Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Zou na verlies van het Nederlanderschap op grond van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN maar vóór 1 februari 2001, uit de persoon bedoeld in artikel V, tweede lid, RRWN een kind zijn geboren, dan heeft dat kind, aannemende dat de andere ouder geen Nederlander is, bij geboorte niet het Nederlanderschap verkregen. Echter, door de inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN wordt de oorspronkelijk Nederlandse ouder van het kind geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Achteraf bezien moet dan daardoor het kind geacht worden te zijn geboren uit een Nederlandse ouder en derhalve toch het Nederlanderschap sedert geboorte te bezitten ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN. Weliswaar is in artikel 2 RWN geregeld dat, tenzij de wet anders bepaalt, de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft, maar in dit geval kan ten aanzien van de verkrijging van het Nederlanderschap door het kind, niet worden gesproken van terugwerkende kracht. Er wordt slechts achteraf vastgesteld dat de ouder geacht moet worden het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dus Nederlander te zijn geweest op het tijdstip van de geboorte van het kind. Daaruit kan alleen maar volgen, dat het kind geacht moet worden sedert zijn geboorte Nederlander te zijn op grond van artikel 3, eerste lid, RWN.
Freddy, geboren in 1962 in Australië, heeft op 1 januari 1995 zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN. Aan hem is laatstelijk op 10 augustus 1992 een Nederlands paspoort afgegeven. Als gevolg van voormeld verlies heeft zijn zoon Frank, geboren in 1993, op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN eveneens op 1 januari 1995 het Nederlanderschap verloren. Zoon Eric, geboren in 1996, verkreeg bij geboorte niet het Nederlanderschap (geen van de ouders was toen Nederlander). Freddy is in 1998 overleden. Hij bezat uitsluitend de Australische nationaliteit.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 moet ten aanzien van de inmiddels overleden Freddy worden aangenomen, dat hij zijn Nederlanderschap niet verloren heeft; met andere woorden hij moet geacht worden als Nederlander te zijn overleden, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort werd afgegeven.
Als gevolg hiervan moet ook zoon Frank geacht worden niet het Nederlanderschap te hebben verloren. Aangenomen moet worden dat de verliesgrond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN nimmer op hem van toepassing is geweest, aangezien ten aanzien van hem niet meer kan worden gesteld dat zijn vader het Nederlanderschap heeft verloren ingevolge het oude artikel 15, onder c, RWN. Zoon Eric moet geacht worden te zijn geboren als kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader het Nederlanderschap bezat. Daaruit volgt dat hij geacht moet worden het Nederlanderschap sedert geboorte te bezitten ingevolge artikel 3, eerste lid, RWN.
Emanuel, van Nederlandse en Australische nationaliteit, geboren in 1960 in Australië, woont sedert 10 februari 1987 in Australië. Emanuel is laatstelijk op 5 augustus 1991 in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 februari 1997 heeft hij zijn Nederlanderschap verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers tien jaar in zijn geboorteland, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit).
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt Emanuel geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren, aangezien aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Hebben minderjarige kinderen van Emanuel op grond van het oude artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, RWN tegelijk met hem het Nederlanderschap verloren, dan worden ook die kinderen geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Of de kinderen inmiddels (na het aanvankelijke verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig zijn geworden speelt geen rol.
Modellen
3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
4. Modellen met betrekking tot de verklaring van verbondenheid
Gijs wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan Gijs het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Modellen
1. Modellen behorende bij de optieprocedure
16-2-d. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder d
16a-alg. Toelichting
Zie de toelichting bij artikel 20 RWN.
20-alg. Toelichting algemeen
20-alg. Toelichting algemeen
21-alg. Toelichting algemeen
Artikel 22
De in deze bepaling bedoelde registers zijn in beheer bij de IND, unit Nationaliteit en Naturalisatie (192) te Rijswijk. Deze registers bevatten gegevens met betrekking tot:
Artikel 22
In Aruba, Curaçao en Sint Maarten wordt eveneens een openbaar register gehouden van de aldaar wonende personen waarin dezelfde gegevens worden bijgehouden als die genoemd in artikel 22, eerste lid, RWN.
Artikel 23
Artikel 22c
23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
23-1. Toelichting ad artikel 23, eerste lid
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
In artikel 60a en 60b van het BvvN is de wijze van afleggen van de verklaring van verbondenheid vastgesteld. Daarnaast is in voornoemde artikelen bepaald de gevallen waarin het afleggen van de verklaring niet wordt gevraagd of om redenen van redelijkheid niet kan worden gevraagd.
25-alg. Toelichting algemeen
25-alg. Toelichting algemeen
Artikel 26
26-alg. Toelichting algemeen
26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
Artikel 27
Een Nederlandse vrouw Christien trouwt in 1962 met een Italiaanse man. Zij verkrijgt als gevolg van haar huwelijk automatisch de Italiaanse nationaliteit. Zij verliest van rechtswege de Nederlandse nationaliteit op grond van artikel 5 (oud) WNI. Christien kan, mits jegens haar geen ernstige vermoedens bestaan dat zij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk, de Nederlandse nationaliteit herkrijgen door bevestiging van optie. Tussen 1 april 2003 en 1 april 2013 behoeft zij daarvoor niet één jaar toelating voor onbepaalde tijd en hoofdverblijf in het Koninkrijk te hebben. Zij voldoet immers aan de voorwaarde genoemd in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, RWN.
27-alg. Toelichting algemeen
27-alg. Toelichting algemeen
27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
29-alg. Toelichting algemeen
Op grond van artikel 14, derde lid, RvvN tellen ook de tijdvakken van toelating die Louisa in Curacao voor 10 oktober 2010 heeft doorgebracht mee voor de periode van toelating in de zin van de RWN.
Op grond van het tweede artikellid heeft een persoon van wie het Nederlanderschap is ingetrokken geen aanspraak op de rechten die de RWN in het algemeen verbindt aan de status van oud-Nederlander. Hij kan dan ook geen optie afleggen op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, RWN en komt evenmin in aanmerking voor een versnelde naturalisatie als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN, eerste zinsdeel ‘verzoeker die te eniger tijd het Nederlanderschap (…) heeft bezeten’. Voor de toepassing van laatstbedoelde bepalingen wordt hij geacht het Nederlanderschap niet te hebben bezeten.
Artikel II
14-2. Toelichting ad artikel 14, tweede lid, RWN
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 14, tweede lid, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is onder meer van belang in verband met het gestelde in de tweede en derde zin van artikel 14, tweede lid, RWN. Daar is bepaald, dat geen verlies van het Nederlanderschap intreedt indien de andere ouder Nederlander is op het tijdstip van het vervallen van de familierechtelijke betrekking of dat was ten tijde van zijn overlijden en dat evenmin verlies intreedt indien het kind het Nederlanderschap ook ontleent aan artikel 3, derde lid, RWN of aan artikel 2, aanhef en onder a, WNI. Deze uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 14, tweede lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in dat artikel van de RWN opgenomen.
IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
N.B. Tot 1 april 2003 gold een verliesgrond, in hoofdlijnen overeenkomend met het thans geldende artikel 14, tweede lid, RWN. Die verliesgrond was opgenomen in het eerste lid van het oude artikel 14 RWN en tevens van toepassing op meerderjarigen. Voorwaarde was dat het Nederlanderschap moest worden ontleend aan artikel 3, 4 of 5 RWN. De vraag die zich bij de toepassing van die bepaling voordeed was: wat rechtens indien de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892. Uit Rechtbank ’s-Gravenhage 16 april 1999, nr. 98.637 blijkt dat het oude artikel 14, eerste lid, RWN naar de letter dient te worden toegepast. Dit heeft tot gevolg dat in die gevallen, waarin de familierechtelijke betrekking is komen te vervallen en het Nederlanderschap wordt ontleend aan de WNI, betrokkene niet geacht wordt het Nederlanderschap door het vervallen van de betrekking te hebben verloren.
Ingevolge artikel III RRWN heeft artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, b, c en d, RWN, zoals die bepaling luidt sedert 1 april 2003, terugwerkende kracht tot 1 januari 1985. Dit is vooral van belang in verband met het gestelde onder b, c en d van bedoeld tweede lid, waar is geregeld dat in bepaalde uitzonderingsgevallen geen verlies van het Nederlanderschap, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, RWN intreedt. De onder b, c en d genoemde uitzonderingen op de hoofdregel van artikel 16, eerste lid, RWN zijn pas sedert 1 april 2003 in het tweede lid van artikel 16 RWN opgenomen.
De optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap zoals neergelegd in artikel V, eerste lid, RRWN eindigde op 31 maart 2005.
V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Wettekst:
IV RRWN-alg. Toelichting algemeen
Artikel V, tweede lid, RRWN is in werking getreden op 1 februari 2001 (koninklijk besluit van 21 december 2000, Stb. 2001,2). Ingevolge deze bepaling wordt de persoon die vóór 1 april 2003 op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, zijn Nederlanderschap verloren heeft door tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan hij tevens de nationaliteit bezit én aan wie na 1 januari 1990 – en vóór het verlies van de Nederlandse nationaliteit – een bewijs van Nederlanderschap of een Nederlands reisdocument is verstrekt, geacht zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren. Een nieuwe verliestermijn van tien jaar gaat voor deze persoon lopen op de dag van verstrekking van een van beide voormelde documenten.
Artikel V
V RRWN-alg. Toelichting algemeen
V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Voor Emanuel is op 1 april 2003 een nieuwe verliestermijn van 10 jaar gaan lopen. Voor een inmiddels (na aanvankelijk verlies van het Nederlanderschap) meerderjarig geworden kind van Emanuel, dat ook geacht wordt het Nederlanderschap niet te hebben verloren en dat in zijn geboorteland is blijven wonen, begint de verliestermijn van het nieuwe artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, RWN te lopen op de dag waarop hij meerderjarig is geworden, maar niet eerder dan op 1 januari 2003.
Gijs, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt Gijs in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest Gijs zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert Gijs naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Bij inwerkingtreding van artikel V, tweede lid, RRWN op 1 februari 2001 wordt Gijs geacht zijn Nederlanderschap niet op 10 januari 1995 te hebben verloren, omdat aan hem na 1 januari 1990 een Nederlands paspoort is verstrekt. Gijs moet dan ook geacht worden Nederlander te zijn geweest ten tijde van zijn naturalisatie tot Australiër op 20 december 2000. Dat heeft weer tot gevolg dat hij door die naturalisatie zijn Nederlanderschap heeft verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
Gijs, geboren op 10 januari 1967 in Zuid-Afrika, van Nederlandse en Zuid-Afrikaanse nationaliteit, woont sedert zijn geboorte in Zuid-Afrika. Op 15 maart 1994 wordt Gijs in het bezit gesteld van een Nederlands paspoort. Op 10 januari 1995 verliest Gijs zijn Nederlanderschap op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN (hij woont dan immers na zijn meerderjarigheid gedurende tien jaren in het land waarin hij is geboren en waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit). Op 1 februari 1995 emigreert Gijs naar Australië, waar hij op 20 december 2000 wordt genaturaliseerd tot Australiër.
Vervallen.
Gijs wordt dus door de werking van artikel V, tweede lid, RRWN weliswaar hersteld in zijn Nederlanderschap, doch slechts tot 20 december 2000, op welke datum voor hem de verliesbepaling van artikel 15, aanhef en onder a, RWN, van toepassing is geworden. Na inwerkingtreding van de overige bepalingen van de RRWN kan Gijs het Nederlanderschap niet herkrijgen door optie ingevolge artikel V, eerste lid, RRWN, omdat hij geacht wordt zijn Nederlanderschap niet te hebben verloren op grond van de verliesbepaling van het oude artikel 15, aanhef en onder c, RWN; hij heeft het verloren op grond van artikel 15, aanhef en onder a, RWN.
4. Modellen met betrekking tot de verklaring van verbondenheid
3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
4. Modellen met betrekking tot de verklaring van verbondenheid
Vervallen.
3. Modellen met betrekking tot bezit en afstand van het Nederlanderschap
4. Modellen met betrekking tot de verklaring van verbondenheid
Paragraaf 3. Bewijslast
paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 1.36) (zie paragraaf 2.2.4.1Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid)
paragraaf 4. Afleggen verklaring van verbondenheid (zie tevens paragraaf 2.12.3 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN)
paragraaf 2.4.2. Beoordeling of aan de (overige) voorwaarden wordt voldaan
paragraaf 2.10.5. Procedurele aspecten na uitreiking
paragraaf 2.1. Toelating van rechtswege
Artikel 18
Artikel 21
21-alg. Toelichting algemeen
Artikel 22
22-2. Toelichting ad artikel 22, tweede lid
Artikel 22a
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Artikel 24
24-alg. Toelichting algemeen
Artikel 26
26-2. Toelichting ad artikel 26, tweede lid
26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
27-1. Toelichting ad artikel 27, eerste lid
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Artikel 28
BvvN: artikelen 2; 3.1; 3.2 en 6.1 t/m 6.3
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Artikel 29
29-alg. Toelichting algemeen
De Guatemalteekse Victor woont sinds 2004 in de (toenmalige) Nederlandse Antillen, namelijk in Bonaire. Op 1 februari 2011 gaat Victor naar de IND-BES om een verzoek om naturalisatie in te dienen. Op grond van artikel 29 RWN telt de periode dat Victor in Bonaire verbleef, terwijl Bonaire nog geen openbaar lichaam was, mee in de totale vereiste termijn van hoofdverblijf. Voor hem geldt een periode van vijf jaar toelating en hoofdverblijf onmiddellijk voorafgaande aan het moment dat hij zijn verzoek om naturalisatie indient.
Artikel II
Artikel III
N.B. In geval van fraude gepleegd bij het uitbrengen van een optieverklaring vóór de inwerkingtreding van de herziene RWN, dus vóór 1 april 2003, is intrekking van het Nederlanderschap niet mogelijk. Een optie die werd uitgebracht vóór de herziening van de RWN was een eenzijdige rechtshandeling. Indien achteraf wordt geconstateerd dat bij het uitbrengen van de optie niet aan alle wettelijke voorwaarden werd voldaan, moet worden geconcludeerd dat aan de optie geen rechtsgevolg is verbonden, waardoor de betrokkene geacht moet worden nimmer het Nederlanderschap door die optie te hebben verkregen. Intrekking van het Nederlanderschap is in dat geval dus niet aan de orde. Zie ook de toelichting bij artikel 14 RWN.
16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
1. Modellen behorende bij de optieprocedure
2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
paragraaf 2.6. Weigering bevestiging
paragraaf 2.6. Weigering bevestiging
paragraaf 2.7. Bezwaar
Paragraaf 3.5.5. In het verleden overgelegde buitenlandse akten
Artikel 21
Artikel 22b
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Artikel 24
26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
26-1. Toelichting ad artikel 26, eerste lid
26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
Artikel 28
Artikel 28
28-2. Toelichting ad artikel 28, tweede lid
Artikel 29
16-2. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, onder a, b, c en d, RWN
V RRWN-alg. Toelichting algemeen
Aangezien de verliestermijn van het oude artikel 15, onder c, RWN ingevolge artikel 26 RWN (oud) niet eerder kan zijn aangevangen dan op 1 januari 1985, heeft inmiddels sedert 1 januari 1995 een fors aantal personen het Nederlanderschap verloren als gevolg van tienjarig verblijf in het land van geboorte, waarvan men tevens de nationaliteit bezit. Artikel V RRWN bood wat dat betreft een reparatiemogelijkheid. Deze optiemogelijkheid tot herkrijging van het Nederlanderschap eindigde op 31 maart 2005.
V RRWN-1. Toelichting ad artikel V, eerste lid, RRWN
Modellen
1. Modellen behorende bij de optieprocedure
2. Modellen behorende bij de naturalisatieprocedure
Paragraaf 4. Kind geboren op of na 1 januari 1985, buitenlandse vaststelling vaderschap vóór 1 april 2003
Artikel 5
5b-2. Toelichting ad artikel 5b, tweede lid
Artikel 6
Paragraaf 1. Algemeen
6-1-e. Toelichting ad artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e
Paragraaf 1. Algemeen
paragraaf 1.1. Geboorte vóór 1 januari 1985
paragraaf 2.6.2. Bevestiging ten aanzien van de ouder/weigering bevestiging medeverkrijging
Paragraaf 1. Algemeen
16-2-g. Toelichting ad artikel 16, tweede lid, aanhef en onder g
Artikel 18
Artikel 20
21-alg. Toelichting algemeen
Artikel 22c
23-2. Toelichting ad artikel 23, tweede lid
23-3. Toelichting ad artikel 23, derde lid
Artikel 25
26-3. Toelichting ad artikel 26, derde lid
Artikel 27
27-2. Toelichting ad artikel 27, tweede lid
28-1. Toelichting ad artikel 28, eerste lid
28-3. Toelichting ad artikel 28, derde lid
Artikel 29
Artikel III
V RRWN-2. Toelichting ad artikel V, tweede lid, RRWN
Vervallen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.
Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein.
BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)