchtvaartuig dat een ander luchtvaartuig inhaalt wordt verstaan: een luchtvaartuig, dat een ander luchtvaartuig van achteren nadert uit een richting, die een hoek maakt van minder dan 70o met het vlak van symmetrie van laatstgenoemd luchtvaartuig.

2.

Een luchtvaartuig, dat een ander luchtvaartuig inhaalt, wijkt – onverschillig of eerstgenoemde stijgt, daalt of zich horizontaal voortbeweegt – uit door zijn koers naar rechts te verleggen. Geen daarop volgende veranderingen van de positie van de beide luchtvaartuigen ten opzichte van elkaar ontslaat het inhalende luchtvaartuig van deze verplichting, totdat het zich op ruime afstand voorbij het andere luchtvaartuig bevindt.

Artikel 94
1.

Een luchtvaartuig, dat zich in de lucht bevindt of zich voortbeweegt op de grond of op het water, wijkt uit voor een luchtvaartuig dat bezig is te landen of zich bevindt in de laatste naderingsfasen voor de landing.

2.

Wanneer twee of meer luchtvaartuigen tegelijkertijd een luchtvaartterrein naderen om te landen, wijkt een zich hoger bevindend luchtvaartuig uit voor een zich lager bevindend luchtvaartuig, met dien verstande, dat het zich lager bevindende luchtvaartuig deze bepalingen niet mag benutten door een ander luchtvaartuig, dat zich in de laatste naderingsfasen voor de landing bevindt, in te halen of daarvoor langs te gaan.

Artikel 95

Een luchtvaartuig wijkt uit voor een ander luchtvaartuig dat genoodzaakt is te landen.

Artikel 96
1.

Een luchtvaartuig, dat taxiet op het manoeuvreergebied of de platforms, wijkt uit voor een luchtvaartuig dat start dan wel op het punt staat te starten.

2.

Wanneer gevaar voor botsing bestaat tussen twee luchtvaartuigen die zich voortbewegen op het manoeuvreergebied of de platforms zijn de volgende voorschriften van toepassing:

Artikel 97
1.

Een luchtvaartuig, dat taxiet op het manoeuvreergebied houdt stil en wacht bij alle wachtposities tenzij het toestemming om door te taxiën heeft gekregen van de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst.

2.

Een luchtvaartuig, dat taxiet op het manoeuvreergebied houdt stil en wacht bij alle brandende stoplichten en vervolgt zijn weg als:

3.

Alvorens met een luchtvaartuig te taxiën op het manoeuvreergebied van een gecontroleerd luchtvaartterrein, zonder de bedoeling een vlucht uit te voeren, wordt toestemming verkregen van de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst en wordt aan opdrachten van die luchtverkeersleidingsdienst voldaan.

4.

Wanneer tijdens het taxiën is afgeweken van de verkregen toestemming wordt de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld onder vermelding van de redenen daarvoor en van de afwijkingen van de toestemming.

Artikel 98
1.

Door de Minister worden regels vastgesteld met betrekking tot de lichten die gedurende de periode tussen zonsondergang en zonsopgang door een luchtvaartuig, dat zich bevindt in de lucht of op het luchtvaartterrein, worden gevoerd.

2.

Een luchtvaartuig op het water voert de vastgestelde lichten gedurende de perioden waarin zulks ter plaatse is voorgeschreven.

3.

Het is verboden andere lichten dan als bedoeld in het eerste lid te voeren.

Artikel 99

Het is verboden de luchtvaart uit te oefenen onder nagebootste blindvliegomstandigheden tenzij:

Artikel 100

Door de Minister worden regels vastgesteld met betrekking tot vluchten in bijzondere luchtverkeersgebieden, ingesteld ter bescherming van bepaalde soorten luchtverkeer of bijzondere luchtvaartactiviteiten.

Artikel 101

Op of in de nabijheid van een luchtvaartterrein wordt:

bijzonder acht gegeven op het verkeer, teneinde een botsing te vermijden;

het door luchtvaartuigen gevormd luchtverkeerscircuit gevolgd dan wel vermeden;

op zodanige wijze in het in onderdeel b bedoelde luchtverkeerscircuit ingevoegd, dat luchtvaartuigen die dit luchtverkeerscircuit volgen niet worden gehinderd;

tijdens het aanvliegen voor een landing en na het opstijgen elke bocht naar links gemaakt, tenzij een andersluidende aanwijzing is gegeven;

Artikel 102

Een luchtvaartuig op het water voldoet aan de voorschriften ter voorkoming van botsing, die ter plaatse gelden voor vaartuigen.

Artikel 103
1.

De aan de betrokken luchtverkeersdiensten te verstrekken inlichtingen omtrent een voorgenomen vlucht of een gedeelte van een vlucht worden gegeven in de vorm van een vliegplan.

2.

Door de Minister worden regels gesteld met betrekking tot de inhoud, de wijze van indienen van het vliegplan en de wijze van afsluiten van het vliegplan.

3.

Een vliegplan wordt ingediend vóór de aanvang van:

Artikel 104
1.

Elke wijziging van het ingediende vliegplan wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de betrokken luchtverkeersdienst indien het is ingediend voor:

2.

Een wijziging van het vliegplan, dat is ingediend voor een niet gecontroleerde VFR vlucht, wordt zo spoedig mogelijk gemeld aan de betrokken luchtverkeersdienst, indien deze betrekking heeft op gegevens, die van belang zijn voor de alarmering.

3.

Een wijziging van het voor een gecontroleerde vlucht geldend vliegplan mag niet worden uitgevoerd, alvorens daartoe een klaring is gevraagd en verkregen van de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.

4.

Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing, indien een noodsituatie dwingt tot onmiddellijk handelen, dan wel indien niet opzettelijk is afgeweken van het geldend vliegplan; in dit geval wordt de betrokken luchtverkeersleidingsdienst zo spoedig mogelijk ingelicht over de genomen actie en de redenen daarvoor.

5.

Wanneer tijdens een gecontroleerde vlucht niet opzettelijk blijkt te zijn afgeweken van het geldend vliegplan wordt de betrokken luchtverkeersleidingsdienst daarover zo spoedig mogelijk ingelicht, onder vermelding van de wijzigingen van het geldend vliegplan, die daarvan het gevolg zijn voor zover de afwijking van de gemiddelde snelheid 5 procent of meer bedraagt of de afwijking van de verwachte aankomsttijden meer bedraagt dan 3 minuten.

Artikel 105
1.

Het is verboden andere dan door de Minister vastgestelde seinen, lichtseinen en grondtekens te gebruiken.

2.

Bij het waarnemen of ontvangen van enig sein als bedoeld in het eerste lid wordt slechts gehandeld overeenkomstig de door de Minister aan het sein, lichtsein en grondteken gegeven betekenis.

Artikel 106
1.

Voor het vermelden van tijdstippen met betrekking tot vluchten wordt de gecoördineerde Wereldtijd (UTC) gebruikt, uitgedrukt in uren en minuten van het etmaal, beginnend te middernacht.

2.

Vóór de aanvang van een gecontroleerde vlucht en telkens gedurende de vlucht, wanneer de noodzaak daartoe blijkt, wordt een opgave van de juiste tijd verkregen.

Afdeling 3. Gecontroleerde vluchten

Artikel 107
1.

Alvorens een vlucht of een gedeelte van een vlucht uit te voeren als gecontroleerde vlucht wordt een klaring verkregen.

2.

Een dergelijke klaring wordt gevraagd door het indienen van een vliegplan.

3.

Indien de gevraagde klaring voorrangsverlening met zich mee brengt wordt de noodzaak daartoe toegelicht, indien de luchtverkeersleidingsdienst daarom verzoekt.

Artikel 108
1.

Een gecontroleerde vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met het ingediende vliegplan, met inbegrip van eventuele wijzigingen veroorzaakt door daarop gevolgde klaringen – hierna te noemen het geldend vliegplan – en met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden met betrekking tot het volgen van de vliegplanroute.

2.

Tenzij een afwijkende klaring of aanwijzing is verstrekt door de betrokken luchtverkeersleidingsdienst, wordt tijdens een gecontroleerde vlucht – voor zover uitvoerbaar – als volgt gevlogen:

3.

Onverminderd het gestelde in het tweede lid, wordt tijdens een vlucht langs een luchtverkeersroutesegment, dat is bepaald met betrekking tot alzijdig gerichte radiobakens werkend op zeer hoge frequenties (VOR's) voor de primaire navigaties omgeschakeld van het achterliggend naar het voorliggend baken boven het omschakelpunt, indien dat is vastgesteld, of zo dicht erbij als operationeel uitvoerbaar is.

4.

Bij afwijking van het gestelde in het tweede lid wordt daarvan zo spoedig mogelijk melding gedaan aan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst en wordt – behoudens andersluidende klaring – een zodanige koerswijziging uitgevoerd, dat het luchtvaartuig zo spoedig mogelijk weer terugkeert op de te volgen route.

Artikel 109
1.

Tijdens een gecontroleerde vlucht wordt zo spoedig mogelijk aan de betrokken lucht-verkeersleidingsdienst gemeld de tijd en de hoogte waarop een verplicht meldingspunt is gepasseerd, tezamen met alle verder vereiste inlichtingen, tenzij de betrokken luchtverkeersleidingsdienst anders bepaalt.

2.

Verplichte meldingspunten worden vastgesteld teneinde een luchtverkeersroute te definiëren en/of ter verkrijging van informatie verbandhoudende met de voortgang van de vlucht ter verlening van luchtverkeersdiensten.

3.

Verplichte meldingspunten worden geïdentificeerd overeenkomstig de normen en aanbevolen werkwijzen van appendix 2 «Principles governing the establishment and identification of significant points» van Bijlage 11 van het Verdrag.

4.

Indien geen verplichte meldingspunten zijn vastgesteld, vinden positiemeldingen plaats telkens na het verstrijken van een tijdsverloop dat is opgegeven door de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de verplichte meldpunten.

6.

[Vervallen]

Artikel 110

Bij beëindiging van een gecontroleerde vlucht, hetzij door landing, dan wel bij voortzetting daarvan als niet gecontroleerde vlucht, wordt de betrokken luchtverkeersleidingsdienst daarvan zo spoedig mogelijk in kennis gesteld.

Artikel 111
1.

Tijdens het uitvoeren van een gecontroleerde vlucht, wordt voortdurend op de aangewezen radio-frequentie geluisterd en zonodig een tweezijdige radioverbinding tot stand gebracht met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst.

2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor vluchten, die deel uitmaken van het luchtvaartterreinverkeer van een gecontroleerd luchtvaartterrein, voor zover door de Minister ontheffing is verleend.

3.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 112
1.

Indien de radioverbinding met de betrokken luchtverkeersleidingsdienst uitvalt wordt gehandeld overeenkomstig de door de Minister vastgestelde regels voor de luchtvaarttelecommunicatie.

2.

Indien het betrokken luchtvaartuig deel uitmaakt van het luchtvaartterreinverkeer wordt eveneens uitgekeken naar eventuele opdrachten in de vorm van visuele seinen.

Artikel 113

Door de Minister worden regels vastgesteld met betrekking tot de bediening van de boordapparatuur voor het beantwoorden van ondervragingen door radargrondstations (Secundary Surveillance Radar/SSR-transponder).

Artikel 114
1.

Wanneer een luchtvaartuig wordt onderschept door een ander luchtvaartuig wordt door het onderschepte luchtvaartuig:

2.

Indien door het onderschepte luchtvaartuig, uit welke bron dan ook, per radio opdrachten worden ontvangen die afwijken van de door het onderscheppende luchtvaartuig door middel van visuele seinen of radio gegeven opdrachten, wordt onmiddellijk opheldering gevraagd, terwijl intussen de door het onderscheppende luchtvaartuig gegeven opdrachten worden uitgevoerd.

Afdeling 4. Zichtvliegvoorschriften

Artikel 115
1.

Het is verboden VFR-vlucht uit te voeren onder zodanige weersomstandigheden, dat het vliegzicht en de afstand van het luchtvaartuig tot de wolken kleiner zijn dan de in de bij dit besluit behorende bijlage B «ATS Airspace Classifications» gestelde waarden.

2.

Het gestelde in het eerste lid geldt niet indien een klaring is verkregen van de betrokken luchtverkeersleidingsdienst voor het uitvoeren van een bijzondere VFR-vlucht.

Artikel 116

Het is verboden, tijdens een VFR-vlucht, te landen of op te stijgen van een luchtvaartterrein, dat is gelegen in een naderingsluchtverkeersleidingsgebied dan wel het plaatselijke luchtverkeersleidingsgebied worden binnengevlogen, indien:

Artikel 117
1.

Het is verboden, ongeacht de weersomstandigheden, een VFR-vlucht uit te voeren:

2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet, voor zover door de ter plaatse bevoegde luchtverkeersleidingsdienst ontheffing is verleend.

Artikel 118
1.

Onverminderd het gestelde in artikel 82, eerste lid, is het – tenzij zulks noodzakelijk is om op te stijgen of te landen – verboden een VFR-vlucht uit te voeren beneden de volgende minimum vlieghoogtes:

2.

Door de Minister kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing worden verleend.

3.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 119

Een VFR-vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften voor gecontroleerde vluchten wanneer de vlucht:

Artikel 120
1.

Wanneer tijdens een gecontroleerde VFR-vlucht blijkt, dat voortzetting daarvan onder zichtweersomstandigheden volgens het geldend vliegplan niet uitvoerbaar is, wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in het tweede, derde, vierde of vijfde lid.

2.

In de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, wordt, behoudens het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, een herziening van de klaring gevraagd, waardoor het alsnog mogelijk wordt om:

3.

Indien een klaring als bedoeld in het tweede lid niet kan worden verkregen wordt de vlucht voortgezet onder zichtweersomstandigheden en wordt de betrokken luchtverkeersleidingsdienst ingelicht omtrent de actie, die wordt ondernomen ten einde het luchtverkeersleidingsgebied, waarin eveneens luchtverkeersleiding aan VFR-vluchten wordt gegeven, te verlaten dan wel een landing uit te voeren op het dichtstbijzijnde daarvoor geschikte luchtvaartterrein.

4.

Wanneer een gecontroleerde VFR-vlucht als bedoeld in het eerste lid wordt uitgevoerd binnen een plaatselijk luchtverkeersleidingsgebied, kan toestemming worden verzocht om de vlucht te mogen voortzetten als bijzondere VFR-vlucht.

5.

Indien de gezagvoerder van een gecontroleerde VFR-vlucht als bedoeld in het eerste lid daartoe bevoegd is, kan hij verzoeken om de vlucht te mogen voortzetten in overeenstemming met de instrumentvliegvoorschriften.

Artikel 121

Bij het uitvoeren van een VFR-vlucht wordt:

Artikel 121a
1.

In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer worden bij regeling van de Minister regels gesteld inzake de navigatie- en telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het uitvoeren van een VFR-vlucht mee is uitgerust en de eisen waaraan die installaties aan voldoen.

2.

De Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het eerste lid gestelde regels. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als bedoeld in het tweede lid.

Afdeling 5. Instrumentvliegvoorschriften

§ 1. Algemeen

Artikel 122
1.

In het belang van de veiligheid van het luchtverkeer worden bij regeling van de Minister regels gegeven inzake de navigatie- en telecommunicatie-installaties waarmee een luchtvaartuig voor het uitvoeren van een IFR-vlucht is uitgerust en de eisen waar die installaties aan voldoen.

2.

De Minister kan ontheffing verlenen van de krachtens het eerste lid gegeven regels indien de navigatie- en telecommunicatie-uitrusting van het luchtvaartuig ten minste gelijkwaardige mogelijkheden biedt voor de vluchtuitvoering. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

3.

Bij het uitvoeren van een IFR-vlucht wordt voortdurend geluisterd op de desbetreffende radiofrequentie van de luchtverkeersdienst die vluchtinformatie verstrekt.

4.

Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 123
1.

Tenzij noodzakelijk om op te stijgen of te landen – is het verboden een IFR-vlucht uit te voeren beneden de volgende minimum vlieghoogten:

2.

Het bepaalde in artikel 118, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 124
1.

De maximum toegestane vliegsnelheid in de luchtverkeersdienstverleningsgebieden met klasse D tot en met G beneden vliegniveau 100 bedraagt 470 km/uur (250 knopen).

2.

Door de Minister kan van de maximum toegestane vliegsnelheid, bedoeld in het eerste lid, worden afgeweken.

Artikel 125
1.

Het is verboden af te zien van de IFR-vluchtuitvoering, tenzij zich tijdens een IFR-vlucht zichtweersomstandigheden voordoen, en het te voorzien is en in de bedoeling ligt dat de vlucht voor geruime tijd zal worden voortgezet in ononderbroken zicht-weersomstandigheden.

2.

Indien onder de in het eerste lid genoemde omstandigheden wordt besloten de vlucht verder als VFR-vlucht uit te voeren, wordt uitdrukkelijk aan de betrokken luchtverkeersleidingsdienst gemeld dat wordt afgezien van de IFR-vluchtuitvoering onder vermelding van de daartoe strekkende wijzigingen op het geldende vliegplan.

§ 2. Gecontroleerde IFR-vluchten

Artikel 126

Een IFR-vlucht wordt uitgevoerd in overeenstemming met de algemene vliegvoorschriften voor gecontroleerde vluchten, wanneer de vlucht wordt uitgevoerd in een luchtverkeersdienstverleningsgebied klasse A tot en met E.

Artikel 127

Bij het uitvoeren van een IFR-vlucht wordt:

Hoofdstuk 6. Diverse bepalingen

Artikel 128

De Minister kan nadere regels stellen ten aanzien van vluchten, waarbij door de aard van het luchtvaartuig of het doel van de vlucht niet kan worden voldaan aan bij of krachtens hoofdstuk 4 van dit besluit gestelde voorschriften.

Artikel 129

Op een manoeuvreergebied wordt door een voetganger of een bestuurder van een voertuig:

Artikel 130
1.

Het is verboden de krachtens artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Luchtvaartwet BES aangewezen toestellen, die geen luchtvaartuigen zijn, in het luchtruim te gebruiken.

2.

Door de Minister worden regels gesteld voor de volgende toestellen:

3.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet indien door de Minister ontheffing is verleend.

4.

Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend.

Hoofdstuk 7. Strafbepalingen

Artikel 131

Overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 25, 50, eerste lid, 53, 76, 81, 82, eerste lid, 83, eerste lid, 84, eerste lid, 85, eerste lid, 86, eerste lid, 87, eerste lid, 88, 89, 91, 92 tweede lid, 93, 94, 95, 96, 97, derde lid, 98, derde lid, 99, 101, 102, 103, eerste lid, 104, 105, 106, eerste lid, 107, 108, 109, 110, 111, eerste lid, 112, 113, 114, eerste lid, 115, eerste lid, 116, 117, eerste lid, 118, eerste lid, 119, 120, eerste tot en met derde lid, 121, 121a, 122, 123, eerste lid, 124, eerste lid, 125, 126, 127, 129 en 130, eerste lid, wordt gestraft met hetzij hechtenis van ten hoogste één jaar, hetzij geldboete van ten hoogste een boete van de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 132

Dit besluit is gebaseerd op artikel 22, eerste lid, van de Luchtvaartwet BES.

Artikel 133

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit Luchtverkeer BES.

Artikel 134

[vervallen]

Bijlage A. behorende bij artikel 3, derde lid, van het Besluit luchtverkeer BES

General requirements for providers of air navigation services

Organisational structure and management

Organisational structure

Organisational management

Business plan:

A provider of air navigation services shall produce a business plan covering a minimum period of five years. The business plan shall:

The business plan shall contain details of:

Annual plan:

A provider of air navigation services shall produce an annual plan. The annual plan shall demonstrate its ability to provide services safely, efficiently and continuously and describe any changes to the business plan. The annual plan shall at least cover capacity, service levels and financial arrangements:

infrastructure and capacity

Quality of Services

Financial Plan

Systems and processes for safety and quality management

Quality management system

A provider of air navigation services shall establish and maintain a quality management system which covers all air navigation services it provides according to the following principles:

An air navigation service provider shall initiate the process in order to obtain the ISO 9001 certificate for all air navigation services it provides by the end of 2006 at the latest.

Safety management

A provider of air navigation services shall institute and document measures to ensure safety in the form of a formalized, explicit and pro-active safety management system, based on a safety statement defining the organization’s fundamental approach to managing safety in respect of all services which are under its managerial control, whereby all individuals involved in and responsible for safety related activities bear responsibility for their own actions. In doing so, it shall establish formal interfaces with those of its suppliers having a direct impact on the safety of its services, in particular with the suppliers of telecommunications, information technology and electricity.

The safety management system shall ensure that the achievement of a satisfactory safety level shall be afforded priority over commercial, operational, environmental or social considerations.

Safety management responsibility

A provider of air navigation services shall ensure that a safety management function is identified with organizational responsibility for development and maintenance of the safety management system, with direct accountability to the highest organizational level. Where the combination of responsibilities may prevent sufficient independence in this regard, the arrangements for safety assurance shall be supplemented by additional independent means.

Quantitative safety levels / Risk assessment and mitigation

A provider of air navigation services shall ensure

Safety occurrences

A provider of air navigation services shall comply with the obligations stemming from directives of the director of Directorate of Civil Aviation. Furthermore, it shall ensure that any necessary corrective action is taken within a reasonable period following investigations of safety occurrences.

Safety assurance and promotion

A provider of air navigation services shall systematically carry out safety surveys to ensure compliance with the safety objectives or to implement improvements where needed. These surveys shall also detect any element which is approaching a point at which the safety standards can no longer be met. The ATS provider shall document procedures or systems employed to remedy these situations.

Documentation related to the safety management shall be maintained throughout the life of the system.

All lessons arising from safety occurrence investigations and other safety activities are disseminated within the organisation at managerial and operational levels. Staff shall be actively encouraged to propose solutions to identified hazards.

Safety improvement

A provider of air navigation services shall implement and document an effective safety improvement process which relies on a strong safety culture.

Competence of staff

A provider of air navigation services shall ensure that its personnel involved in safety related tasks is adequately trained and is competent to perform its duties, in addition to being properly licensed if so required.

The provider of air navigation services shall ensure that technical and engineering personnel have and maintain sufficient knowledge and understanding of the services they are supporting, of the actual and potential effects of their work on the safety of those services, and of the appropriate working limits to be applied.

With regard to its personnel involved in safety related tasks, the provider of air navigation services shall document the adequacy of the competence of its personnel; the rostering arrangements in place to ensure sufficient capacity and continuity of service; the personnel training policy, training plans and records.

The provider shall have procedures in place for cases where the physical or mental condition of the personnel is in doubt.

A provider of air navigation services shall maintain a register of information on the numbers, status and deployment of its staff. The register shall:

Operations manuals

A provider of air navigation services shall provide and keep up-to-date operations manuals relating to the provision of its services for the use and guidance of operations personnel. It shall ensure that:

If the provider is given a directive to amend the manual, the provider must comply with the directive.

Security

Human resources

A provider of air navigation services shall employ appropriately skilled people to ensure the provision of its services in a safe, efficient, continuous and sustainable manner. In this context, it shall adopt policies and programmes for human resources that demonstrate its plans, methods and tools for the selection, recruitment and retention of staff; and for the personnel development and training.

Wherever needed, the provider has to ensure the necessary security clearance of its staff.

Financial strength

Economic and financial capacity

A provider of air navigation services shall be able to:

Management of assets

A provider of air navigation services shall develop and maintain its assets so that it can provide the services safely, efficiently and continuously:

Proof of financial strength

A provider of air navigation services shall demonstrate its ability to meet its financial obligations through the provision of plans, balance sheets and accounts as practicable under its legal statute, including a business plan and an annual plan.

Liability and insurance cover

A provider of air navigation services shall have in place arrangements to cover its liabilities for:

The method employed to provide the cover referred to in paragraph 2 shall be appropriate to the potential loss and damage in question, taking into account the legal status of the service provider. It may comprise the use of a commercial insurance policy or underwriting by means of a State guarantee or another equally suitable mechanism.

Providers of services who avail themselves of services of another provider shall ensure that, the agreements cover the allocation of liability between the providers.

Quality of services

Open and transparent provision of services

A provider of air navigation services shall provide its services in an open and transparent manner without any discrimination in accordance with EU-law and the principles of ICAO.

A provider of air traffic services shall establish a formal consultation process with the airspace users on a regular basis, either individually or collectively, and at least once a year.

Contingency plans

A provider of air navigation services shall adopt contingency plans to detail the steps to be followed towards the continuity of services in the case of events which result in significant degradation or interruption of its services. These plans shall cover events resulting from accidents, technical failure, intentional acts, unscheduled breakdown or force majeure.

The contingency plans shall consider the possible impacts on adjacent airspace of such events; be coordinated with all relevant authorities, service providers and users, as appropriate, including providers of air navigation services in adjacent airspace; and detail internal and external coordination actions towards the recovery of services.

A provider of air navigation services shall take the guidelines outlined in Attachment D of Annex 11 into consideration when developing, promulgating and implementing of contingency plans.

Bijlage B. behorende bij artikel 16, vierde lid, en artikel 115, eerste lid, van het Besluit luchtverkeer BES

ATS AIRSPACE CLASSIFICATIONS

TABLE 2