Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Type Circulaire Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 230
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De naturalisandus die niet is verschenen en wiens besluit is vervallen, kan enkel een nieuw verzoek om naturalisatie indienen (of een optieverklaring afleggen) om zo alsnog Nederlander te worden. Tegen het vervallen van het naturalisatiebesluit, als gevolg van het verstrijken van de vervaltermijn van één jaar na de dagtekening van het besluit staat geen bezwaar of beroep open. Het betreft immers verval van rechtswege.

De gezaghebber reikt het desbetreffende uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap uit binnen zes weken na de verzending van de oproeping (artikel 60b, vierde lid BvvN). Ingeval het uittreksel niet tijdig is aangeleverd bij de gezaghebber of is zoekgeraakt voordat dit is uitgereikt, volstaat een kopie of een fax van het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap voor de uitreiking.

De gezaghebber reikt het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap (de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap) uit aan de naturalisandus of medenaturalisandus die ten tijde van het indienen van het naturalisatieverzoek zestien jaar of ouder was en ná het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de personen die hiertoe verplicht zijn. Was de betrokkene op dat tijdstip jonger dan 16 jaar dan wordt het uittreksel uitgereikt aan zijn wettelijke vertegenwoordiger (artikel 60b, vijfde lid BvvN). Zie ook de tabel oproepen en uitreiken.

Bij een verzoek om medeverlening dient de hoofdpersoon in wiens naturalisatie wordt gedeeld, op de ceremonie aanwezig te zijn. Indien deze persoon niet aanwezig is, dan wordt het uittreksel, waarop zowel de hoofdnaturalisandus als het in diens naturalisatie delende minderjarig kind vermeld staan, niet aan het eventueel aanwezige kind uitgereikt. Dit kind noch de hoofdnaturalisandus worden op dat moment Nederlander. In dat geval wordt de hoofdnaturalisandus voor de volgende ceremonie opgeroepen, op de wijze die hierboven is beschreven bij ‘termijn van oproeping’.

De persoon aan wie het besluit wordt uitgereikt, dient ter identificatie van hemzelf (en, indien van toepassing, de persoon die hij vertegenwoordigt) een (geldig) identiteitsbewijs over te leggen.

De bekendmaking van het besluit is opgedragen aan de gezaghebber. Verhuist de naturalisandus daarna, dan kan de gezaghebber de uitreiking zelf verrichten of deze (door middel van een machtiging) overdragen aan de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, de Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, de Gouverneur van Sint Maarten, de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant in het Europese deel van Nederland of het hoofd van de diplomatieke en/of consulaire post van het ressort waar de optant zijn nieuwe woonplaats heeft. Indien de gezaghebber aan wie het desbetreffende uittreksel is toegezonden, ondanks verhuizing van de naturalisandus, de uitreiking zelf verricht, dan stelt hij de de gezaghebber van Bonaire, Sint Eustatius of Saba, de Gouverneur van Aruba, de Gouverneur van Curaçao, de Gouverneur van Sint Maarten, de burgemeester van de nieuwe woonplaats van de optant in het Europese deel van Nederland of het hoofd van de diplomatieke en/of consulaire post van het ressort waar de naturalisandus zijn nieuwe woonplaats heeft van deze uitreiking in kennis.

paragraaf 3.12.3. Afleggen verklaring van verbondenheid

Voor naturalisandi die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie indienen, bevat de naturalisatieceremonie na die datum een onderdeel waarin zij de verklaring van verbondenheid afleggen. De verklaring van verbondenheid en het afleggen ervan is de onderstreping van het moment van de verkrijging van de nieuwe nationaliteit, het Nederlanderschap. Het is het moment dat nieuwe rechten en plichten meebrengt, welke men kenbaar aanvaart. Met het afleggen van de verklaring van verbondenheid verklaart de burger dat hij zich bewust is van de betekenis van aanvaarding en verkrijging van de nieuwe nationaliteit. De verklaring van verbondenheid wordt altijd in het Nederlands afgelegd. De verklaring van verbondenheid en de twee varianten voor de bevestiging zijn wettelijk bepaald in artikel 23 RWN. Daarmee staat de uit te spreken tekst wettelijk vast. Er kan geen sprake zijn van het uitspreken van een vertaling van de tekst.

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

De verklaring van verbondenheid wordt besloten met het uitspreken van de bevestiging ‘Zo waarlijk helpe mij God almachtig’ òf ‘Dat verklaar en beloof ik’. De keuze is aan de verzoeker. De tekst van de bevestiging staat wettelijk vast en van deze tekst kan niet worden afgeweken.

De gezaghebber houdt van verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009 bij óf een verklaring van verbondenheid is afgelegd en de wijze waarop dit is gebeurd. Het feit van aflegging tekent de gezaghebber aan op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) dat aan de IND-BES wordt verzonden (zie tevens paragraaf 2.12.5 Procedurele aspecten na de terugmelding).

Vanaf 1 maart 2009 moet iedere meerderjarige verzoeker, die op of na 1 maart 2009 een verzoek om naturalisatie heeft ingediend, op de naturalisatieceremonie de verklaring van verbondenheid afleggen. Daarnaast geldt de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid vanaf 1 maart 2009 ook voor de minderjarige naturalisandus die zelfstandig een verzoek om naturalisatie indient op grond van artikel 11, vierde lid, RWN en ten tijde van de indiening van dat verzoek zestien jaar of ouder is.

De minderjarige die ten tijde van de indiening van het verzoek om naturalisatie jonger is dan zestien jaar hoeft niet uitgenodigd te worden om te verschijnen op de naturalisatieceremonie en hoeft geen verklaring van verbondenheid af te leggen.

Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt in dat geval aangehouden. Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BvvN). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan.

Indien de naturalisandus zich bij de indiening van het verzoek om naturalisatie wel bereid heeft verklaard (model 2.30) de verklaring van verbondenheid af te leggen, maar komt hij deze toezegging niet na en door de Onze Minister is geen vrijstelling van het afleggen van deze verklaring gegeven, dan zal het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt en het Nederlanderschap niet verkregen worden.

Dit geldt ook voor de minderjarige naturalisandus van zestien of zeventien jaar die op grond van artikel 11, vierde lid, RWN een verzoek om naturalisatie heeft ingediend en die wettelijk verplicht is de verklaring van verbondenheid af te leggen en deze verplichting niet nakomt. Ook aan de kinderen die wel aanwezig zijn en die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, wordt het hen betreffende uittreksel uit het naturalisatiebesluit niet uitgereikt en zij worden dus geen Nederlander.

De niet uitreiking is geen besluit in de zin van de Wet Administratieve Rechtspraak (WAR-BES). Bezwaar of beroep staat dan ook niet open. De verklaring van verbondenheid is immers een wettelijke voorwaarde voor de uitreiking van het besluit en om Nederlander te kunnen worden door naturalisatie.

Uittreksels uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap zijn op één naam gesteld. Er kan echter sprake zijn van kinderen die delen in verkrijging van het Nederlanderschap. Indien de opgeroepen naturalisandus, die verplicht is te verschijnen en de verklaring van verbondenheid af te leggen, niet verschijnt op de naturalisatieceremonie, kan het uittreksel van het naturalisatiebesluit niet worden uitgereikt. De uittreksels betreffende de minderjarige kinderen die met de naturalisandus zouden meenaturaliseren, worden dan ook niet uitgereikt, ook al zijn de kinderen wel aanwezig op de naturalisatieceremonie. De uitreiking van het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt in dat geval aangehouden. Bij de volgende naturalisatieceremonie kan de (hoofd)naturalisandus alsnog op de ceremonie verschijnen en de verklaring van verbondenheid afleggen. Zo nodig wordt de uitnodiging nog eenmaal, dit maal per aangetekende brief, herhaald (artikel 60a, tiende lid, BvvN). Pas dan kan het de naturalisandus betreffende uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap en eventueel de meenaturaliserende kinderen betreffende uittreksels worden uitgereikt en verkrijgen zij allen de Nederlandse nationaliteit. Indien de (hoofd)naturalisandus niet op een naturalisatieceremonie is verschenen (en dus niet de verklaring van verbondenheid heeft afgelegd), vervalt het naturalisatiebesluit een jaar na dagtekening ervan.

paragraaf 3.12.4.1. Zwaarwegende redenen om niet op een naturalisatieceremonie te verschijnen

Het naturalisatiebesluit treedt als regel in werking door uitreiking in persoon van het desbetreffende uittreksel aan de opgeroepen persoon. Dit is een wettelijk gegeven, waartegen geen rechtsmiddel openstaat. Van de regel om in persoon te verschijnen kan slechts in bijzondere omstandigheden wegens zwaarwegende redenen worden afgeweken. In zulke uitzonderingsgevallen kan de betrokkene, nadat een daartoe strekkend besluit door de gezaghebber is genomen, door een gemachtigde worden vertegenwoordigd. Ook kan in die gevallen de gezaghebber besluiten de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen, waarbij te denken valt aan een uitreiking buiten de naturalisatieceremonie om of aan toezending per post van het uittreksel. Om uitgezonderd te worden van de regel in persoon te verschijnen, dient betrokkene een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen ligt geheel bij de gezaghebber. Tegen deze beoordeling staat op grond van artikel 55 van de Wet Administratieve Rechtspraak (WAR-BES) bezwaar open bij de gezaghebber en kan men op grond van artikel 7 van de WAR-BESberoep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

paragraaf 3.12.4. Zwaarwegende redenen en niet (mondeling) afleggen verklaring van verbondenheid

De schriftelijke machtiging moet zijn ondertekend door de persoon wiens verschijning in persoon is vereist.

De gemachtigde:

Onder zwaarwegend wordt niet verstaan strikt tijdelijke omstandigheden zoals het hebben van vakantie, het volgen van een cursus, het niet vrij kunnen krijgen van werk, enz. Bij een tijdelijke belemmering wordt in eerste instantie, in overleg met betrokkene, onderzocht of deelname aan een volgende naturalisatieceremonie uitkomst biedt. Onder zwaarwegend wordt bijvoorbeeld verstaan een langdurige zware depressie of een andere, ernstige psychologische belemmering.

Uitgangspunt van de regelgeving is dat de opgeroepen persoon zoveel mogelijk op de naturalisatieceremonie verschijnt. Dit betekent dat het de gezaghebber vrijstaat, op verzoek van de betrokkene zelf, in overleg met hem een andere datum te bepalen waarop een ceremonie wordt gehouden en hij toch kan verschijnen. Daarbij is het overigens wel van belang dat de duur van de periode die ligt tussen de vaststelling van het naturalisatiebesluit en de uitreiking van het desbetreffende uittreksel, zo beperkt mogelijk blijft, in ieder geval niet langer dan een jaar.

Bij een beroep op zwaarwegende redenen overweegt de gezaghebber eerst of sprake is van een tijdelijke dan wel blijvende reden om niet te verschijnen. Bij een tijdelijke reden onderzoekt de gezaghebber of betrokkene binnen een redelijke termijn toch aanwezig kan zijn op een naturalisatieceremonie. Als dat het geval is, wordt in overleg met hem een nieuwe datum bepaald.

Bij een blijvende reden om niet te verschijnen, dan wel ingeval de volgende ceremonie pas na lange tijd plaatsvindt, wordt als volgt gehandeld. Als betrokkene niet binnen een redelijke termijn aanwezig kan zijn, bijvoorbeeld vanwege een blijvende lichamelijke handicap, bepaalt de gezaghebber of het beroep op zwaarwegende redenen gegrond is. Als dit het geval is, beslist de gezaghebber dat betrokkene zich laat vertegenwoordigen door een daartoe schriftelijk gemachtigde, meerderjarige persoon. Ingeval dit laatste niet mogelijk is, kan de gezaghebber het besluit na het al dan niet schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid op een andere wijze bekendmaken, bijvoorbeeld door uitreiking in persoon buiten de naturalisatieceremonie om of door toezending per post van het desbetreffende uittreksel. Als het beroep op zwaarwegende redenen niet gegrond is, dan wijst de gezaghebber het beroep af. Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 55 van de Wet Administratieve Rechtspraak (WAR-BES)bezwaar open bij de gezaghebber en kan men op grond van artikel 7 van de WAR-BES beroep instellen bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Indien de opgeroepen persoon op of na de dag waarop het naturalisatiebesluit is gedagtekend, is overleden, wordt het desbetreffende uittreksel aan een andere belanghebbende, al naar gelang de omstandigheden, uitgereikt of toegezonden. Een belanghebbende kan in dit geval zijn een kind dat na de dag van dagtekening van het besluit, is geboren. Onder belanghebbende kan ook worden verstaan een (voormalige) (huwelijks-)partner of een familielid van de overleden persoon.

paragraaf 3.12.4.2. Mondeling afleggen verklaring van verbondenheid en uitzonderingen

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid persoonlijk wordt afgelegd tijdens een naturalisatieceremonie waarbij het uittreksel uit het besluit tot verlening van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands en doorgaans mondeling afgelegd. Van de verplichting tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid kan geen vrijstelling worden gegeven, tenzij het afleggen ervan redelijkerwijs niet gevraagd kan worden. Het mondeling of schriftelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid kan niet worden overgelaten aan een gemachtigde gezien het persoonlijke karakter van de verklaring.

paragraaf 3.2. Beoordelingsmoment

De verklaring van verbondenheid wordt tevens schriftelijk afgelegd indien een persoon, vanwege zwaarwegende redenen, niet op een naturalisatieceremonie kan verschijnen, maar hij wel in staat is de verklaring van verbondenheid schriftelijk af te leggen. De gemachtigde die wél op de ceremonie verschijnt om namens de verzoeker het naturalisatiebesluit in ontvangst te nemen, overhandigt de gezaghebber de schriftelijke verklaring van verbondenheid. De beoordeling of sprake is van zwaarwegende redenen om niet op de naturalisatieceremonie te verschijnen, ligt geheel bij de gezaghebber.

In bovenstaande gevallen kan na het overhandigen aan de gezaghebber van de ondertekende schriftelijk afgelegde verklaring van verbondenheid, tot uitreiking van het naturalisatiebesluit worden overgegaan, al dan niet aan een gemachtigde of op aangepaste wijze. Hierbij valt te denken aan een uitreiking buiten de ceremonie om of aan toezending van de bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap aan de naturalisandus.

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij de verzoeker in het geheel niet in staat is om de verklaring van verbondenheid af te leggen. Is de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat de verklaring van verbondenheid mondeling of schriftelijk af te leggen, dan wordt de verklaring van verbondenheid niet afgelegd. Het zal hier zeer uitzonderlijke gevallen betreffen. Indien de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen, wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt, zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

In voorkomende gevallen geeft Onze Minister (lees: de IND-BES) (meestal) bij de indiening van het verzoek om naturalisatie (door een gemachtigde) op de checklist behorende bij het verzoek om naturalisatie (model 2.22) bij punt 6 reeds aan dat het afleggen van de bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid niet mogelijk is vanwege de fysieke of psychische toestand van de verzoeker. Daarnaast voegt Onze Minister (lees: de IND-BES) ten minste één door of namens de verzoeker overgelegde bewijsstukken in het naturalisatiedossier. De verklaring van verbondenheid is immers een voorwaarde voor naturalisatie.

Het is mogelijk dat, tussen het afleggen van de bereidverklaring en de naturalisatieceremonie waar de verklaring van verbondenheid moet worden afgelegd de fysieke of psychische toestand van de verzoeker is gewijzigd. Het is aan de gezaghebber om te beoordelen of en zo ja op welke wijze de verklaring van verbondenheid onder de gewijzigde omstandigheden wordt afgelegd. Voorbeeld: Indien een verzoeker na het ondertekenen van de bereidverklaring in coma is geraakt, zal hij de verklaring van verbondenheid niet langer kunnen afleggen. In dit geval wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Met betrekking tot het afleggen van de verklaring van verbondenheid zijn de volgende, niet limitatieve, scenario’s denkbaar:

paragraaf 1. Algemeen

De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Onze Minister (lees: de IND-BES) heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt. Eerst na het overleggen van de schriftelijke verklaring van verbondenheid wordt tot uitreiking overgegaan.

De schriftelijke verklaring van verbondenheid kan voorafgaande aan de naturalisatieceremonie aan de verzoeker verzonden worden, zodat deze de ondertekende schriftelijke verklaring ter overhandiging aan de gezaghebber aan de gemachtigde kan meegeven. De schriftelijke verklaring van verbondenheid kan ook op de naturalisatieceremonie zelf ondertekend worden.

Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie of na het indienen hiervan is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Derhalve is afgezien van het invullen en ondertekenen van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid door de verzoeker. Het naturalisatiebesluit wordt bekendgemaakt zonder dat de verklaring van verbondenheid is afgelegd.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. De verzoeker moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid meegeven aan de gemachtigde. Eerst na het overleggen van de door de verzoeker ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid, wordt tot uitreiking aan de gemachtigde overgegaan. Onze Minister (lees: de IND-BES) kan ervoor kiezen om de schriftelijke verklaring van verbondenheid bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan de verzoeker of gemachtigde mee te geven, zodat de gemachtigde de door de verzoeker ondertekende verklaring op de naturalisatieceremonie aan de gezaghebber kan overhandigen. Ook kan de schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaande aan de naturalisatieceremonie aan de verzoeker verzonden worden, zodat deze de ondertekende schriftelijke verklaring ter overhandiging aan de gezaghebber aan de gemachtigde kan meegeven.

Vanwege aangetoonde zwaarwegende redenen is de verzoeker vertegenwoordigd door een gemachtigde. Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Er is derhalve afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en er wordt afgezien van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit aan de gemachtigde bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd.

paragraaf 3.3. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

De verzoeker heeft bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie de bereidverklaring ondertekend. Onze Minister (lees: de IND-BES) heeft, al dan niet bij de indiening van het verzoek om naturalisatie, bepaald dat van de verzoeker redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat hij de verklaring van verbondenheid mondeling aflegt.

Het verzoek van de verzoeker om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is ook gehonoreerd. De gezaghebber heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.

Indien het naturalisatiebesluit bijvoorbeeld door het toezenden per post wordt bekendgemaakt, moet de ondertekende schriftelijke verklaring van verbondenheid voorafgaand aan die toezending in het bezit van de gezaghebber zijn.

Bij het (door een gemachtigde) indienen van het verzoek om naturalisatie is gebleken dat de verzoeker vanwege zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is de verklaring van verbondenheid af te leggen. Derhalve is afgezien van het invullen en onderteken van de bereidverklaring en van het afleggen van de verklaring van verbondenheid. In voorkomende gevallen wordt het naturalisatiebesluit bekendgemaakt zonder dat verklaring van verbondenheid is afgelegd. Het verzoek van de naturalisandus om, vanwege zwaarwegende redenen, niet in persoon op een naturalisatieceremonie te verschijnen is gehonoreerd. De gezaghebber heeft besloten om de uitreiking op een aan de omstandigheden aangepaste wijze te doen.

Na uitreiking van het desbetreffende uittreksel stuurt de gezaghebber door middel van het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) daarvan zo spoedig mogelijk een bericht aan de IND-BES (artikel 60b, negende lid BvvN). Op het terugmeldformulier vermeldt de gezaghebber onder andere de datum waarop het besluit is bekendgemaakt en de wijze van bekendmaking. Ingevolge artikel 60b, twaalfde lid, BVVN deelt de uitreikende autoriteit de Minister mee ‘of en op welke wijze de verklaring van verbondenheid is afgelegd.’ Deze informatie wordt op het terugmeldformulier (model 2.29 of 2.29a) aangetekend en is alleen van toepassing op verzoeken om naturalisatie ingediend op of na 1 maart 2009. Ook vermeldt de gezaghebber of hij na herhaalde oproepingen het besluit niet heeft kunnen bekendmaken, als gevolg waarvan het besluit is vervallen. De uittreksels die de gezaghebber niet heeft kunnen uitreiken, stuurt hij terug aan de IND-BES.

paragraaf 3.2. Beoordelingsmoment

Nadat betrokkene op de naturalisatieceremonie is verschenen, worden de gegevens ten aanzien van de verlening van het Nederlanderschap aan de afdeling burgerzaken verstrekt.

Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase

Indien van toepassing maakt de IND-BES na ontvangst van het terugmeldformulier een uitwisselingsformulier op, betreffende het uitwisselen van gegevens met betrekking tot verkrijging van nationaliteit (model 1.35). Dit is ingevolge de Overeenkomst van Parijs van 10 september 1964, het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 en bilaterale afspraken met Duitsland, van toepassing bij verlening van het Nederlanderschap aan een persoon met de nationaliteit van België, Duitsland, Griekenland, Italië, Luxemburg, Oostenrijk en Portugal.

Noorwegen is vanaf 19 december 2019 niet langer partij bij Hoofdstuk 1 van het Verdrag van Straatsburg. Uitwisseling op grond van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 is sindsdien niet langer nodig.

paragraaf 3.3. Reden tot intrekking/niet-verlenging/einde van de verblijfsvergunning

Indien de verklaring van verbondenheid schriftelijk is afgelegd (model 4.1 of 4.2), wordt deze verklaring gearchiveerd in het naturalisatiedossier bij de IND-BES.

Artikel 8

Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

Voor artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN geldt overgangsrecht. Zie de toelichting bij artikel 7 RWN, onder ‘Overgangsrecht’.

8-alg. Toelichting algemeen

Dit artikel omvat voorwaarden waaraan een verzoeker moet voldoen om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap. De overige voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap worden genoemd in artikel 9, eerste lid, RWN. Voor (mede)verlening aan minderjarige kinderen worden de voorwaarden genoemd in artikel 11 RWN.

Om in aanmerking te komen voor verlening van het Nederlanderschap dient de verzoeker als hoofdregel niet alleen te voldoen aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen op het moment waarop het verzoek wordt ingediend, maar ook op het moment waarop Onze Minister (lees: IND-BES) beslist op het verzoek. Een verzoek van een persoon die ten tijde van de indiening van het verzoek nog voldeed aan de wettelijke voorwaarden en richtlijnen voor naturalisatie, maar die op het moment van de beslissing op het verzoek inmiddels niet meer voldoet aan deze vereisten, wordt dus afgewezen. Hierbij kan worden gedacht aan de omstandigheid dat de verblijfstitel na de indiening van het verzoek is gewijzigd of niet meer geldt, of aan de omstandigheid dat er inmiddels niet meer sprake is van een huwelijk of samenwoning met een Nederlander of aan mee te naturaliseren kinderen die na de indiening van het verzoek meerderjarig zijn geworden. Voorts kan worden gedacht aan de omstandigheid dat na de indiening van het verzoek ernstige vermoedens zijn ontstaan dat de verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde.

Een verzoeker die niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c of d, RWN kan, uitsluitend in geval van zeer bijzondere omstandigheden, verzoeken om toepassing van de hardheidsclausule van artikel 10 RWN. Echter, toepassing van artikel 10 RWN is niet mogelijk als niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat ‘geen bedenkingen mogen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Koninkrijk van verzoeker’ (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN), dat de verzoeker ‘verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen’ en dat ‘het besluit tot verlening niet wordt bekendgemaakt dan nadat de verklaring daadwerkelijk is afgelegd’ (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder e, RWN), dat er geen ernstige vermoedens mogen bestaan dat verzoeker ‘gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk’ (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN) en van de verplichting van de verzoeker om afstand te doen van de oorspronkelijke nationaliteit (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, RWN). Een verzoeker die een beroep doet op toepassing van artikel 10 RWN dient daarom bijvoorbeeld te allen tijde in het bezit te zijn van een verblijfsrecht dat naar zijn aard voor onbepaalde tijd is. Zie tevens de toelichting bij artikel 10.

Wettekst:

8-alg. Toelichting algemeen

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die meerderjarig is.

Op het moment dat een verzoek om naturalisatie wordt ingediend, moet de verzoeker meerderjarig zijn in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, RWN. Hij moet dus of de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt, voordien in het huwelijk zijn getreden (of voordien in het Europese deel van Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan) of buiten het Europese deel van Nederland een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan als bedoeld in artikel 1, tweede lid, RWN. Onze Minister (lees: IND-BES) onderzoekt de meerderjarigheid van de verzoeker aan de hand van de gegevens in de basisadministratie persoonsgegevens . Indien de geboortedatum in de bij het verzoek om naturalisatie overgelegde stukken niet overeenstemt met de basisadministratie persoonsgegevens, bevordert de Onze Minister (lees: IND-BES) dat de basisadministratie persoonsgegevens zo mogelijk wordt aangepast.

Is de verzoeker nog minderjarig, maar is naturalisatie gewenst op grond van zeer bijzondere omstandigheden, dan is verlening van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk met toepassing van artikel 10 RWN (zie de toelichting bij dat artikel). Zie echter voor medeverlening aan minderjarigen artikel 11, eerste lid, RWN. Zie voorts artikel 11, vierde lid, RWN, waarin een categorie minderjarigen wordt genoemd die zelfstandig voor naturalisatie in aanmerking komt.

Wettekst:

paragraaf 2.3.2. Beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, geen bedenkingen bestaan.

Dit artikellid strekt ertoe te waarborgen dat het (op grond van de WTU-BES gevoerde) vreemdelingenbeleid en het (op grond van de RWN gevoerde) naturalisatiebeleid met elkaar in overeenstemming zijn. De verlening van het Nederlanderschap mag het vreemdelingenbeleid immers niet doorkruisen.

8-1-b. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b

Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze aan de hand van de verblijfsvergunning van de verzoeker kan worden beoordeeld of er in beginsel al dan niet bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd (zie hierna paragraaf 3). Vervolgens wordt beschreven hoe te handelen indien verzoeker niet beschikt over een verblijfsvergunning, het verblijfsrecht behoort te worden ingetrokken, het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen.

De openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba hebben hun eigen vreemdelingenrecht en -beleid, vastgelegd in de Wet Toelating en Uitzetting (WTU-BES) en het daarop gebaseerde Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES). Dit zijn geen Rijksregelingen. De toepassing en interpretatie van de WTU-BES en de uitvoeringsregelingen in het kader van de uitvoering RWN dient echter zoveel mogelijk in harmonie te zijn met de daarin en in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op het gebruik in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verwoorde uitgangspunten op verblijfsrechtelijk terrein.

paragraaf 2. Toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend

Vreemdelingen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijven, hebben toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend.

Vreemdelingen die in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba verblijven, hebben toelating van rechtswege of toelating bij vergunning verleend.

Toelating van rechtswege krijgt een vreemdeling op grond van:

Paragraaf 2.1.2. Aanvraagfase

(Zie artikel 6, lid 1, WTU-BES)

De verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt verleend door Onze Minister. Onze Minister kan aan de vreemdeling, die toelating van rechtswege (alleen o.g.v. artikel 3, lid 3 BTU-BES) of bij vergunning verleend heeft, een document of schriftelijke verklaring verschaffen waaruit die toelating blijkt (artikel 7, lid 1, WTU-BES)

paragraaf 2.1. Toelating van rechtswege

Ad 1) Van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen op grond van artikel 3, lid 1 WTU-BES hebben in ieder geval:

Aan vreemdelingen die voldoen aan de omschrijving in artikel 3, lid 1 a t/m g WTU-BES wordt desgevraagd door Onze Minister een verklaring verstrekt waaruit blijkt dat zij van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba hebben (artikel 3, lid 3 WTU-BES).

Ad 2) Van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen op grond van artikel 5a WTU-BES en hoofdstuk 4 Toelating van rechtswege BTU-BES hebben in ieder geval:

Deze vreemdelingen mogen maximaal 3 maanden zonder toelating bij vergunning in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba verblijven (artikel 4.2, lid 1 en artikel 4.4, lid 1 BTU-BES). Deze termijn kan echter wegens bijzondere omstandigheden door Onze Minister verlengd worden tot 6 maanden (artikel 4.4, lid 1 sub c, BTU-BES)

Let op: Een vreemdeling die op grond van artikel 5a WTU-BES toelating van rechtswege in de openbare lichamen heeft (op grond van de vrije termijn) is slechts niet uitzetbaar (artikel 5.1 BTU-BES). Deze termijn van toelating telt niet mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. De termijn van toelating van rechtswege op grond van artikel 3 WTU-BES telt wel mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. Deze toelating moet dan echter wel worden aangetoond op grond van een door Onze Minister afgegeven schriftelijke verklaring waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt (artikel 3, lid 3 WTU-BES).

paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

Hoewel op grond van de BTU-BES sprake is van een tijdelijk verblijfrecht, bestaan op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN) géén bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba ten aanzien van een aantal categorieën genoemd in artikel 3 WTU-BES.

Dit betekent dat de volgende personen die toelating van rechtswege hebben toch door naturalisatie Nederlander kunnen worden:

Personen die toelating van rechtswege hebben op grond van artikel 3, eerste lid onder f, WTU-BES kunnen ook Nederlander worden, maar alléén als tegen het verblijf van de hoofdpersoon door wie zij verblijf hebben géén bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Dit geldt dus voor de categorieën genoemd in artikel 3, eerste lid onder a en b, WTU-BES.

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt altijd verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf wordt toegestaan (artikel 7, lid 7 WTU-BES).

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt altijd verleend onder beperkingen verband houdende met het doel waarvoor het verblijf wordt toegestaan (artikel 7, lid 7 WTU-BES).

De beperkingen waaronder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend houden verband met:

(zie artikel 5.2, lid 1 BTU-BES)

Daarnaast kan op grond van artikel 12a van de WTU-BES een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend om redenen verband houdend met bescherming. Deze verblijfsvergunning kan worden verleend aan de vreemdeling die:

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt in de regel voor ten hoogste één jaar verleend en kan telkens met ten hoogste één jaar worden verlengd (artikel 5.25 BTU-BES). Voor uitzonderingen zie artikel 5.26 t/m 5.29 BTU-BES. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt verleend voor ten hoogstens vijf achtereenvolgende jaren (artikel 6, lid 2 WTU-BES).

Het verblijfsrecht van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is tijdelijk indien de verblijfsvergunning is verleend onder een bepaling verband houdend met:

Paragraaf 3.1. Polygamie

Indien een verblijfsvergunning is verleend onder een van de hierboven genoemde bepalingen, is het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning tijdelijk van aard. Daarom bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN en komen vreemdelingen die in het bezit zijn van deze verblijfsvergunning niet in aanmerking voor verlening van het Nederlanderschap.

Het verblijfsrecht is in principe niet tijdelijk indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend is onder een andere beperking dan hierboven genoemd, tenzij dit bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald (zie artikel 5.3, lid 3, BTU-BES). Hiervoor moet de beschikking van de toelatingsorganisatie in de openbare lichamen (lees: IND-BES) die ten grondslag ligt aan het verlenen van de verblijfsvergunning worden bekeken.

Een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd wordt niet onder beperkingen verleend.

Bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd

Het verblijfsrecht op grond van de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is nooit tijdelijk van aard, daarom bestaan er in principe geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, RWN.

Het verblijfsrecht is in principe niet tijdelijk indien de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend is onder een andere beperking dan hierboven genoemd, tenzij dit bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald (zie artikel 5.3, lid 3, BTU-BES). Hiervoor moet de beschikking van de toelatingsorganisatie in de openbare lichamen (lees: IND-BES) die ten grondslag ligt aan het verlenen van de verblijfsvergunning worden bekeken.

paragraaf 3.1. Aantonen verblijfsrecht

De verzoeker dient bij de indiening van het verzoek om naturalisatie de gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op het verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Hij verstrekt bij de indiening van het verzoek de tegenwoordige en, voor zoveel nodig, de gegevens met betrekking tot de eerdere verblijfsrechtelijke status (artikel 31, eerste lid aanhef en onder f, BvvN). Hij zal dan ook het verblijfsdocument moeten overleggen op grond waarvan zijn verblijfsrechtelijke status kan worden beoordeeld. Daarnaast kan de verzoeker gevraagd worden een schriftelijke verklaring van Onze Minister over te leggen waaruit de eerdere van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt .

Het gaat overigens te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de WTU-BES, het Besluit Toelating en Uitzetting BES (BTU-BES), de Regeling Toelating en Uitzetting BES (RTU-BES) en de Circulaire Toelating en Uitzetting BES (CTU-BES). Daarom wordt in het kader van de behandeling van een verzoek om naturalisatie in het algemeen geen fictietoets toegepast, waarbij wordt bekeken of de verzoeker die niet in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd, daarvoor wel in aanmerking zou kunnen komen indien daarom zou worden gevraagd. Bij de toelatingorganisatie (lees: IND-BES) kan de verzoeker een aanvraag indienen om een (andere) verblijfsvergunning. In gevallen waarin een verzoeker in het geheel niet in het bezit is van een verblijfsvergunning, niet bereid is om een verblijfsvergunning te verkrijgen en niettemin een verzoek om naturalisatie wil indienen, kan het verzoek door Onze Minister (lees: IND-BES) worden afgewezen.

Er zijn ook situaties denkbaar waarin de verzoeker niet (langer) beschikt over de juiste verblijfsrecht om voor naturalisatie in aanmerking te komen (bijvoorbeeld op grond van artikel 3 of 5a WTU-BES), waarin de verblijfsvergunning behoort te worden ingetrokken (op grond van artikel 14 WTU-BES), waarin het verblijfsrecht van rechtswege is komen te vervallen (bijvoorbeeld op grond van artikel 10 en artikel 12 WTU-BES). Voor die gevallen geldt het navolgende.

Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (alleen als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie.

Hoewel de verzoeker bij de indiening van het verzoek het verblijfsdocument moet overleggen waaruit moet blijken of er al dan niet bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd bestaan, is uiteindelijk doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Indien er ten tijde van het verzoek wel, maar op het moment van de beslissing geen bedenkingen bestaan, kan het verzoek toch worden ingewilligd (alleen als ook aan de andere voorwaarden wordt voldaan). Ook omgekeerd geldt: als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie.

Indien de verzoeker bij de indiening van het verzoek niet kan aantonen dat er tegen zijn verblijf voor onbepaalde tijd geen bedenkingen bestaan, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen en wordt hij verwezen naar de toelatingorganisatie (lees: IND-BES). Indien de verzoeker er niettemin op staat een verzoek in te dienen, zal Onze Minister (lees: IND-BES) het verzoek in ontvangst nemen. Het verdient aanbeveling een woordelijk verslag op te maken en dit door verzoeker te laten ondertekenen. Verzoeker wordt erop gewezen dat, in het geval zijn verzoek tot naturalisatie buiten behandeling wordt gesteld dan wel wordt afgewezen, hij de voor naturalisatie betaalde leges niet terugkrijgt. Onze Minister (lees: IND-BES) kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21.

Het bovenstaande neemt niet weg dat een verzoeker (met uitzondering van een verzoeker als bedoeld in artikel 8, tweede lid, RWN) op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, RWN op het moment van indiening van het verzoek om naturalisatie een onafgebroken periode van vijf jaar ‘toelating’ moet hebben in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN (zie de toelichting bij dat artikel) en dat die ‘toelating’ moet voortduren tot en met het moment van beslissen op het verzoek om naturalisatie.

N.B: Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning voor bepaalde of voor opbepaalde tijd in te trekken dan wel niet te verlengen.

Bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek kunnen omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning voor bepaalde of voor opbepaalde tijd in te trekken dan wel niet te verlengen.

In artikel 14 van de WTU-BES worden de gronden aangegeven die tot intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde of voor onbepaalde tijd door Onze Minister kunnen leiden.

Indien er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd bijvoorbeeld op grond van een onherroepelijk geworden veroordeling terzake van een misdrijf tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie maanden of langer, kunnen – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wél bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. De verzoeker wordt ontraden een verzoek in te dienen en hij wordt verwezen naar de toelatingorganisatie (lees: IND-BES). Houdt verzoeker niettemin vast aan indiening van het verzoek, dan wordt de procedure gevolgd zoals beschreven in paragraaf 3.1 bij de toelichting op dit artikellid.

Vóór 1 april 2003 kon aan minderjarige kinderen het Nederlanderschap worden verleend op grond van artikel 10 RWN (de zogenaamde na-naturalisatie) dan wel op grond van artikel 11 RWN (medeverlening). In beide gevallen was vereist dat er geen bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba van het kind mochten bestaan. Dit vereiste is na 1 april 2003 opgenomen in artikel 11 RWN, waarin is bepaald dat het kind voor wie (mede)naturalisatie wordt verzocht ‘toelating voor onbepaalde tijd’ in het Koninkrijk moet hebben (zie de toelichting bij artikel 11 RWN). Het begrip ‘toelating voor onbepaalde tijd’ heeft dezelfde betekenis als ‘geen bedenkingen tegen verblijf voor onbepaalde tijd’ (zie ook de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN).

8-1-c. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c

Wettekst:

Wettekst:

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft.

paragraaf 3.4. Minderjarigen

In het kader van de integratie van het vreemdelingenbeleid in de RWN is met ingang van 1 april 2003 in het onderhavige artikellid bepaald dat verzoeker gedurende de vereiste periode van vijf jaar in één van de landen van het Koninkrijk ‘toelating en hoofdverblijf’ moet hebben. Deze bepaling is bedoeld om te voorkomen dat een vreemdeling rechten opbouwt in een periode dat hij geen recht heeft om in één van de landen van het Koninkrijk te verblijven.

Van ‘toelating’ in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als bedoeld in deze Rijkswet op het Nederlanderschap is sprake indien verzoeker toelating heeft op grond van artikel 3 (toelating van rechtswege) of artikel 6, artikel 7 en artikel 12a van de WTU-BES (toelating bij vergunning verleend). Verzoeker dient deze toelating aan de hand van een verblijfsdocument en/of schriftelijke verklaring aan te tonen (zie de toelichting bij artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, RWN). Een vreemdeling die op grond van artikel 5a WTU-BES (vrije termijn) toelating van rechtswege in de openbare lichamen heeft is slechts niet uitzetbaar (artikel 5.1 BTU-BES). Deze termijn van toelating telt niet mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. De termijn van toelating van rechtswege op grond van artikel 3 WTU-BES telt wel mee in de beoordeling of een vreemdeling voldoet aan een bepaalde termijn van toelating op grond van de RWN. Deze toelating moet wel worden aangetoond op grond van een door Onze Minister afgegeven schriftelijke verklaring waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt (artikel 3, lid 3 WTU-BES).

Let op: indien een vreemdeling enkel in het bezit is van een verklaring van toelating van rechtswege en niet van een verblijfsvergunning met een niet tijdelijk verblijfsrecht, bestaan bedenkingen tegen het verblijf voor onbepaalde tijd in de openbare lichamen op grond van artikel 8, lid 1 onder b RWN.

Op grond van artikel 14, derde lid Regeling verkrijging en verlies Nederlanderschap (RvvN) worden de tijdvakken van toelating in de Nederlandse Antillen, gelegen voor de inwerkingtreding van de Rijkswet aanpassing rijkswetten aan de oprichting van de nieuwe landen, in aanmerking genomen als ware het toelating in Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Het vereiste van vijf jaar ‘hoofdverblijf’ in één van de landen van het Koninkrijk is opgenomen om enige garantie te verschaffen dat een bepaalde mate van inburgering tot stand is gekomen en dat de verzoeker in één van de landen van het Koninkrijk wil blijven wonen. Of sprake is van hoofdverblijf wordt getoetst aan de hand van de gegevens uit de basisadministratie persoonsgegevens. Indien deze gegevens niet afdoende blijken uit de basisadministratie persoonsgegevens, dient de verzoeker zijn hoofdverblijf gedurende de afgelopen vijf jaar zelf aan te tonen door middel van andere bewijsstukken. Het begrip ‘hoofdverblijf’ is gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, RWN (zie de toelichting bij dat artikellid). Op grond van artikel 29 RWN telt de periode van hoofdverblijf in de toenmalige Nederlandse Antillen die is doorgebracht vóór 10 oktober 2010 mee bij de vraag of wordt voldaan aan de vereiste termijn van hoofdverblijf in de openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius.

In het onderhavige artikellid staat uitdrukkelijk dat de vijf jaren toelating en hoofdverblijf onmiddellijk vooraf dienen te gaan aan de indiening van het verzoek. Het heeft daarom geen zin om voortijdig een verzoek in te dienen in de veronderstelling dat in de loop van de procedure de termijn van vijf jaar zal worden gehaald. Uit de tekst van de wet vloeit voort dat een voortijdig ingediend verzoek wordt afgewezen. Uit de wettekst vloeit ook voort dat gedurende de vijf jaren vóór het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het verblijfsrecht van verzoeker niet onderbroken mag zijn. Het woord ‘sedert’ duidt erop dat het vereiste van ononderbroken toelating en hoofdverblijf eveneens geldt voor de periode vanaf het moment van indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek. Gedurende de periode van vijf jaar onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek én gedurende de periode vanaf de indiening van het verzoek tot en met de beslissing op het verzoek mogen er derhalve geen zogenaamde ‘verblijfsgaten’ voorkomen.

Een verblijfsgat leidt tot een onderbreking van de termijn. Na de onderbreking begint opnieuw een termijn van vijf jaar te lopen. Of wordt voldaan aan de vereiste periode van onafgebroken toelating zal Onze Minister (lees: IND-BES) afleiden uit het (verblijfs)document en/of schriftelijke verklaring van Onze Minister waaruit de van rechtswege toelating tot verblijf in de openbare lichamen blijkt en de gegevens in de vreemdelingenadministratie

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal en – indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, hoofdverblijf heeft – de taal die op het eiland van het hoofdverblijf gangbaar is, alsmede van de staatsinrichting en maatschappij van het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en hij zich ook overigens in een van deze samenlevingen heeft doen opnemen.

paragraaf 1. Algemeen

In het onderhavige artikellid beschrijft de wetgever wat hij onder inburgering verstaat. Dit geschiedt aan de hand van een tweedeling: de vreemdeling die in Bonaire verblijft, moet beschikken over kennis van de Nederlandse taal en het Papiaments, en de vreemdeling die in Sint Eustatius of Saba verblijft, moet beschikken over kennis van de Nederlandse taal en het Engels. Bovendien moeten alle vreemdelingen, ongeacht hun woonplaats, zich hebben doen opnemen in de samenleving van respectievelijk Bonaire, Sint Eustatius of Saba. De vreemdeling moet zich kennis van de staatsinrichting en maatschappij hebben eigen gemaakt. Hij moet de onderwerpen taal, staatsinrichting en maatschappij op een zodanig niveau beheersen dat hij zelfstandig in de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius dan wel Saba kan functioneren. Dit algemeen geformuleerde niveau is bepaald door een algemene maatregel van rijksbestuur. Artikel 2, vierde lid Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 concretiseert dit niveau als niveau A2 van het Europese Raamwerk voor moderne talen. Dit is ook in het Europese deel van Nederland het vereiste van de naturalisatietoets.

8-1-d. Toelichting ad artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d

Het vereiste van kennis van de Nederlandse taal naast het Papiaments dan wel Engels geldt vanaf 1 januari 2011 (Stbl. 2010, 292). Vanaf deze datum is ook de taalkeuze vervallen voor de toetsing van deel I; de kennis van de staatsinrichting en maatschappij van de openbare lichamen wordt in Bonaire uitsluitend getoetst in het Papiaments en in Saba en Sint Eustatius in het Engels (artikel 2, tweede lid Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011).

Op naturalisatieverzoeken die zijn ingediend voor 1 januari 2011 blijft het oude artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d RWN van toepassing. Voor deze verzoeken geldt dus dat de verzoeker slechts ingeburgerd hoeft te zijn in een van beide talen, of te wel in het Nederlands of in het Papiaments (Bonaire) of Engels (Saba en Sint Eustatius).

paragraaf 1. Algemeen

Soms komt een verzoeker in aanmerking voor volledige vrijstelling of ontheffing van de naturalisatietoets. Artikel 3 Besluit naturalisatietoets verleent van rechtswege volledige vrijstelling van de naturalisatietoets. De beoordeling daarvan ligt volledig bij de IND. Er is hierover geen advies van de gezaghebber nodig.

paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling

Alleen bij een beroep op ‘geleverde inspanningen’ (artikel 4, en onder b Besluit naturalisatietoets) moet ex artikel 11 Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 sprake zijn van een advies van de gezaghebber. De IND informeert de vreemdeling over de beleidscriteria die de Minister hanteert om voor een geslaagd beroep op ‘geleverde inspanningen’ in aanmerking te komen. De vreemdeling die na de ontvangen informatie in aanmerking wil komen voor toepassing van artikel 4 en onder b Besluit naturalisatietoets vraagt vervolgens zelf het advies aan bij de gezaghebber.

Let op! Voor vreemdelingen die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen en die vóór 1 januari 2011 al deel II of de gehele naturalisatietoets hebben afgelegd zoals deze gold vóór 1 januari 2011, gelden gedeeltelijke vrijstellingen. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2.

Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets over kan leggen.

Aan de indiening van het verzoek om naturalisatie gaat een voorlichtingsfase vooraf, waarin Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) de aspirant-verzoeker informeert over de voorwaarden voor naturalisatie, waaronder het afleggen van de naturalisatietoets. In dit stadium kan en hoeft de aspirant-verzoeker nog geen verzoek om naturalisatie in te dienen en dus ook nog geen naturalisatiegelden te voldoen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) legt dan ook geen dossier aan totdat het verzoek om naturalisatie daadwerkelijk wordt ingediend. In de regel gebeurt dat pas nadat betrokkene de naturalisatietoets heeft gehaald en het Certificaat Naturalisatietoets over kan leggen.

De gezaghebber is bevoegd de naturalisatietoets af te nemen en om de uitslag daarvan vast te stellen (zie artikel 3 Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011).

paragraaf 2. Procedure

In het geval van digitale examinering van een taalvaardigheid waarbij het examensysteem de mogelijkheid kent tot het verlengen van de standaard examentijd stelt de examinator deze verlengingsmogelijkheid bij alle kandidaten in. Een verlenging van maximaal 30 minuten is op deze manier toegestaan.

Als de toetsresultaten positief zijn beoordeeld, wordt aan de aspirant-verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets uitgereikt.

paragraaf 5. Niet uitreiken bij niet verschijnen of weigering afleggen verklaring van verbondenheid

De examengelden bedragen zijn opgenomen in de Regeling Naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011.

De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (artikel 40, eerste lid Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Als de verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (of er moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 kan overleggen, ontraadt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst Onze Minister verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. Onze Minister kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Indien verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets overlegt, neemt de IND-BES dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel in het dossier dat aan de IND wordt gezonden. Een kopie conform origineel behoudt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.

De verzoeker legt bij zijn verzoek om naturalisatie het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 over (artikel 5 BNT) tenzij hij voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (artikel 40, eerste lid Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap). Als de verzoeker niet voor volledige vrijstelling of volledige ontheffing van het afleggen van de naturalisatietoets in aanmerking komt (of er moet in het geval van ontheffing nog nader onderzoek plaatsvinden), noch het Certificaat Naturalisatietoets, model 2011 kan overleggen, ontraadt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) hem een verzoek om naturalisatie in te dienen. Staat hij er toch op een verzoek in te dienen, dan wordt zijn verzoek in ontvangst genomen. In dit geval wijst Onze Minister verzoeker erop dat zijn verzoek om naturalisatie zal worden afgewezen en dat hij de voor naturalisatie te betalen leges niet terug zal ontvangen. Onze Minister kan verlangen dat verzoeker een verklaring ondertekent als opgenomen in model 2.21. Indien verzoeker het Certificaat Naturalisatietoets overlegt, neemt de IND-BES dit op in zijn advies en voegt een kopie van het origineel in het dossier dat aan de IND wordt gezonden. Een kopie conform origineel behoudt hij voor zichzelf. Het diploma wordt weer aan verzoeker overhandigd.

In artikel 3 BNT zijn de gronden voor vrijstelling van de naturalisatietoets opgenomen. Deze zijn ontleend aan de in Europees Nederland geldende Wet inburgering, maar van toepassing in het gehele Koninkrijk. In de praktijk zullen verschillende van hieronder genoemde gronden niet voorkomen bij verzoeken in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

paragraaf 1. Algemeen

De verzoeker kan een beroep doen op een vrijstellingsgrond als genoemd in artikel 3 BNT. Hij moet aantonen dat hij behoort tot één van de volgende categorieën vrijgestelde personen:

Om voor bovengenoemde vrijstellingsgronden in aanmerking te komen, overlegt de verzoeker bij het indienen van zijn verzoek om naturalisatie het gevraagde diploma en in het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is behaald, een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor dat vak.

De verzoeker is zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van de documenten en, indien van toepassing, voor de vertalingen en legalisatie of apostille van de stukken. Als de documenten zijn opgesteld in een andere taal dan het Nederlands of Engels dan moet de verzoeker zelf ervoor zorgen dat de stukken worden vertaald door een beëdigd vertaler. Deze vertaling moet gehecht zijn aan (een afschrift van) het originele document. De op dit moment geldige legalisatiecirculaire is van toepassing.

Voorafgaand aan het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie beoordeelt Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) summier of het overgelegde document dat recht op vrijstelling kan geven origineel is, of de personalia overeenkomen met die van verzoeker en of de inhoud juist is. Als hij van oordeel is dat het document origineel is, de inhoud klopt en de personalia juist zijn, neemt hij deze stukken in ontvangst. Het verzoek wordt op dat moment in behandeling genomen. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) maakt een kopie van het document en voegt die met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het naturalisatiedossier. Het origineel geeft hij terug aan verzoeker. In deze gevallen wordt uiteraard geen Certificaat Naturalisatietoets verlangd.

Als Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) in dit stadium twijfelt aan de echtheid van het overgelegde document of aan de juistheid van de personalia of de inhoud, deelt hij dit mee aan verzoeker en stelt hem ervan in kennis dat hij het document en de gegevens, ná het in behandeling nemen van het verzoek om naturalisatie, nader zal onderzoeken. Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) neemt het verzoek – als de verzoeker dit nog steeds wenst in te dienen – wel in behandeling. Als Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) onmiddellijk vaststelt dat het overgelegde document niet origineel is of de personalia niet overeenkomen met die van verzoeker, wordt hem ontraden een verzoek in te dienen. In dat geval wordt er conform paragraaf 2.1.2 gehandeld.

In het geval Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland), ná het in behandeling nemen van het verzoek, de echtheid van het document of de juistheid van de gegevens op het overgelegde document nader wil onderzoeken, wint hij advies in bij de betreffende instantie. In dat geval wordt het originele document tijdelijk ingenomen. Als het contact leidt tot de vaststelling dat de gegevens op het document niet juist zijn of het document zelf niet authentiek is, maakt hij hiervan een aantekening in het naturalisatiedossier. Als het contact leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is bevonden, maakt de IND-unit Caribisch Nederland een kopie van het door de verzoeker overgelegde document en voegt hij die kopie met de gedateerde en door of namens hem ondertekende aantekening ‘kopie van origineel’ in het naturalisatiedossier van verzoeker.

In het geval dat verzoeker alleen een kopie van de hierboven genoemde documenten kan overleggen, komt hij alleen in aanmerking voor vrijstelling als hij een recente verklaring van de leiding van het betrokken onderwijsinstituut overlegt waaruit blijkt dat de kopie overeenstemt met het door dat instituut afgegeven originele getuigschrift of diploma. In het geval van een overgelegde verklaring als hiervoor bedoeld, neemt de IND-unit Caribisch Nederland ter verificatie contact op met het instituut dat de verklaring heeft afgegeven.

Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Als het contact met het instituut waar de opleiding is gevolgd leidt tot de vaststelling dat de gegevens juist zijn en het document echt is, neemt de IND-unit Caribisch Nederland de kopie van het document en de begeleidende verklaring van het desbetreffende instituut op in het naturalisatiedossier. Wordt door het betrokken onderwijsinstituut een dergelijke verklaring niet afgelegd, dan moet de verzoeker alsnog de naturalisatietoets afleggen.

Artikel 3, derde lid BNT bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s of certificaten dan de hiervoor genoemde. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 geeft hieraan uitwerking.

Artikel 3, derde lid BNT bepaalt dat bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s of certificaten dan de hiervoor genoemde. Artikel 6 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011 geeft hieraan uitwerking.

Paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

Verzoekers om naturalisatie die na 1 januari 2011 een verzoek om naturalisatie indienen, kunnen al in het bezit zijn van een bewijs van slagen voor deel I (kennis van de staatsinrichting en maatschappij) of van het Certificaat Naturalisatietoets afgegeven vóór 1 januari 2011. Voor deze verzoekers gelden gedeeltelijke vrijstellingen. De volgende situaties kunnen zich voordoen:

paragraaf 2.2.1. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets

Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Papiaments dan wel Engels:

Verzoeker is in het bezit van een Certificaat Naturalisatietoets Nederlandse Antillen uitgereikt vóór 1 januari 2011 en de toets is afgelegd in het Nederlands:

paragraaf 2.2.2. Gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als gevolg van de invoering van de tweetalige naturalisatietoets per 1 januari 2011

Verzoeker is in het bezit van een bewijs van slagen voor deel I van de naturalisatietoets, afgelegd vóór 1 januari 2011 en in het Nederlands:

Paragraaf 2.2.3. Het certificaat bij gedeeltelijke vrijstelling

Nadat de verzoeker, die recht heeft op een gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets als bedoeld in paragraaf 2.2.1 en 2.2.2, geslaagd is voor het deel of de delen die hij nog wel moet afleggen, ontvangt hij van het hoofd van de instantie die de naturalisatietoets afneemt een Certificaat naturalisatietoets waarop is aangetekend welk deel of welke onderdelen hij niet heeft afgelegd (artikel 9 Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011).

paragraaf 2. Verzoekers die de bereidverklaring en de verklaring van verbondenheid moeten afleggen

Deze aantekening gebeurt alleen op verzoek van degene aan wie het Certificaat wordt afgegeven. De instantie die de naturalisatietoets afneemt treedt niet in een beoordeling of de verzoeker terecht afziet van het afleggen van een deel van de naturalisatietoets. Daarover oordeelt uiteindelijk immers de IND. De verzoeker overlegt bij de indiening van zijn verzoek om naturalisatie aan Onze Minister (lees: IND-unit Caribisch Nederland) dit Certificaat en de bewijsstukken op grond waarvan hij gedeeltelijke vrijstelling heeft.

Een naturalisatieverzoek wordt niet afgewezen wegens het niet behalen van de naturalisatietoets, als de verzoeker ten behoeve van Onze Minister heeft aangetoond dat:

Een naturalisatieverzoek wordt niet afgewezen wegens het niet behalen van de naturalisatietoets, als de verzoeker ten behoeve van Onze Minister heeft aangetoond dat:

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

Relevante bepaling: Artikel 10 van de Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011.

paragraaf 2.3. Ontheffing van de naturalisatietoets

De verzoeker om naturalisatie die aantoont dat hij een zodanige psychische of lichamelijke belemmering dan wel een zodanige verstandelijke handicap heeft, dat hij binnen vijf jaar niet in staat is de naturalisatietoets af te leggen, is ontheven van het afleggen van de naturalisatietoets.

Verzoeker is ontheven van de volledige toets (zie Stb. 2007, nr. 15, blz. 10), als hij fysiek niet in staat is om (een of meer delen van) de naturalisatietoets af te leggen en/of binnen vijf jaar te halen vanwege een:

Tot heden is geen uitwerking gegeven aan artikel 10, eerste lid, Regeling naturalisatietoets openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011. Dit betekent dat de procedure uit artikel 10, vierde en vijfde lid, Regeling van kracht is. Voor de verzoeker om naturalisatie houdt dit in dat hij bij de indiening van een naturalisatieverzoek een verklaring overlegt van een huisarts, medisch specialist of andere deskundige, inhoudende dat sprake is van een zodanige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijk handicap als gevolg waarvan een of meer onderdelen van de naturalisatietoets niet kunnen worden afgelegd.

paragraaf 2.3.1. Beleid en procedure bij beroep op ontheffing van de naturalisatietoets wegens een belemmering

In de Openbare Lichamen zijn er zowel BIG geregisterde specialisten als NIET BIG geregistreerde specialisten werkzaam. Een specialist die NIET BIG geregistreerd is, moet ontheffing van het verbod om de geneeskunst uit te oefenen hebben gekregen van de Commissie Buitenland Gediplomeerden Volksgezondheid (CBGV). De Commissie toetst of zijn diploma aan de Nederlandse normen voldoet. Indien ja, wordt er een BES ontheffing verleend aan de specialist waardoor uitoefenen van zijn beroep mogelijk is in de openbare lichamen.

Na de ontheffing/positief besluit blijft de specialist ‘niet BIG geregistreerd’ maar op grond van artikel 3, eerste lid van het Besluit uitoefenen beroep BES is zij bevoegd om een medisch beroep uit te oefenen. Zowel het BIG-Register als de ontheffingslijst zijn raadpleegbaar (www.overheid.nl/staatscourant voor een ontheffingsbesluit en https://www.rijksdienstcn.com/gezondheid-zorg/zorgverleners voor de ontheffingslijst).

Bijlage

In de voorlichtende sfeer wijst de IND betrokkene op het feit dat er een medische verklaring moet worden overgelegd, afkomstig van een huisarts, medisch specialist of andere deskundige (niet zijnde een behandelend arts van betrokkene), inhoudende dat sprake is van een zodanige psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap als gevolg waarvan een of meer onderdelen van de naturalisatietoets niet kunnen worden afgelegd. Voor de verklaring wordt model 2.26 gebruikt. Overleg met de IND over model 2.26 is voor de arts altijd mogelijk.

Relevante bepaling: Artikel 11 van de Regeling naturalisatietoets Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011.

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Het gaat hier alleen om een verzoeker:

Let op! De voorwaarden 1 en 2 worden hier direct onder nader toegelicht. Voorwaarde 3 wordt nader toegelicht in paragraaf 2.3.2.3 ‘Rol van en procedure bij de Gezaghebber.’

paragraaf 2.3.2. Beleid en procedure bij beroep op het ondanks geleverde inspanning redelijkerwijs niet in staat kunnen worden geacht het examen te behalen

Iemand is ‘niet-gealfabetiseerd’ in het kader van de naturalisatietoets als hij zijn eigen taal niet heeft leren schrijven en lezen omdat hij in zijn herkomstland niet naar school is geweest of de laagste schoolopleiding daar niet heeft volgemaakt. Het laatste wordt aangenomen als iemand voor of op zijn twaalfde jaar van school is gegaan. Met de laagste schoolopleiding is het basisonderwijs van een land bedoeld.

Beheerst iemand wel het schrift van zijn eigen taal (bijvoorbeeld betrokkene kan Arabisch, Chinees of Urdu schrijven), maar beheerst hij niet het Latijnse schrift, dan kan hij niet als ‘niet-gealfabetiseerd’ worden beschouwd. Betrokkene beheerst immers de kunst van het schrijven. Onderwijsdeskundigen spreken in dat geval van ‘anders’ gealfabetiseerd zijn.

Een verzoeker die ‘anders’ gealfabetiseerd is, kan geen ontheffing krijgen van de naturalisatietoets. Er hoeft dan ook geen gesprek plaats te vinden naar het vermogen van deze verzoeker om het Papiaments nog op het niveau voor de naturalisatietoets te leren lezen en schrijven, want betrokkene komt niet in aanmerking voor deze regeling.

Heeft iemand in zijn eigen land niet de aldaar gebruikelijke basisopleiding (lagere school) afgerond, dan wordt hij in het kader van de naturalisatietoets als niet-gealfabetiseerd beschouwd. Om die reden verklaart betrokkene op model 2.27 dat hij in het herkomstland (of het land/de landen waar hij woonde tussen zijn zesde en dertiende jaar) niet naar school is geweest dan wel voor zijn dertiende van school te zijn gegaan.

Onder deze omstandigheden moet een ‘beperkt leervermogen’ in de zin van ‘beperkte studievaardigheden als gevolg van gebrek aan educatie’ worden verondersteld. Iemand die nooit geleerd heeft om ‘te leren’ bezit, in deze context, een ‘beperkt leervermogen’. Mogelijkerwijs kan betrokkene enigszins in zijn eigen taal en (al dan niet) in het Papiaments (Bonaire), Engels (Sint Eustatius of Saba) en/of het Nederlands enige woorden lezen en schrijven, toch is betrokkene te beschouwen als niet-gealfabetiseerd. Van een ieder die op model 2.27 aangeeft dat hij tussen zijn zesde en dertiende jaar in het herkomstland in het geheel niet naar school is geweest of dat hij voor zijn dertiende van school is gegaan, wordt als uitgangspunt aangenomen dat hij in zijn eigen taal niet kan lezen en schrijven. Betrokkene hoeft hiervoor geen stukken te overleggen.

8-6. Toelichting ad artikel 8, zesde lid

De eigen verklaring van ongeletterdheid door betrokkene moet natuurlijk wel stroken met de dagelijkse activiteit van betrokkene en daarnaar zal dan ook worden gevraagd. De vraag of het aannemelijk is dat een ongeletterde een goede invulling kan geven aan het type verblijfsrecht dat betrokkene heeft, komt ook aan de orde. Alleen als aannemelijk is dat betrokkene in het dagelijkse leven functioneert zonder daarbij te hoeven lezen en schrijven wordt model 2.27 ingevuld.

Blijkt evenwel later toch dat betrokkene in een eerdere procedure anders heeft verklaard of indien anderszins blijkt dat betrokkene toch niet voldeed aan de hierboven vermelde beleidscriteria, dan wordt bij de beslissing op het verzoek om naturalisatie gemotiveerd van het advies van de gezaghebber afgeweken. Ook bestaat tot twaalf jaar na de naturalisatie de mogelijkheid om op grond van artikel 14, 1 RWN het Nederlanderschap in te trekken.

Betrokkene moet bij de IND CN aan de hand van certificaten of verklaringen van (bij voorkeur onderwijs-)instellingen aantonen dat hij zich heeft ingespannen om gealfabetiseerd in het Latijnse schrift te raken. Het moet wel ten minste gaan om één of meer leergangen of cursussen Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba), inclusief lezen en schrijven, in georganiseerd verband, bij voorkeur bij een onderwijsinstelling, maar het kan ook gaan om welzijnswerk, een cursus bij of via het arbeidsbureau of een cursus bij buurt- of clubhuis.

Alleen als betrokkene aantoont dat hij/zij in de drie voorafgaande jaren één of meer leergangen of cursussen heeft gevolgd, wordt model 2.27 ingevuld. Uit de stukken moet tevens blijken dat het gaat om ten minste in totaal 600 les- en leeruren taalcursus Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba). Het aantal uren dat een leergang of cursus bevat, staat vaak in het onderwijsmateriaal van de cursusinstelling. De stukken die betrokkene hiervoor overlegt, worden later bij het naturalisatieverzoek gevoegd.

Er is gekozen voor een periode van drie jaren voorafgaande aan het moment waarop model 2.27 wordt ingevuld voor de vraag, wanneer de te leveren inspanning van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus moet hebben plaatsgehad. Daarmee is niet gezegd dat in ieder van die drie jaar een of meer alfabetiseringsuren moeten zijn gevolgd. De ten minste 600 uren kunnen ook in het jaar van of direct voorafgaande aan het invullen van model 2.27 zijn volgemaakt. De reden voor het stellen van deze voorwaarde is dat in het geval van een alfabetiseringspoging van langer dan drie jaar geleden het niet plausibel is dat aan de alfabetisering is gewerkt met het oog op het kunnen halen van de naturalisatietoets en het daarmee op reguliere wijze kunnen voldoen aan een wettelijke voorwaarde tot naturalisatie. Onder die omstandigheid ontbreekt het directe verband tussen de (ooit) geleverde inspanning en de naturalisatietoets, zoals deze is bedoeld in artikel 4, eerste lid en onder b BNT.

Sprake moet zijn van ten minste 600 uur deelname aan een alfabetiseringscursus in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is. Ook om beter in de samenleving te kunnen functioneren, mag worden verwacht dat de alfabetiseringscursus in het Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba) zal worden gevolgd. Het volgen van een eventuele alfabetiseringscursus in het Nederlands, een taal die in het dagelijkse leven en de samenleving niet wordt gesproken of gelezen, betekent een keuze die minder snel zal leiden naar het op A2 kunnen lezen en schrijven van een van de talen van de naturalisatietoets. Om te kunnen spreken van een serieuze inspanning om toch te kunnen voldoen aan de naturalisatietoets moet daarom sprake zijn van een inspanning tot het leren lezen en schrijven in de in de taal die op het eiland van hoofdverblijf gangbaar is.

2.3.2.2. te volgen procedure bij de IND

De in paragraaf 2.3.2.1 genoemde voorwaarden zijn relevant op het moment dat bij de IND CN tezamen met betrokkene moet worden bezien of model 2.27 moet worden ingevuld.

Een beroep op deze ontheffingsmogelijkheid vangt alleen aan met een bij de IND samen met betrokkene ingevuld model 2.27. Model 2.27 wordt bij de IND ingevuld en door betrokkene ondertekend.

8-2. Toelichting ad artikel 8, tweede lid

Als niet is aan te nemen dat betrokkene voldoet aan de hiervoor bij Ad1 en Ad2 gestelde beleidscriteria en/of betrokkene kan niet bewijzen dat hij aan zijn cursusverplichting heeft voldaan, dan wordt model 2.27 niet verstrekt.

Is betrokkene 65 jaar of ouder en voldoet hij aan de beleidsregels om model 2.27 naar juistheid in te vullen, dan wordt dat model ingevuld. Met de bewijsstukken erbij dat betrokkene op Bonaire, Sint Eustatius of Saba in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen ten minste 600 uur heeft deelgenomen aan een taalcursus Papiaments (Bonaire) of Engels (Sint Eustatius of Saba) en op die wijze heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift kan het naturalisatieverzoek worden ingediend. Een advies van de gezaghebber blijft in dat geval achterwege. De reden hiervoor is dat mag worden aangenomen dat onder deze omstandigheden en bij deze leeftijd het advies van de gezaghebber altijd zal luiden dat betrokkene niet voldoende leervermogen bezit om nog het Papiaments of Engels op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen te leren schrijven en lezen en derhalve niet in staat moet worden geacht de naturalisatietoets in een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba te kunnen halen. De IND CN kan op de checklist naturalisatie Caribisch Nederland bij ‘inburgering’ aantekenen: ontheffing naturalisatietoets wegens ongeletterdheid, leeftijd en aantoonbaar geleverde inspanningen.

De gezaghebber is aangewezen om te adviseren over ontheffing ingeval een verzoeker zich beroept op geleverde inspanningen als bedoeld in artikel 4, eerste lid onder b, BNT (artikel 11 Regeling naturalisatietoets Bonaire, Sint Eustatius en Saba 2011).

8-3. Toelichting ad artikel 8, derde lid

Met het ingevulde model 2.27 meldt betrokkene (die jonger is dan 65 jaar) zich binnen een jaar bij de gezaghebber voor een gesprek over zijn leervermogen (studievaardigheden). Komt betrokkene later dan dat jaar, dan is model 2.27 niet meer geldig.

Een ingevuld model 2.27 betekent voor de gezaghebber dat het hier gaat om iemand die niet-gealfabetiseerd is in zijn eigen taal/schrift en die op Bonaire, Sint Eustatius of Saba ten minste in de drie jaar voorafgaand aan dit beroep op geleverde inspanningen heeft geprobeerd te leren lezen en schrijven in het Latijnse schrift.

2.3.2.3. Rol van en procedure bij de Gezaghebber

Beleidsregel 3 luidt: ‘gezien zijn leeftijd en overige omstandigheden, in een gesprek bij de gezaghebber is beoordeeld dat niet kan worden verwacht dat hij (nog) Papiaments of Engels leert lezen en schrijven op niveau A2 van het Europees Raamwerk voor moderne vreemde talen’.

De vormgeving van het gesprek met de vreemdeling is niet nader bepaald. Dit betekent dat naast aanwezigheid van een medewerker die betrokken is bij het examineren van de naturalisatietoets het mogelijk is om bijvoorbeeld een psycholoog of een deskundige in volwasseneneducatie en/of alfabetiseringsvraagstukken te betrekken. In de situatie dat de betrokken specialisten kosten in rekening brengen voor hun werkzaamheden komen deze kosten voor rekening van de vreemdeling.

Paragraaf 1.2. Drie jaar onafgebroken huwelijk (geregistreerd partnerschap) en samenwoning met een Nederlander

Minimaal 30, maximaal 60 minuten.

9-alg. Toelichting algemeen

Daarnaast kan aan andere aspecten worden gedacht, zoals de fysieke gezondheid van betrokkene, diens verdere leefomstandigheden en indien van toepassing of er een deskundigenoordeel is.

paragraaf 3. Ondertekenen bereidverklaring (model 2.30)

Na het gesprek stelt de gezaghebber een advies op voor de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Er zijn twee adviesmogelijkheden [A) of B)]:

Een advies A) kan betrokkene gebruiken in zijn te starten naturalisatieprocedure. Ontvangt betrokkene advies B) dan krijgt hij geen ontheffing van de naturalisatietoets.

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba)

Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba). Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.

Naast het in zijn bezit hebben van een door de wet bepaalde mate van kennis van de Nederlandse taal, staatsinrichting en maatschappij dient de verzoeker die in aanmerking wil komen voor naturalisatie zich te hebben doen opnemen in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba). Deze voorwaarde wordt onder andere getoetst aan de hand van een monogaam huwelijk.

Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba) wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de geldende rechtsbeginselen in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waaronder dat van monogamie.

Voor wat betreft polygamie (of bigamie) kan worden opgemerkt dat er sprake is van opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba) wanneer verzoeker zijn situatie in overeenstemming heeft gebracht met de geldende rechtsbeginselen in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, waaronder dat van monogamie.

paragraaf 3. Opneming in de Nederlandse samenleving (hiermee wordt bedoeld de samenleving van Bonaire, Sint Eustatius of Saba)

De Nederlandse openbare orde (hiermee wordt bedoeld de openbare orde van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba) verzet zich dan ook tegen het voortbestaan of het aangaan van een polygaam huwelijk van een vreemdeling op het moment waarop deze het Nederlanderschap heeft verkregen. Onder inburgering valt dus ook dat verzoeker slechts met één persoon door het huwelijk verbonden kan zijn.

Paragraaf 3.1. Polygamie

De vraag of een verzoeker monogaam gehuwd is, doet zich het meest voor bij personen afkomstig uit islamitische landen die polygamie kennen, alsmede huwelijksontbinding door verstoting. Zie voor een overzicht van landen met een mogelijke indicatie van de mogelijkheid van polygamie en verstoting: bijlage 1 bij paragraaf 2.2 bij de toelichting op artikel 6, vierde lid RWN.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)