Besluit toezicht luchtvaart BES

Type Amvb Bes
Publication 2021-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In dit landsbesluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

De definities, opgenomen in artikel 1 van het Besluit luchtverkeer BES, zijn van toepassing op dit besluit.

Artikel 2

De bepalingen van dit besluit gelden niet ten aanzien van militaire luchtvaartuigen, de leden van het boordpersoneel, passagiers en lading van deze luchtvaartuigen alsmede ten aanzien van militaire luchtvaartterreinen.

Artikel 2A

Door de minister worden regels gesteld betreffende meeteenheden met betrekking tot lucht- en grondoperaties waaromtrent bij of krachtens de Luchtvaartwet BES voorschriften zijn gesteld.

Hoofdstuk 2. Orde en veiligheid vluchtuitvoering

Hoofdstuk 6. Samenwerkingsovereenkomsten met andere landen

Artikel 129
1.

Wanneer een of meer in het Nederlandse nationaliteitsregister ingeschreven luchtvaartuigen ingevolge een lease-, charter, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling wordt geëxploiteerd door een luchtvaartmaatschappij of een luchtvaartonderneming, welke haar hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, haar vaste woonplaats heeft in een buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba gelegen Staat welke aangesloten is bij het Verdrag kunnen de functies en taken met betrekking tot de luchtverkeersregels, het bewijs van luchtwaardigheid annex radiovergunning behorende bij het betreffende luchtvaartuig, alsmede het bewijs van bevoegdheid en de bevoegdverklaringen van het stuurhutpersoneel geheel of ten dele worden overgedragen, teneinde de Staat van Operatie in staat te stellen toezicht hierop uit te oefenen.

2.

Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op buitenlandse luchtvaartuigen van een Staat welke aangesloten is bij het Verdrag, die ingevolge een lease-, charter, of ruilovereenkomst of soortgelijke regeling worden geëxploiteerd door een luchtvaartmaatschappij of luchtvaartonderneming, waarvan haar hoofdkantoor of, bij afwezigheid daarvan, haar vaste woonplaats in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba is gelegen.

3.

De overdracht van functies en taken aan de Staat van Operatie, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op basis van een bilaterale overeenkomst.

4.

Overeenkomsten als bedoeld in het eerste lid kunnen tevens worden aangegaan met betrekking tot luchtvaartuigen, welke geëxploiteerd worden door op te richten organisaties voor de gezamenlijke exploitatie van luchtvervoer of internationale exploitatiebureaus, dan wel van het gemeenschappelijk uitoefenen van luchtdiensten op enige route of in enig gebied.

5.

Aan de sluiting van een overeenkomst als bedoeld in het derde en vierde lid gaat een evaluatie van de normen en voorschriften vooraf, zulks met inachtneming van de regels inzake gelijkstelling van buitenlandse bewijzen van luchtwaardigheid en buitenlandse bewijzen van bevoegdheid zoals bepaald bij of krachtens de Wet luchtvaart.

Hoofdstuk 6. Samenwerkingsovereenkomsten met andere landen

§ 1. Algemeen

Artikel 130
1.

De bepalingen in dit hoofdstuk en de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 zijn van toepassing op alle burgerlijke luchtvaart-terreinen in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.

De zorg voor de uitvoering van de in dit hoofdstuk en de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 genoemde bepalingen berust bij de exploitant van het luchtvaartterrein.

3.

Door de Minister kunnen nadere regels gesteld worden met betrekking tot de bepalingen in dit hoofdstuk.

Artikel 131
1.

De aanleg van een luchtvaartterrein is ter beoordeling door de Minister zodanig, dat luchtvaartuigen daarvan een veilig gebruik kunnen maken. Hiertoe worden desgevraagd gegevens overgelegd.

2.

Er worden ten genoegen van de Minister voorzieningen getroffen, dat de aan- en uitvlieghoogtes zodanig zijn, dat luchtvaartuigen veilig kunnen landen op en opstijgen van het luchtvaartterrein.

Artikel 132
1.

Door de Minister wordt de lengte van een baan op een luchtvaartterrein vastgesteld.

2.

De minimale breedte van een rijbaan wordt vastgesteld conform hoofdstuk 3, paragraaf 3.4 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.

3.

Op verzoek van de exploitant kan door de Minister voor de baan of rijbaan een breedte worden toegestaan, welke kleiner is dan aangegeven in hoofdstuk 3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14, mits:

4.

Door de Minister kunnen regels gesteld worden met betrekking tot de minimale veiligheidsvereiste.

Artikel 133

Op verzoek van de exploitant kan door de Minister, indien het betreft een instrumentenbaan niet zijnde een precisiebaan met als codenummer 3 of 4 ontheffing worden verleend inzake de strookbreedte van 150 meter zoals vereist onder paragraaf 3.4.4 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 mits de afstand tussen de lengteas van de baan en de lange zijde van de strook niet minder dan 75 meter bedraagt; en

Artikel 134
1.

Een gedeelte of gedeelten van een luchtvaartterrein kan worden bestemd tot platform.

2.

De inrichting en de regels voor het gebruik van platforms behoeven de goedkeuring van de Minister.

3.

De Minister onthoudt de goedkeuring, bedoeld in het tweede lid, indien de regels voor het gebruik van het platform de orde en veiligheid van het platform naar zijn oordeel onvoldoende waarborgen bevatten.

Artikel 135
1.

De exploitant draagt er zorg voor dat op het luchtvaartterrein aan alle vereisten wordt voldaan zoals neergelegd in de bij dit besluit bijbehorende bijlage CARNA Part 14.

2.

Door de Minister kan op verzoek van de exploitant ontheffing worden verleend van de bepalingen neergelegd in hoofdstuk 6 «Visual Aids for denoting obstacles»; hoofdstuk 7 «Visual Aids for denoting restricted use areas»; hoofdstuk 8 «Electrical systems»; hoofdstuk 9 «aerodrome operational services equipment and installations» welke opgenomen zijn in de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14, mits:

3.

De exploitant draagt er zorg voor dat bij operaties van luchtvaartterreinen rekening wordt gehouden met de richtlijnen neergelegd in Doc 9137 AN/898 «Airport Services Manual».

De exploitant draagt er zorg voor dat bij het opstellen van systemen, visuele hulpmiddelen, uitrusting en faciliteiten rekening wordt gehouden met de aanwijzingen en/of richtlijnen neergelegd in Doc 9157 AN/901 «Aerodrome Design Manual».

Artikel 136
1.

Een luchtvaartterreinreferentiecode (codenummer en letter), die wordt bepaald bij de planning van een luchtvaartterrein, wordt vastgesteld in overeenstemming met de kenmerken van de vliegtuigen waarvoor de luchtvaartterreinvoorzieningen zijn bestemd zulks conform tabel 1.1. «Aerodrome Reference code» van hoofdstuk 1 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.

2.

Voor een luchtvaartterrein wordt een referentiepunt vastgesteld.

3.

De referentietemperatuur van een luchtvaartterrein wordt vastgesteld in graden Celsius.

Artikel 137

[vervallen]

Artikel 138

Luchtvaartdata, luchtvaartterrein referentie, luchtvaartterrein referentie temperatuur, luchtvaartterreindimensies en daaraan gerelateerde informatie alsmede de sterkte van de banen, rijbanen en het platform worden aangegeven conform hoofdstuk 2 «Aerodrome data» van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.

Artikel 139
1.

Op een baan bestemd voor internationale verkeersvluchten worden de afstanden berekend van:

2.

Voor de berekening van de afstanden bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van de richtlijnen neergelegd in attachment A section 3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.

Artikel 140
1.

Informatie met betrekking tot de toestand waarin het landingsterrein, het platform en de daarbij behorende voorzieningen zich bevinden, wordt onverwijld aan de vluchtvoorlichtingsdienst (AIS) en voor wat betreft het landingsterrein tevens aan de luchtverkeersdienst doorgegeven, opdat de noodzakelijke inlichtingen verstrekt kunnen worden aan de luchtvaartuigen, die landen of vertrekken. De informatie moet bijgewerkt zijn en veranderingen moeten onverwijld gemeld worden.

2.

De toestand, waarin het landingsterrein, het platform en de daarbij behorende voorzieningen zich bevinden, worden voor wat betreft hun werking gecontroleerd en met betrekking tot zaken die van belang zijn voor vluchtvoorbereiding en vluchtuitvoering of die de prestaties van luchtvaartuigen betreffen, wordt in het bijzonder melding gemaakt van:

3.

Ten aanzien van de informatie, controles en meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen door de Minister nadere voorschriften worden vastgesteld en kunnen aanwijzingen worden gegeven.

4.

De exploitant van een luchtvaartterrein draagt er zorg voor dat een regeling tot stand komt met de AIS inzake de ontvangst en distributie van de informatie bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 141
1.

Inzake het verplaatsen van onklaar geraakte luchtvaartuigen worden de aanwijzingen van paragraaf 9.3 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14 opgevolgd.

2.

Ten aanzien van het verplaatsen van onklaar geraakte luchtvaartuigen wordt door de exploitant van het luchtvaartterrein een plan opgemaakt ten aanzien van de wijze waarop het een en ander wordt uitgevoerd.

Artikel 142
1.

Op een luchtvaartterrein is informatie beschikbaar met betrekking tot de mate van hulpverlening aan luchtvaartuigen en brandbestrijding.

2.

Indien belangrijke wijzigingen optreden in de voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, worden deze medegedeeld aan de desbetreffende luchtverkeersdiensten en de vluchtvoorlichtingsdienst (AIS), opdat deze diensten in staat zijn de luchtvaartuigen, die vertrekken en landen, van de noodzakelijke informatie te voorzien.

Artikel 143
1.

Elke luchtvaartterrein met een luchtvaartterreinreferentiecode 3 of 4, bedoeld in artikel 136, beschikt over een PAPI (Precision Approach Path Indicator)

2.

Elke luchtvaartterrein met een luchtvaartterreinreferentiecode 1 of 2, bedoeld in artikel 136, beschikt over een PAPI (Precision Approach Path Indicator) of APAPI (Abbreviated Precision Approach Path Indicator)

Artikel 144

[vervallen]

Artikel 145
1.

Op het luchtvaartterrein wordt een plaats aangewezen of wordt aan de plaatselijke luchtverkeersleidingsdienst een plaats gemeld waar luchtvaartuigen kunnen parkeren, die vermoed worden betrokken te zijn bij een wederrechtelijk vergrijp of die anderszins afgezonderd moeten worden van normale werkzaamheden op het luchtvaartterrein.

2.

De exploitant houdt bij de keuze van de plaats bedoeld in het eerste lid rekening met de specificaties van paragraaf 3.14 van de bij dit besluit behorende bijlage CARNA Part 14.

Artikel 146

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.