Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 16 september 2010, nr. AV/PB/2010/18205, tot wijziging van de Regeling Pensioenwet BES
Paragraaf 1. Aanmelding fonds
Artikel 1. Aanmelding pensioenfonds
Het bestuur van een pensioenfonds meldt de oprichting van het pensioenfonds overeenkomstig artikel 4 van de wet door middel van het formulier dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
Paragraaf 2. Toetsing betrouwbaarheid beleidsbepalers
Artikel 2. Betrouwbaarheid
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. betrouwbaarheid:het zich onthouden van een of meer gedragingen die naar het oordeel van de Bank in de weg staan aan het vervullen van de functie van (mede)beleidsbepaler als bedoeld in artikel 5a van de wet.
- b. gedragingen: een doen of nalaten dat blijk geeft van de afwezigheid van eigenschappen als:
- –. waarheidslievendheid;
- –. verantwoordelijkheidszin;
- –. wetsgetrouwheid;
- –. openheid;
- –. oprechtheid;
- –. prudentie;
- –. punctualiteit;
- –. onkreukbaarheid;
- –. discretie;
- –. rechtschapenheid.
- c. antecedenten: voornemens, handelingen, en strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten. De strafrechtelijke-, financiële-, toezichts- en overige antecedenten omvatten de in de bijlage 2 genoemde feiten en omstandigheden.
- d. betrokkenen:beleidsbepalers bij onder toezicht staande pensioenfondsen.
Artikel 3. Betrouwbaarheidstoetsing
De betrouwbaarheidstoetsing:
- a. is gebaseerd op het antecedentenonderzoek zoals in de wet bepaald;
- b. is toepasbaar op alle betrokkenen als bedoeld in artikel 2, onder d; en
- c. dient ter waarborging van de integriteit van een pensioenfonds, door middel van toetsing van bovengenoemde betrokkenen.
Artikel 4. Frequentie toetsing
De toetsing van betrouwbaarheid van de betrokkenen geschiedt om de drie jaar en wanneer de Bank dit noodzakelijk acht, onder meer:
- a. bij wijziging van antecedenten voor afloop van de gestelde periode; en
- b. in geval van een gemeld incident.
Artikel 5. Onverenigbaarheid van belangen
Gelet op aard en de ernst van de misdrijven genoemd in bijlage 2.A.2, worden de aan die misdrijven ten grondslag liggende gedragingen op voorhand geacht onverenigbaar te zijn met de belangen die de wet beoogt te beschermen.
Indien de antecedenten van de betrokkene kunnen worden gekwalificeerd als feiten en omstandigheden in de zin van zowel bijlage 2.A.1 als bijlage 2.A.2, dan geldt het bepaalde van het eerste lid, tenzij sedert de dag waarop deze uitspraak onherroepelijk is geworden acht jaren of meer zijn verstreken.
Paragraaf 3. Continuïteitsanalyse
Artikel 6. Continuïteitsanalyse
Het inzicht dat de continuïteitsanalyse biedt in de mate waarin de voorwaardelijke toeslagverlening kan worden toegekend, wordt aangegeven door de cumulatieve toekenning over de 15 prognosejaren op jaarbasis uit te drukken.
Bij de continuïteitsanalyse worden kalenderjaren gehanteerd, tenzij sprake is van een continuïteitsanalyse op grond van artikel 12, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES. In dat geval worden actuele data gebruikt.
Het pensioenfonds geeft aan waarin een continuïteitsanalyse afwijkt van een eerder uitgevoerde continuïteitsanalyse.
Paragraaf 4. Afkoop kleine pensioenen bij ingang
Artikel 7. Hoogte bedrag en consumentenprijsindexcijfer
De bedragen, bedoeld in artikel 7b, vierde lid, van de wet, worden vastgesteld op:
-
- USD 1506, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Bonaire;
-
- USD 1505, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Sint Eustatius;
-
- USD 1501, indien belanghebbende woonachtig is in het openbaar lichaam Saba, en
-
- USD 1506, indien belanghebbende woonachtig is buiten de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 8. Uitzondering op afkoop
De afkoop van een pensioen, bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de wet, is niet mogelijk:
- a. ten aanzien van een weduwen- en weduwnaarspensioen of een bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen, indien uit hoofde van het overlijden waaraan het recht op pensioen wordt ontleend, tevens recht bestaat op wezenpensioen ten laste van het fonds;
- b. ten aanzien van een tijdelijk pensioen.
Paragraaf 5. Waardeoverdracht
Artikel 9. Definities
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. ouderdomspensioen: het ouderdomspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat;
- b. weduwen- en weduwnaarspensioen: het weduwen- en weduwnaarspensioen waarop krachtens artikel 7 van de wet aanspraak bestaat;
- c. bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen: het pensioen, bedoeld in artikel 8 van de wet, berekend overeenkomstig de wijze waarop het weduwen- en weduwnaarspensioen wordt berekend;
- d. contante-waardefactor: het actuarieel bepaalde getal, gebaseerd op kans- en rentefactoren, waarmee de waarde pensioenaanspraak op enig tijdstip wordt vastgesteld;
- e. contante waarde: het bedrag waarop een pensioenaanspraak wordt gewaardeerd door vermenigvuldiging van dat pensioen met de contante-waardefactor;
- f. overdrachtswaarde: het bedrag van de contante waarde van de opgebouwde pensioenaanspraken van een gewezen deelnemer;
- g. rentestandskorting: korting op de contante waarde ter verrekening van overrente boven de rekenrente die in aanmerking is genomen bij de bepaling van de contante-waardefactor.
Artikel 10. Procedure met betrekking tot overdragende pensioenuitvoerder
De gewezen deelnemer kan uiterlijk tot twee jaar na beëindiging van de deelneming een verzoek tot waardeoverdracht doen bij de overdragende pensioenuitvoerder.
Bij het verzoek legt de gewezen deelnemer een schriftelijke verklaring van de ontvangende pensioenuitvoerder over waarin deze verklaart bereid te zijn mee te werken aan de waardeoverdracht.
De overdragende pensioenuitvoerder verstrekt binnen twee maanden na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde verzoek aan de gewezen deelnemer een schriftelijke gedagtekende opgave van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder:
- a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd;
- b. toeslagverlening;
- c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en
- d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht.
De waardeoverdracht kan plaatsvinden nadat de gewezen deelnemer schriftelijk heeft ingestemd met de in het derde lid bedoelde opgave.
Indien de gewezen deelnemer niet binnen zes maanden na dagtekening van de opgave of, indien hij tegen die opgave bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft aangetekend, binnen zes maanden nadat die opgave in rechte onaantastbaar is geworden, schriftelijk met de opgave heeft ingestemd, wordt het verzoek geacht te zijn ingetrokken.
Artikel 11. Procedure met betrekking tot ontvangende pensioenuitvoerder
De ontvangende pensioenuitvoerder kan de overdrachtswaarde in ontvangst nemen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- a. de gewezen deelnemer verstrekt de in artikel 10, derde lid, bedoelde opgave aan de ontvangende pensioenuitvoerder;
- b. de ontvangende pensioenuitvoerder verstrekt aan de gewezen deelnemer een opgave van de aanspraken die de gewezen deelnemer in de nieuwe pensioenregeling in verband met de waardeoverdracht zal ontvangen; en
- c. de gewezen deelnemer heeft ingestemd met de in onderdeel b opgenomen opgave en heeft verzocht om de overdracht.
Artikel 12. Realisatie waardeoverdracht
De overdragende pensioenuitvoerder draagt de overdrachtswaarde over aan de ontvangende pensioenuitvoerder binnen drie maanden na ontvangst van het in artikel 11, onderdeel c, bedoelde verzoek.
Door de overdracht vervallen de pensioenaanspraken van de gewezen deelnemer jegens de overdragende pensioenuitvoerder.
Artikel 13. Bepaling omvang overdrachtswaarde
De overdrachtswaarde heeft uitsluitend betrekking op aanspraken op ouderdoms-, weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.
Voor de bepaling van de omvang van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de bedragen die gelden op de datum waarop het verzoek tot overdracht of overname van de overdrachtswaarde door de pensioenuitvoerder is ontvangen. Wanneer het verzoek is ontvangen voor de datum waarop betrokkene deelnemer is geworden, dan wel zijn deelnemerschap is geëindigd, treedt de datum van indiensttreding of van beëindiging van het deelnemerschap in de plaats van de datum, bedoeld in de eerste volzin.
Artikel 14. Berekening contante waarde
Bij overdracht of overname van de overdrachtswaarde wordt uitgegaan van de contante-waardefactoren, die het bestuur, na overleg met de Bank, heeft vastgesteld ter berekening van de contante waarden van:
- a. ouderdomspensioen van vrouwen;
- b. ouderdomspensioen van mannen; en
- c. weduwen- en weduwnaarspensioen en bijzonder weduwen- en weduwnaarspensioen.
De contante-waardefactoren, bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld met toepassing van de rekenrente van de laatstelijk samengestelde actuariële balans van het fonds. De sterftekansen worden ontleend aan de door het Actuarieel Genootschap gepubliceerde sterftetafels die toegepast zijn bij de laatstelijk samengestelde actuariële balans.
Artikel 15. Rentestandskorting
Indien de overdragende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt de over te dragen overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor (100 - X ) : 100, waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.
Indien ontvangende pensioenuitvoerder een rentestandskorting toepast, wordt voor de toepassing van artikel 16 het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde vermenigvuldigd met de factor 100 : ( 100 - X ), waarin X de waarde van de bedoelde rentestandskorting voorstelt.
Artikel 16. Berekening deelnemingsjaren
De ontvangende pensioenuitvoerder berekent fictieve deelnemingsjaren gelijk aan W: CWP, waarin:
W = het bedrag van de beschikbaar gestelde overdrachtswaarde, na toepassing van artikel 15, tweede lid; en
CWP = de contante waarde van het ouderdomspensioen per dienstjaar, vastgesteld met gebruikmaking van de contante-waardefactoren, bedoeld in artikel 14.
Tevens omvat CWP voor alle deelnemers de contante waarde van het weduwen- en weduwnaarspensioen per dienstjaar.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het inkomen op de datum, bedoeld in artikel 13, tweede lid.
De fictieve deelnemingsjaren, bedoeld in het eerste lid, worden door de ontvangende pensioenuitvoerder behandeld alsof zij zijn opgebouwd in de pensioenovereenkomst met de nieuwe werkgever.
Artikel 17. Bijzondere gevallen
Voor groepen van gevallen waarin toepassing van deze paragraaf tot een naar het oordeel van de betrokken pensioenuitvoerders onredelijke uitkomst leidt, zijn de pensioenuitvoerders gezamenlijk dan wel individueel bevoegd ten gunste van belanghebbenden een regeling te treffen die met de strekking van deze paragraaf overeenkomt.
Van de in het eerste lid bedoelde regeling wordt een afschrift gezonden aan de Algemene Rekenkamer en aan de Bank.
Paragraaf 6. Consistentie
Artikel 18. Consistentie
Voor de toepassing van artikel 7f, eerste lid, van de wet wordt verstaan onder:
- a. financiering:
- 1°. bij pensioenfondsen: hetgeen op grond van artikel 28, onderdeel f, g en h, van het Besluit Pensioenwet BES is opgenomen in de actuariële en bedrijfstechnische nota, bedoeld in artikel 16e van de wet;
- 2°. bij een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling: hetgeen in de uitvoeringsovereenkomst over de financiering is geregeld;
- b. het realiseren van voorwaardelijke toeslagen: de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar.
Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een pensioenfonds indien:
- a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van het vereist eigen vermogen over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht, die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en
- b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het pensioenfonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van de technische voorzieningen op het vereist eigen vermogen te brengen.
Indien uitgaande van het vereist eigen vermogen van het pensioenfonds niet aan de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde voorwaarde wordt voldaan, bestaat consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet indien:
- a. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van een hogere dekkingsgraad dan het vereist eigen vermogen, over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen; en
- b. op basis van een continuïteitsanalyse uitgaande van de technische voorzieningen wordt verwacht dat het in de financiering besloten herstelvermogen van het fonds voldoende is om de dekkingsgraad binnen een periode van 15 jaar van het de technische voorzieningen op de, in onderdeel a genoemde, hogere dekkingsgraad te brengen.
De Bank kan op verzoek van een pensioenfonds toestaan dat onderdeel b van het tweede of derde lid niet wordt toegepast, dan wel dat voor de continuïteitsanalyse, bedoeld in die onderdelen, mag worden uitgegaan van een hogere dekkingsgraad dan de technische voorzieningen.
Consistentie als bedoeld in artikel 7f, eerste lid, van de wet, bestaat voor een door een verzekeraar uitgevoerde pensioenregeling indien op basis van een berekening met het rekeninstrument voor verzekeraars over een periode van 15 jaar een toeslagverlening wordt verwacht die in voldoende mate aansluit bij de gewekte verwachtingen.
Paragraaf 7. Vaststelling vereist eigen vermogen
Artikel 19. Standaardmodel
Voor de berekening van het vereist eigen vermogen per risicofactor volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 23, eerste lid, van het Besluit Pensioenwet BES, gaat het fonds uit van een scenariomethode op basis van de volgende risicofactoren:
- a. het renterisico wordt bepaald aan de hand van het voor het fonds in termen van netto verlies meest negatieve scenario van een rentestijging c.q. rentedaling op basis van de in artikel 1 van bijlage 3 opgenomen rentefactoren;
- b. het aandelen- en vastgoedrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in:
- 1°. aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed met 25%;
- 2°. aandelen opkomende markten met 35%;
- 3°. niet beursgenoteerde aandelen met 30%; en
- 4°. direct vastgoed met 15%;
- c. het valutarisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van de beleggingen in andere valuta dan de dollar met 20%;
- d. het grondstoffenrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de waarde van beleggingen in grondstoffen met 30%;
- e. het kredietrisico wordt bepaald aan de hand van een daling van de gewogen gemiddelde rentemarge voor het kredietrisico van het fonds met 40%;
- f. het verzekeringstechnische risico;
- g. het liquiditeitsrisico bedraagt 0%;
- h. het concentratierisico bedraagt 0%; en
- i. het operationeel risico bedraagt 0%.
Het vereist vermogen per risicofactor, bedoeld in het eerste lid, is gelijk aan het absolute getal van de waardedaling van het eigen vermogen als gevolg van het scenario voor de betreffende risicofactor.
Artikel 20. Correlaties
Bij de samenvoeging van het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 tot het totale vereist eigen vermogen wordt uitgegaan van de volgende correlaties:
- a. tussen het aandelen- en vastgoedrisico enerzijds en het renterisico anderzijds: een correlatie (ρ) van 0,50;
- b. tussen de risico’s die zijn onderscheiden bij het aandelen- en vastgoedrisico: een correlatie (ρ) van 0,75;
- c. tussen de overige risico’s: een correlatie (ρ”) van 0.
Voor de berekeningen, bedoeld in het eerste lid, worden de in artikel 2 van bijlage 3 opgenomen formules en de in dat onderdeel beschreven procedure gebruikt.
Artikel 21. Risicoprofiel
Indien het standaardmodel leidt tot uitkomsten die onvoldoende overeenkomen met het risicoprofiel van het fonds, dan treedt het fonds in overleg met de Bank over de te nemen maatregelen.
Artikel 22. Vereenvoudigd model
De Bank kan toestemming verlenen voor de vaststelling van het vereist eigen vermogen volgens een vereenvoudigd model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het pensioenfonds beschikt over:
- a. een eigen vermogen dat ten minste 30% van de technische voorzieningen bedraagt, waarbij geen sprake is van financiering met achtergestelde leningen;
- b. een eenvoudige pensioenregeling;
- c. een eenvoudig en risicomijdend beleggingsbeleid; en
- d. een eenvoudige bedrijfsvoering.
Een pensioenfonds dat een vereenvoudigd model toepast, stelt het vereist eigen vermogen vast op 30% van de technische voorzieningen.
Indien een pensioenfonds in een eerdere periode het standaardmodel of een intern model heeft toegepast, kan toestemming om het vereenvoudigd model toe te passen alleen worden verleend indien sprake is van een substantiële inkrimping, een sterke vereenvoudiging van de bedrijfsprocessen, een eenvoudiger risicoprofiel, een sterk verbeterde financiële positie of een eenvoudigere pensioenregeling.
De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 23. Intern model
De Bank kan toestemming verlenen voor de berekening van het vereist eigen vermogen volgens een intern model als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van het Besluit Pensioenwet BES indien het fonds voldoet aan door de Bank gestelde regels ten aanzien van:
- a. de organisatorische inbedding van het intern model; en
- b. de te hanteren data en de technische aspecten van het interne model.
Het intern model vormt een integraal onderdeel van het risicomanagement van het fonds.
Voor het vaststellen van het vereist eigen vermogen volgens een intern model gaat het pensioenfonds uit van een stochastische benaderingswijze waarbij het pensioenfonds de risicofactoren bepaalt en rekening houdt met de waarde van de ontwikkeling van activa en passiva in hun onderlinge samenhang.
In een intern model kan gebruik worden gemaakt van elementen of benaderingsmethoden van het standaardmodel, mits deze aan het karakter van het interne model geen afbreuk doen.
Een pensioenfonds dat een intern model hanteert:
- a. geeft, als de uitkomsten van het intern model verschillen met die van het voorgaande jaar, aan de Bank aan waaruit die verschillen bestaan; en
- b. dient bij de Bank eens in de 3 jaar een analyse in volgens het standaardmodel, bedoeld in artikel 19.
De Bank kan aan de toestemming, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden.
Artikel 24. Overgangsregeling
In afwijking van artikel 23, eerste lid, kan de Bank een fonds dat niet voldoet aan de in artikel 23, eerste lid, genoemde regels toestemming verlenen voor het toepassen van een intern model, indien:
- a. naar het oordeel van de Bank de regels waaraan het fonds niet voldoet het gebruik van een intern model niet belemmeren; en
- b. de verwachting is dat het fonds binnen twee jaren wel aan de regels zal voldoen.
Paragraaf 8. Slotbepalingen
Artikel 25. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Pensioenwet BES.
Artikel 26. Eisen aan de begroting
De begroting legt een koppeling tussen:
- a. de doelstellingen van het beleid, uitgedrukt in te bereiken effecten;
- b. de daartoe te leveren prestaties of activiteiten; en
- c. de daarvoor in te zetten financiële middelen en capaciteit.
De begroting dient zodanig te zijn ingericht dat:
- a. duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen verzekeraars die een pensioenregeling uitvoeren en pensioenfondsen en, voor zover toepasselijk, tussen materieel en prudentieel toezicht; en
- b. de investeringen en de toerekening daarvan aan de bij of krachtens de wet aan de Bank opgedragen taken inzichtelijk is.
Artikel 27. Eisen aan de toelichting bij de begroting
De toelichting bij de begroting bevat een financieel en een beleidsmatig deel en een toelichting per begrotingsartikel.
De toelichting bij het financiële deel van de begroting gaat in op:
- a. de inzet van financiële middelen en capaciteit;
- b. het effect van investeringen van de Bank en hoe deze tot uitdrukking komen in de toezichtkosten;
- c. de gehanteerde bedrijfseconomische grondslagen; en
- d. de ontwikkelingen van de loon- en prijsmutaties voor de totale toezichtkosten.
De toelichting bij het beleidsmatige deel van de begroting gaat in op:
- a. de relevante (beleids)wijzigingen in de taakuitoefening, die in het begrotingsjaar ten opzichte van het lopende jaar zijn te verwachten, en de daarmee samenhangende kosten; en
- b. de verwachte effecten van doelmatigheidsbevordering.
Artikel 28. Eisen aan de gewijzigde of aanvullende begroting
Op de gewijzigde of aanvullende begroting, bedoeld in artikel 154, vierde lid, van de Pensioenwet, dat op grond van artikel 23 van de wet van overeenkomstige toepassing is, zijn de artikelen 25 tot en met 27 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 29. Indienen van jaarverslag en verantwoording
De Bank zendt het jaarverslag en de verantwoording, bedoeld in artikel 23 van de wet, gelijktijdig aan de minister.
De verantwoording gaat vergezeld van de bevindingen van de raad van commissarissen.
Artikel 30. Eisen aan verantwoording
De verantwoording legt een koppeling met de begroting en volgt de systematiek van de begroting. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing. Afwijkingen van de begroting worden toegelicht.
De verantwoording bevat een vergelijking met de realisatie, opgenomen in de verantwoording van het voorafgaande jaar, en de begroting van het jaar waarop de verantwoording betrekking heeft.
Artikel 31. Eisen aan het jaarverslag
In het jaarverslag doet de Bank verslag van:
- a. de activiteiten in het afgelopen kalenderjaar; en
- b. de knelpunten bij de uitvoering van het toezicht en de wijze waarop met deze knelpunten is omgegaan.
Artikel 27, derde lid, is van overeenkomstige toepassing op het jaarverslag.
Artikel 32. Bevindingen
De raad van commissarissen vermeldt in zijn bevindingen of:
- a. de begroting, het jaarverslag en de verantwoording is opgesteld conform de bij of krachtens de wet daaraan gestelde eisen;
- b. is afgeweken van de afspraken die met de minister zijn gemaakt; en
- c. conform de overeengekomen procedures overleg is gepleegd met belanghebbenden en de wijze waarop is ingegaan op hun bevindingen.
Paragraaf 9. Kosten
Artikel 33. Vaststelling verschuldigd bedrag kosten
De minimumbedragen, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit Pensioenwet BES bedragen voor het:
- a. prudentieel toezicht voor fondsen: USD 295;
- b. materieel toezicht voor fondsen en verzekeraars: USD 207.
De maatstaven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het:
- a. toezicht voor pensioenfondsen: de som van de premiebaten en de directe beleggingsopbrengsten zoals vastgesteld op basis van de regels, bedoeld in artikel 36 van het Besluit Pensioenwet BES, met dien verstande dat de directe beleggingsopbrengsten worden bepaald op het bedrag voor aftrek van de afschrijving van de geactiveerde overrente;
- b. materieel toezicht voor verzekeraars: het bruto premie inkomen.
De maximummaatstaven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel c, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het:
- a. prudentieel en materieel toezicht voor pensioenfondsen: USD 401.213.388;
- b. materieel toezicht voor verzekeraars: geen maximummaatstaf.
De tarieven, bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel d, van het Besluit Pensioenwet BES, bedragen voor het heffingsjaar 2010 voor:
- a. prudentieel en materieel toezicht tezamen voor pensioenfondsen: 0,1257%;
- b. materieel toezicht voor verzekeraars: 0,001125%.
Artikel 34. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als Regeling Pensioenwet BES.
Bijlage 1. behorend bij paragraaf 1
Formulier pensioenfonds als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Pensioenwet BES
| 1. Algemene gegevens | ||
|---|---|---|
| a. Bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds? | ||
| b. naam | ||
| postadres | ||
| bezoekadres | ||
| telefoon | ||
| Fax | ||
| Inschrijfnummer Kamer van Koophandel en Nijverheid | ||
| Administrateur/contactpersoon | ||
| c. bij bedrijfstakpensioenfondsen: Ten behoeve van welke bedrijftak of gedeelte daarvan werkt het fonds? | ||
| bij ondernemingspensioenfondsen: Naam van de onderneming of instelling waaraan het fonds is verbonden. | ||
| d. Aantal werknemers dat als deelnemers is opgenomen | ||
| e. Aantal ondernemingen dat bij het fonds is aangesloten | ||
| 2. Financiële structuur van het fonds | ||
| a. Worden de pensioenverplichtingen (bijvoorbeeld ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschikteheidspensioen) herverzekerd? | O ja | O nee |
| Zo ja, welke? | ||
| b. Worden overlijdensrisico’s herverzekerd? | O ja | O nee |
| c. Worden arbeidsongeschiktheidsrisico’s herverzekerd? | O ja | O nee |
| 3. Externe adviseurs naam van de externe deskundige | ||
| Naam van de actuaris | ||
| 4. Beleidsbepalers (artikel 5a Pensioenwet BES) | ||
| a. naam en functie van bestuursleden en andere personen die het beleid van het fonds (mede) bepalen | ||
| Naam | functie | |
| 4b. Naam en functie van de personen die het dagelijks beleid bepalen | ||
| Naam | functie | |
| 5. Ondertekening | ||
| Namens het bestuur van het fonds | ||
| datum | ||
| plaats | ||
| Voorzitter | ||
| Naam | ||
| handtekening | ||
| secretaris | ||
| Naam | ||
| handtekening |
Bijlage 2. behorend bij paragraaf 2
Bijlage 2.A.1:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, tweede lid
Onder strafrechtelijke antecedenten worden in ieder geval verstaan:
Onder financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
De betrokkene heeft een vrijwillige betaling als bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten.
Onder toezichtsantecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:
De betrokkene wordt terzake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder fiscaal bestuurlijke antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:
Bijlage 2.A.2:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, eerste en tweede lid
Veroordelingen binnen of buiten de openbare lichamen
Onder overige antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging(en), worden in ieder geval voor de betrokkene verstaan:
Bijlage 2.B:. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
Onder financiële antecedenten, van belang voor de beoordeling van de daaraan ten grondslag liggende gedraging of gedragingen, worden voor de betrokkene in ieder geval verstaan:
Andere feiten of omstandigheden die wijzen op betrokkenheid van betrokkene bij één of meer financiële gedragingen voor zover die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de beoordeling van diens betrouwbaarheid.
Bijlage 2.C:. Toezichtsantecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
S1 voor het vereist eigen vermogen voor het renterisico.
Bijlage 2.D:. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten
S3 voor het vereist eigen vermogen voor het valutarisico.
S4 voor het vereist eigen vermogen voor het grondstoffenrisico.
Bijlage 2.E:. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
S6 voor het vereist eigen vermogen voor het verzekeringstechnische risico.
Bijlage 3. behorend bij paragraaf 7
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Het vereist eigen vermogen wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:
•
• waarbij ρ = 0,50.
Daarbij zal deze formule worden aangepast als aan de risicofactoren S7, S8 en S9 waarden worden toegekend.
Het vereist eigen vermogen van het fonds, als bedoeld in artikel 13c van de wet, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.
In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico S 2 als volgt tot stand. In is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed (S 2A ), aandelen opkomende markten (S 2B ), niet-beursgenoteerde aandelen (S 2C ) en direct vastgoed (S 2D ) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S 2 ) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S 2A tot en met S 2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S 2 aan de hand van de formule:
•
Waarbij ρ’ = 0,75.
S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.
S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.
Het vereist eigen vermogen wordt bepaald aan de hand van de volgende formule en op basis van onderstaande procedure:
•
• waarbij ρ = 0,50.
Daarbij zal deze formule worden aangepast als aan de risicofactoren S7, S8 en S9 waarden worden toegekend.
Het vereist eigen vermogen van het fonds, als bedoeld in artikel 13c van de wet, wordt bepaald aan de hand van een iteratief proces. Dit proces bestaat uit het herhaald toepassen van het standaardmodel. Het beleggingsbeleid met de bijbehorende beleggingskarakteristieken blijft daarbij gelijk. Het belegde vermogen in de tweede toepassing en in iedere daaropvolgende herhaalde toepassing is gelijk aan het belegde vermogen in de daaraan voorafgaande toepassing minus het aan het eind van de daaraan voorafgaande toepassing bepaalde verschil tussen het eigen vermogen en de uitkomst van de formule. De herhalingsprocedure stopt indien dit verschil niet langer significant is. Dit is doorgaans het geval na twee herhalingen. De uitkomst van de formule is dan gelijk aan het vereist eigen vermogen.
In deze formule komt het vereist vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico S 2 als volgt tot stand. In is bepaald dat in het standaardmodel bij de aggregatie van het vereist eigen vermogen voor respectievelijk aandelen ontwikkelde markten en indirect vastgoed (S 2A ), aandelen opkomende markten (S 2B ), niet-beursgenoteerde aandelen (S 2C ) en direct vastgoed (S 2D ) tot het totale vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico (S 2 ) rekening wordt gehouden met de mogelijke statistische samenhang tussen de effecten van de scenario’s. Bij de aggregatie wordt uitgegaan van een uniforme correlatie ρ’ van 0,75. De componenten S 2A tot en met S 2D worden vervolgens gecombineerd tot het totaal vereist eigen vermogen voor aandelen- en vastgoedrisico S 2 aan de hand van de formule:
•
Waarbij ρ’ = 0,75.
Bijlage 1. behorend bij paragraaf 1
Formulier pensioenfonds als bedoeld in artikel 4, tweede lid, Pensioenwet BES
| 1. Algemene gegevens | ||
|---|---|---|
| a. Bedrijfstakpensioenfonds of ondernemingspensioenfonds? | ||
| b. naam | ||
| postadres | ||
| bezoekadres | ||
| telefoon | ||
| Fax | ||
| Inschrijfnummer Kamer van Koophandel en Nijverheid | ||
| Administrateur/contactpersoon | ||
| c. bij bedrijfstakpensioenfondsen: Ten behoeve van welke bedrijftak of gedeelte daarvan werkt het fonds? | ||
| bij ondernemingspensioenfondsen: Naam van de onderneming of instelling waaraan het fonds is verbonden. | ||
| d. Aantal werknemers dat als deelnemers is opgenomen | ||
| e. Aantal ondernemingen dat bij het fonds is aangesloten | ||
| 2. Financiële structuur van het fonds | ||
| a. Worden de pensioenverplichtingen (bijvoorbeeld ouderdomspensioen, nabestaandenpensioen en arbeidsongeschikteheidspensioen) herverzekerd? | O ja | O nee |
| Zo ja, welke? | ||
| b. Worden overlijdensrisico’s herverzekerd? | O ja | O nee |
| c. Worden arbeidsongeschiktheidsrisico’s herverzekerd? | O ja | O nee |
| 3. Externe adviseurs naam van de externe deskundige | ||
| Naam van de actuaris | ||
| 4. Beleidsbepalers (artikel 5a Pensioenwet BES) | ||
| a. naam en functie van bestuursleden en andere personen die het beleid van het fonds (mede) bepalen | ||
| Naam | functie | |
| 4b. Naam en functie van de personen die het dagelijks beleid bepalen | ||
| Naam | functie | |
| 5. Ondertekening | ||
| Namens het bestuur van het fonds | ||
| datum | ||
| plaats | ||
| Voorzitter | ||
| Naam | ||
| handtekening | ||
| secretaris | ||
| Naam | ||
| handtekening |
Bijlage 2. behorend bij paragraaf 2
Bijlage 2.A.1:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, tweede lid
Onder strafrechtelijke antecedenten worden in ieder geval verstaan:
De betrokkene is bij rechterlijke uitspraak veroordeeld ter zake van poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van medeplegen van en/of medeplichtigheid aan een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten uit:
Onder veroordelingen wordt ook verstaan veroordelingen in het buitenland wegens overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
De betrokkene heeft een vrijwillige betaling als bedoeld in artikel 76 van het Wetboek van Strafrecht BES gedaan ter zake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten.
Onder transacties wordt ook verstaan in het buitenland met de terzake bevoegde autoriteiten ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
De betrokkene wordt terzake van een of meer van de hiervoor onder 1 genoemde strafbare feiten niet of niet verder vervolgd, dan wel vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging.
Onder voorwaardelijke of onvoorwaardelijk sepot, niet verdere vervolging, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging wordt ook verstaan soortgelijke uitspraken en maatregelen buiten de openbare lichamen ter zake van overtreding van een of meer daar geldende strafbepalingen vergelijkbaar met de hiervoor genoemde.
Bijlage 2.A.2:. Strafrechtelijke antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, en artikel 5, eerste en tweede lid
Veroordelingen binnen of buiten de openbare lichamen
De betrokkene is bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak veroordeeld voor (poging tot, voorbereiding van, doen plegen van, uitlokken van en/of medeplichtigheid aan) een of meer van de hieronder opgesomde strafbare feiten:
Bijlage 2.B:. Financiële antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
Bijlage 2.C:. Toezichtsantecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
Bijlage 2.D:. Fiscaal bestuursrechtelijke antecedenten
Aan betrokkene is op grond van de Belastingwet BES een straf opgelegd ter zake van één of meer van de hierna genoemde strafbare feiten:
Bijlage 2.E:. Overige antecedenten als bedoeld in artikel 2, onderdeel c
Bijlage 3. behorend bij paragraaf 7
Artikel 1. Rentefactoren voor het bepalen van het vereist eigen vermogen voor renterisico
Artikel 2. Formules en procedure standaardmodel
Het vereist eigen vermogen per risicofactor als bedoeld in artikel 19 wordt als volgt aangeduid:
S2 voor het vereist eigen vermogen voor het aandelen- en vastgoedrisico.
S5 voor het vereist eigen vermogen voor het kredietrisico.
S7 voor het vereist eigen vermogen voor het liquiditeitsrisico.
S8 voor het vereist eigen vermogen voor het concentratierisico.
S9 voor het vereist eigen vermogen voor het operationeel risico.