Pensioenwet BES

Type Wet Bes
Publication 2021-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel 1
1.

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van deze wet wordt:

3.

Een ondernemingspensioenfonds kan aan meer dan een onderneming verbonden zijn.

4.

[vervallen]

5.

Indien de onderneming, waaraan een pensioenfonds verbonden is, ophoudt te bestaan, wordt dat fonds voor de toepassing van deze wet geacht zijn karakter als ondernemingspensioenfonds niet van rechtswege te verliezen.

Artikel 1a
1.

De werkgever brengt een pensioenovereenkomst, uiterlijk wanneer een werknemer pensioenaanspraken verwerft, onder door onmiddellijk een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten met en in stand te houden bij:

2.

De in het eerste lid opgenomen verplichting van de werkgever tot het sluiten en in standhouden van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst geldt niet bij uitvoering door een bedrijfstakpensioenfonds, mits de werkgever:

3.

De in het eerste lid opgenomen verplichtingen van de werkgever tot onderbrenging en het sluiten en in stand houden van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst gelden niet wanneer een pensioenovereenkomst is gesloten door een werkgever die tevens pensioenuitvoerder is, mits de pensioenovereenkomsten van deze werknemers worden ondergebracht bij de werkgever in zijn hoedanigheid van pensioenuitvoerder.

Artikel 2
1.

De werkgever die ter uitvoering van pensioenovereenkomsten een ondernemingspensioenfonds aan zijn onderneming heeft verbonden, is toegetreden tot een bedrijfstakpensioenfonds of een uitvoeringsovereenkomst heeft gesloten met een verzekeraar, is gehouden ervoor zorg te dragen dat de pensioenuitvoerder de overeengekomen bijdragen ontvangt.

2.

Indien de pensioenovereenkomst inhoudt dat de omvang van de werkgeversbijdrage telkens aan het einde van een periode wordt vastgesteld, mag een zodanige periode niet langer dan een jaar duren.

Indien de dienstbetrekking van een werknemer tijdens een zodanige periode eindigt, is de bijdrage naar tijdsevenredigheid verschuldigd.

3.

Indien een werkgever zich bij de pensioenovereenkomst de bevoegdheid tot vermindering of beëindiging van zijn bijdrage aan de pensioenregeling heeft voorbehouden, is hij verplicht van dit voorbehoud schriftelijk mededeling te doen aan de pensioenuitvoerder. Hij kan dit voorbehoud slechts maken voor het geval van een ingrijpende wijziging van omstandigheden. Wanneer hij voornemens is tot uitoefening van de bevoegdheid op grond van dit voorbehoud over te gaan, deelt hij dit onverwijld schriftelijk mede aan de pensioenuitvoerder, alsmede aan degenen, wier pensioen of aanspraak op pensioen daardoor wordt getroffen.

Artikel 3
1.

De werkgever komt met het aan zijn onderneming verbonden ondernemingspensioenfonds schriftelijk een regeling omtrent de betaling van de bijdragen overeen, die ten minste voldoet aan de voorschriften van het tweede lid. Een werkgever die is toegetreden tot een bedrijfstakpensioenfonds, treft eveneens een zodanige regeling met het bedrijfstakpensioenfonds, indien en voor zover statuten en reglementen van dit fonds niet overeenkomstige voorschriften omtrent de betaling van de bijdragen bevatten. Een werkgever die pensioenovereenkomsten heeft ondergebracht bij een verzekeraar, komt met die verzekeraar een regeling omtrent de betaling van bijdragen overeen, die ten minste voldoet aan de voorschriften van het tweede lid.

2.

De werkgever moet binnen tien dagen na afloop van elk kalenderkwartaal zijn eigen bijdrage in de voorziening voor elke deelnemer berekend over dat kwartaal alsmede de bijdragen, welke hij over dat kwartaal op het loon van de deelnemers heeft ingehouden, voldoen aan de pensioenuitvoerder. Wordt zijn bijdrage na afloop van een langere termijn dan een kwartaal vastgesteld, dan moet hij binnen tien dagen na afloop van elke kwartaal het vierde gedeelte van zijn geschatte jaarbijdrage voldoen, met dien verstande, dat hij zijn jaarbijdrage in haar geheel binnen negen maanden na afloop van het kalenderjaar moet hebben betaald.

3.

Indien een werkgever zijn verplichting tot betaling niet binnen een maand na afloop van de in het vorige lid genoemde termijn is nagekomen, is ieder der bestuurders van het fonds respectievelijk is de verzekeraar gehouden ervoor zorg te dragen, dat dit binnen 30 dagen aan de Bank schriftelijk wordt medegedeeld.

Artikel 4
1.

Als pensioenfonds mogen slechts werkzaam zijn rechtspersonen.

2.

Het bestuur van een pensioenfonds is verplicht zich binnen drie maanden na oprichting van het fonds bij Onze Minister en de Bank aan te melden met gebruikmaking van een door die Minister vast te stellen aanmeldingsformulier. Binnen dezelfde termijn zendt het bestuur een afschrift van de akte van oprichting, een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van de reglementen, alsmede een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van de overeenkomst waarin de regeling omtrent de betaling van de bijdragen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin, is opgenomen, in aan de genoemde minister en aan de Bank. Het bestuur van het fonds zendt een afschrift van de akte, houdende wijziging van de statuten, een door het bestuur gewaarmerkt exemplaar van wijzigingen van de reglementen, en voor zover het een ondernemingspensioenfonds betreft, een door het bestuur gewaarmerkt afschrift van wijzigingen van de overeenkomst, waarin de regeling omtrent de betaling van de bijdragen, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, eerste volzin, is opgenomen, binnen drie maanden na de totstandkoming van die wijzigingen in aan de genoemde minister en aan de Bank.

3.

[vervallen]

Artikel 5
1.

In het bestuur van een ondernemingspensioenfonds moeten de vertegenwoordigers van de in het fonds deelnemende werknemers en/of gewezen werknemers tenminste evenveel zetels bezetten als de vertegenwoordigers van de werkgever. Als voorzitter treedt op een door de vertegenwoordigers van de werknemers en/of gewezen werknemers en de vertegenwoordigers van de werkgever aan te wijzen onafhankelijke deskundige voor een nader door hen te bepalen termijn.

2.

De besluiten van het bestuur van een ondernemingspensioenfonds worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Ieder lid van het bestuur kan slechts één stem uitbrengen.

3.

In het bestuur van een bedrijfstakpensioenfonds hebben de vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersverenigingen in de betrokken bedrijfstak in gelijken getale zitting.

Artikel 5a
1.

Ten minste twee natuurlijke personen bepalen het dagelijks beleid van een pensioenfonds.

2.

De personen die het beleid van een pensioenfonds bepalen of mede bepalen richten zich bij de vervulling van hun taak naar de belangen van de bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, de pensioengerechtigden en de werkgever en zorgen ervoor dat dezen zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.

3.

Het beleid van een pensioenfonds wordt bepaald of mede bepaald door personen die deskundig zijn in verband met de uitoefening van het bedrijf van het pensioenfonds.

4.

Iedere bestuurder van een pensioenfonds is bevoegd een deskundige te raadplegen, of zich krachtens een bestuursbesluit, waarbij ten minste een vierde van de bestuurders zich daarvoor heeft uitgesproken, ter vergadering door een deskundige te laten bijstaan.

5.

Het bestuur van een pensioenfonds draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen buiten twijfel staat.

6.

Het bestuur van het pensioenfonds meldt elke wijziging in de samenstelling van de personen die het beleid van het pensioenfonds bepalen of mede bepalen vooraf aan de Bank.

7.

Een wijziging als bedoeld in het zesde lid wordt niet doorgevoerd indien:

8.

Indien zich een wijziging voordoet van de antecedenten die van invloed is op de betrouwbaarheid van de personen, bedoeld in het vijfde lid, stelt het pensioenfonds de Bank daarvan onverwijld schriftelijk in kennis.

9.

De betrouwbaarheid van een persoon staat buiten twijfel wanneer dat eenmaal door de Bank voor de toepassing van deze wet is vastgesteld, zolang niet een wijziging in de relevante feiten of omstandigheden een redelijke aanleiding geeft tot een nieuwe beoordeling.

10.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het derde en het vijfde tot en met het achtste lid.

Artikel 5b
1.

Een pensioenfonds richt zijn organisatie zodanig in dat deze een beheerste en integere bedrijfsvoering waarborgt.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het eerste lid. De regels hebben in ieder geval betrekking op:

Artikel 5c
1.

Een pensioenuitvoerder richt zijn organisatie zodanig in dat een goed bestuur is gewaarborgd waardoor er in ieder geval:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste lid regels worden gesteld.

Artikel 6
1.

In de statuten en reglementen van een pensioenfonds worden bepalingen opgenomen betreffende:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.