Onteigeningswet BES
Algemene bepalingen
Artikel 1
Onteigening ten algemene nutte kan in het publiek belang van de openbare lichamen plaats hebben.
Artikel 2
In het publiek belang als in artikel 1 omschreven kan ook ten name van bijzondere personen of verenigingen, aan wie de uitvoering van het werk, dat onteigening vordert, is toegestaan, worden onteigend.
Artikel 3
Als eigenaar van een onroerende zaak, en als rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, worden zij beschouwd, die als zodanig in de openbare registers, bedoeld in artikel 16 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES staan vermeld.
Desniettemin kan een ieder die beweert eigenaar te zijn, of rechthebbende op een recht als in artikel 4, eerste lid, omschreven, en niet is opgeroepen, aan de rechter verzoeken in het geding van onteigening te mogen tussenkomen, zolang de eindconclusies door partijen niet genomen zijn. Hetzelfde recht hebben derde belanghebbenden, waaronder zijn te verstaan beperkt gerechtigden, huurders, onderhuurders, bezitters, eigenaren in geval van mandeligheid volgens artikel 60, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek BES, schuldeisers als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek BES, en zij die op het te onteigenen goed of op een recht waaraan dat is onderworpen, beslag hebben gelegd. Deze laatsten kunnen in hun verzoek alleen worden ontvangen, indien zij daarbij een notaris of deurwaarder aanwijzen aan wie kan worden betaald.
Bij tegenspraak der hoedanigheid van eigenaar, rechthebbende of derde belanghebbende, wordt de onteigening met de overigen voortgezet, en zal hij, die beweert gerechtigde te zijn, zijn recht alleen op de schadevergoeding kunnen uitoefenen, die in dat geval wordt geconsigneerd.
Artikel 4
Wanneer op een onroerende zaak, die toebehoort aan de onteigende partij, een recht van opstal, erfpacht, vruchtgebruik, gebruik of bewoning rust, kan dat recht afzonderlijk worden onteigend.
Overigens kan door toepassing van deze wet een zaak slechts worden bevrijd van de met betrekking tot de zaak bestaande lasten en rechten door onteigening van die zaak.
Een aandeel in een zaak of een recht kan niet afzonderlijk worden onteigend.
Artikel 5
De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zoveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.
Artikel 5a
Waar in deze wet een kadastrale aanduiding is voorgeschreven, wordt, indien deze onmogelijk is, een nauwkeurige beschrijving gegeven van de ligging, vorm en omvang van de zaak; voor de aanduiding van een gedeelte van een zodanig perceel is een meetbrief vereist.
Titel I. Over onteigening in gewone gevallen
Hoofdstuk I. Over hetgeen aan de verklaring van het algemeen nut vooraf behoort te gaan
Artikel 6
Geen verklaring van algemeen nut wordt voorgesteld, dan nadat de belanghebbenden in staat zijn gesteld, hun bezwaren daartegen te doen horen.
Artikel 7
Te dien einde doet, nadat enig werk van algemeen nut is ontworpen, Onze Minister wie het aangaat aan het bestuurscollege van het openbaar lichaam, waarbinnen ten behoeve van dat werk onroerende zaken of daarop rustende rechten zullen te onteigenen zijn, een plan van het werk met de nodige kaarten toekomen.
Artikel 8
Gedurende eenentwintig dagen worden die plannen en kaarten op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam ter inzage van een ieder gelegd.
Van die terinzagelegging wordt door de gezaghebber in een ter plaatse verspreid wordend nieuws- of advertentieblad kennisgegeven of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze kennisgegeven.
De kosten komen ten laste van hen, te wier name het werk wordt ontworpen.
Artikel 9
Gedurende de termijn, genoemd in artikel 8, eerste lid, alsmede gedurende veertien dagen na verloop daarvan, kunnen bezwaren tegen de voorgenomen onteigening en het plan van het werk schriftelijk worden opgegeven aan de gezaghebber. Deze brengt die bezwaren ten spoedigste ter kennis van Onze Minister wie het aangaat en voegt er zijn advies over de ingebrachte bezwaren bij.
Artikel 10
Wanneer tot het maken van het plan werkzaamheden op of in iemands grond nodig geacht worden, moet de gebruiker van die grond ze gedogen, mits hem dit tweemaal vierentwintig uren te voren door de gezaghebber schriftelijk zij aangezegd.
De schade daardoor veroorzaakt, wordt door de rechter in eerste aanleg begroot en door ’s Rijks kas vergoed. Het Rijk verhaalt die kosten op hen, te wier name het werk wordt ontworpen.
Hoofdstuk II. Over de eindaanwijzing der te onteigenen goederen
Artikel 11
Het voorstel van wet tot verklaring van het algemeen nut wijst de aard en de strekking, zomede de hoofdpunten ter bepaling der algemene richting van het werk aan, en bij kanalen en wegen, zoveel mogelijk, de plaatsen, door welke zij zullen lopen. De termijn, waarbinnen de vordering tot onteigening moet worden ingesteld, wordt daarbij bepaald.
Nadat die verklaring wet is geworden, benoemt Onze Minister wie het aangaat een commissie, bestaande uit drie leden die, bijgestaan door een door Onze Minister wie het aangaat te benoemen deskundige en de gezaghebber van het openbaar lichaam, bijeenkomen, teneinde de bezwaren der belanghebbenden tegen het plan, volgens hetwelk de onteigening zal geschieden, aan te horen.
Die commissie moet haar werkzaamheden, met inbegrip van de inzending van het proces-verbaal in artikel 14 vermeld, binnen zes weken, van de dag harer benoeming af, volbracht hebben.
Artikel 12
Uiterlijk veertien dagen voordat de commissie bijeenkomt, maken Onze Minister wie het aangaat en de gezaghebber het tijdstip en de plaats van de bijeenkomst bekend, respectievelijk in de Staatscourant en in een of meer ter plaatse verspreid wordende nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze. De kosten komen ten laste van hen, te wier name het werk wordt uitgevoerd. De belanghebbenden worden daarbij tevens opgeroepen.
Artikel 13
Zo spoedig mogelijk, doch ten minste veertien dagen voor de hoorzitting worden ter inzage van een ieder nedergelegd:
- a. een uitgewerkt plan met uitvoerige kaarten van het werk en met grondtekeningen, waarop de te onteigenen onroerende zaken en de onroerende zaken waarop te onteigenen rechten rusten, met vermelding van hun kadastrale aanduiding zijn aangewezen;
- b. een lijst van de te onteigenen onroerende zaken aangeduid met hun kadastrale aanduiding met vermelding van:
- 1°. de grootte volgens de kadastrale registratie van elk der desbetreffende percelen en, indien een te onteigenen onroerende zaak een gedeelte van een perceel uitmaakt, bovendien de grootte van dat gedeelte;
- 2°. de namen van de eigenaars van elk dier zaken, volgens de kadastrale registratie;
- c. bij afzonderlijke onteigening als bedoeld in artikel 4, eerste lid, een lijst van de te onteigenen rechten met vermelding van de kadastrale aanduiding van de zaken waarop zij rusten, en de namen van de rechthebbenden op die rechten volgens de kadastrale registratie.
Deze tervisielegging wordt bekend gemaakt en de kosten worden ten laste gelegd op de wijze als in het vorige artikel vermeld.
De stukken blijven ter inzage van een ieder liggen, totdat de commissie haar werkzaamheden in het openbaar lichaam heeft volbracht.
Artikel 14
Van de mondeling bij haar ingekomen klachten maakt de commissie proces-verbaal, door de klagers te ondertekenen, op en zendt dit met de haar schriftelijk medegedeelde bezwaren, benevens haar mening daaromtrent, aan Onze Minister wie het aangaat.
Van dat proces-verbaal en dat advies moet een afschrift ten kantore van de gezaghebber, voor ieder, die dit verlangt, ter lezing liggen. Ieder kan er te zijnen koste een afschrift van nemen.
Artikel 15
Binnen zes maanden nadat de commissie haar arbeid heeft volbracht worden de te onteigenen onroerende zaken en rechten door Onze Minister wie het aangaat aangewezen door aanhaling van de in het eerste lid van artikel 13 bedoelde grondtekeningen en vermelding van de in dat artikellid genoemde gegevens.
Wanneer het besluit niet binnen die tijd genomen is, vervalt de wet, waarbij het algemeen nut verklaard is. Geen nieuwe wet mag daaromtrent voorgesteld worden, dan nadat opnieuw de formaliteiten bij artikel 6 en volgende voorgeschreven, hebben plaatsgehad.
Moeten nog andere onroerende zaken of rechten dan die, welke krachtens het eerste lid van dit artikel ter onteigening zijn aangewezen, onteigend worden, dan moeten de bepalingen van de vier voorgaande artikelen wederom worden toegepast en is het bepaalde in het eerste en tweede lid van dit artikel van toepassing.
Artikel 16
Het besluit wordt in de Staatscourant openbaar gemaakt en in afschrift of afdruk ten minste gedurende eenentwintig dagen ter inzage van een ieder gelegd op het bestuurskantoor van het openbaar lichaam.
Door de gezaghebber wordt die terinzagelegging, met vermelding van datum en nummer van het besluit en van de Staatscourant, waarin het is openbaar gemaakt, alsmede van de aard en strekking van het werk, vooraf aan de ingezetenen op de gebruikelijke wijze bekendgemaakt en in één of meer ter plaatse verspreid wordende nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze aangekondigd.
Een en ander geschied op kosten van hen, te wier name het werk wordt uitgevoerd.
Hoofdstuk III. Van het geding tot onteigening
Artikel 17
De onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.
Artikel 18
Is hetgeen onteigend moet worden niet bij minnelijke overeenkomst verkregen, dan doet de onteigenende partij de in het besluit aangewezen eigenaar voor de rechter in eerste aanleg, op een aan deze ingediend verzoekschrift oproepen, teneinde de onteigening te horen uitspreken en het bedrag der schadeloosstelling te horen bepalen. Betreft de onteigening een recht, dan wordt zij ingesteld tegen de in het besluit aangewezen rechthebbende; van deze vordering wordt kennisgenomen door de rechter in eerste aanleg.
Bij onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de openbare registers, bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES, een eeuwigdurende erfpacht rust, wordt ook de erfpachter opgeroepen.
De vordering tot onteigening moet op straffe van verval worden ingesteld binnen de termijn, bepaald bij de in artikel 11 bedoelde wet.
Het verzoekschrift wordt betekend aan degenen die als houder van op het te onteigenen goed rustende hypotheken in de openbare registers bedoeld in titel 1, afdeling 2, van Boek 3 van het Burgerlijke Wetboek BES zijn ingeschreven en aan de in die registers ingeschreven beslagleggers op het te onteigenen goed.
Artikel 19
In het geding tot onteigening treden, wanneer de uitvoering van het werk aan bijzondere personen of verenigingen is toegestaan, deze als eisende partij op.
Het geding tot onteigening in het belang van de volkshuisvesting of tot onteigening voor aanleg en verbetering van wegen, bruggen, havenwerken en terreinen en werken voor de luchtvaart wordt op naam van de gezaghebber van het desbetreffend openbaar lichaam gevoerd.
In de overige gevallen wordt het geding op naam van de procureur-generaal gevoerd.
Artikel 20
Wanneer de verweerder buiten het Koninkrijk woont, of zijn woonplaats onbekend is, wordt het geding gevoerd tegen de gevolmachtigde of bewindvoerder, indien een zodanige binnen het Koninkrijk bekend is, en, zo ook deze onbekend is, tegen een derde binnen het ressort van de rechter wonende en door deze, op verzoek en ten koste der onteigenende partij te dien einde te benoemen. De alzo benoemde kan, bij het ophouden zijner betrekking, het loon van de bewindvoerder eens afwezigen en daarenboven de gemaakte onkosten in rekening brengen.
Het geding wordt eveneens gevoerd tegen een derde binnen het ressort van de rechter wonende en door deze, op verzoek en ten koste van de onteigenende partij, te dien einde te benoemen, wanneer de gegevens, bedoeld in artikel 3, lid 1, niet in de openbare registers van de hypotheekbewaarder voorkomen.
Desniettemin is de verweerder gerechtigd ten dage, in artikel 22 genoemd, op de oproeping, aan de gevolmachtigde, bewindvoerder of door de rechter benoemde gedaan, te verschijnen, in welk geval de oproeping als aan hem geschied wordt beschouwd en het geding tegen hem wordt gevoerd.
Artikel 21
Het inleidend verzoekschrift moet, op straffe van nietigheid, de som, welke als schadeloosstelling aangeboden wordt, vermelden.
Artikel 22
Ten minste drie dagen vóór de verschijning, legt de onteigenende partij, tot staving van haar eis, ter griffie van het betrokken gerecht over:
- 1°. een exemplaar van de Staatscourant, waarin is openbaar gemaakt het koninklijk besluit, waarbij de te onteigenen onroerende zaken en rechten worden aangewezen;
- 2°. een door de gezaghebber afgegeven bewijs, dat de commissie tot het aanhoren van de bezwaren van de belanghebbenden zitting gehouden heeft in het openbaar lichaam, waarbinnen de te onteigenen onroerende zaak of de onroerende zaak waarop het te onteigenen recht rust; in dat bewijs wordt vermeld in welk nieuws- of advertentieblad en op welk tijdstip vorenbedoelde zitting is aangekondigd;
- 3°. een door de gezaghebber afgegeven bewijs, dat de uitgewerkte plannen met de daarbij behorende kaarten en grondtekeningen, overeenkomstig artikel 13, ten kantore van de gezaghebber gelegen hebben.
Artikel 23
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.