Regeling van de Minister van Justitie van 4 oktober 2010 nr 5669054/10, tot vaststelling van de Regeling toelating en uitzetting BES
Gelet op de artikelen 7, derde lid,9, derde lid, onder a en 24, derde lid, van de Wet toelating en uitzetting BES en de artikelen 2.12, 3.3, zesde lid, 3.5, derde lid, onder a en b, 3.10, eerste en tweede lid, 5.17, 5.19, vierde lid, onder c, 5.20, tweede lid, onder d, 5.34, derde lid, 5.35, tweede lid, 6.2, derde lid, 6.11, tweede lid en 6.32, van het Besluit toelating en uitzetting BES;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wet toelating en uitzetting BES in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- a. het besluit: het Besluit toelating en uitzetting BES;
- b. EVRM: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Hoofdstuk 2. Visa als instrumenten van het toelatingsbeleid
Artikel 2.1
Terzake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een terugkeervisum is de vreemdeling een bedrag van USD 36 verschuldigd.
Hoofdstuk 3. Toegang
Artikel 3.1
De passagiersgegevens, bedoeld in artikel 3.3, zesde lid, van het besluit worden elektronisch verstrekt, op de door de ambtenaar belast met de grensbewaking voorgeschreven wijze.
Artikel 3.2
Als de landen, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onder a, van het besluit, zijn aangewezen de landen vermeld in bijlage 3 bij deze regeling.
Artikel 3.3
Als de categorieën vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, onder b, van het besluit zijn aangewezen de vreemdelingen die behoren tot een van de categorieën, opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling, voor zover de vreemdeling:
- a. voldoet aan de voor hem gestelde voorwaarden, en
- b. zich naar Nederland begeeft voor een tijdsduur of doel als aangegeven bij die categorie.
Artikel 3.4
De voorschriften en bijzondere regels, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van het besluit, zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze regeling.
Als de categorieën van personen, bedoeld in artikel 3.10, tweede lid, van het besluit, zijn aangewezen de personen die behoren tot een van de categorieën, opgenomen in bijlage 6 bij deze regeling.
Hoofdstuk 4. Toelating bij vergunning verleend of van rechtswege toegekend
Artikel 4.1
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling die in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf, geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, geen leges verschuldigd.
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen of wijzigen onderscheidenlijk verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling die niet in het bezit is van een machtiging tot voorlopig verblijf geldig voor het doel waar verblijf voor wordt gevraagd, voor een verblijfsdoel als bedoeld in kolom I, het daarachter vermelde bedrag in kolom II onderscheidenlijk kolom III verschuldigd.
| I. Verblijfsdoel | II. Verlening of wijziging | III. Verlenging |
|---|---|---|
| a. ‘gezinshereniging of gezinsvorming’ | USD 196 | USD 196 |
| b. ‘verblijf ter adoptie of als pleegkind’ | USD 65 | USD 65 |
| c. ‘het verrichten van arbeid in loondienst’ | USD 326 | USD 326 |
| d. ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’ | USD 922 | USD 724 |
| e. ‘voortgezet verblijf’ | USD 196 | USD 196 |
| f. ‘verblijf als rentenier’ | USD 922 | USD 391 |
| g. ‘wedertoelating’ | USD 196 | USD 196 |
| h. ‘het volgen van studie’ | USD 196 | USD 196 |
| i. ‘verblijf als stagiair’ | USD 326 | niet van toepassing |
| j. ‘verblijf als praktikant’ | USD 326 | niet van toepassing |
| k. ‘vervolging van mensenhandel’ | USD 0 | USD 0 |
| l. ‘verblijf als investeerder’ | USD 922 | USD 391 |
| m. ‘verblijf als vrijwilliger’ | USD 326 | USD 326 |
| n. ‘verblijf als gepensioneerde’ | USD 326 | USD 326 |
Artikel 4.2
In afwijking van artikel 4.1 is de vreemdeling voor een aanvraag om verlening of wijziging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet geen leges verschuldigd indien hij:
- a. als minderjarig kind een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, bij een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd dan wel verblijf geniet als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder k, van het besluit;
- b. als gezinslid van de houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 12a van de Wet, gelijktijdig met de hoofdpersoon is ingereisd dan wel binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon deze verblijfsvergunning is verleend, is nagereisd, en niet dezelfde nationaliteit heeft als de hoofdpersoon, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet onder een beperking verband houdend met gezinshereniging indient;
- c. een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 5.49, tweede lid, van het besluit;
- d. een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, om redenen verband houdend met bescherming aan de vreemdeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
In aanvulling op het eerste lid kan de Minister in overleg met de Minister van Buitenlandse Zaken bepalen dat de vastgestelde leges niet zijn verschuldigd in het belang van de internationale betrekkingen.
Artikel 4.3
In afwijking van artikel 4.1 is de vreemdeling voor een aanvraag om verlenging van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet geen leges verschuldigd indien:
- a. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt;
- b. deze aanvraag gelijktijdig is ontvangen met een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 4.6, tenzij deze aanvragen zijn ontvangen een jaar of langer voordat de geldigheidsduur van de vergunning afloopt;
- c. het minderjarige kind van de vreemdeling, die verblijf heeft op grond van artikel 5.2, eerste lid, onder k, van het besluit, een aanvraag indient tot het verlengen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit;
- d. de vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 6 van de Wet, om redenen verband houdend met bescherming van de vreemdeling als bedoeld in artikel 12a van de Wet.
Artikel 4.4
In afwijking van artikel 4.1 is de vreemdeling geen leges verschuldigd ter zake van:
- a. de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien hij om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.
- b. de afdoening van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien hij ontheven is van de legesverplichting voor de behandeling van de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf, voorafgaande aan de ingediende aanvraag.
- c. de afdoening van een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning, in een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6, van de Wet, voor een verblijfsdoel als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a, van het besluit, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.
- d. de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, welke is verleend is voor het verblijfsdoel ’uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM’, indien deze vreemdeling om ontheffing van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en daarbij aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen.
Artikel 4.5
Ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 6 van de Wet, is de vreemdeling een bedrag van USD 196 verschuldigd.
Ter zake van de afgifte ter uitvoering van artikel 6.18, tweede lid, van het besluit, van een vervangend document waaruit het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 6 van de Wet blijkt, is de vreemdeling een bedrag van USD 65 verschuldigd.
Artikel 4.6
In afwijking van de tarieftabel in artikel 4.1, rijen a en e, en artikel 4.5, eerste lid, is de minderjarige vreemdeling een bedrag van USD 65 verschuldigd.
Artikel 4.7
Ter zake van de afgifte van een verklaring als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet, is de vreemdeling dan wel Nederlander, bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van de Wet een bedrag van USD 169 verschuldigd.
In afwijking van het eerste lid is de vreemdeling een bedrag van USD 58 verschuldigd, ingeval sprake is van een verlenging van de termijn, bedoeld in artikel 4.4, eerste lid, onder c, van het Besluit.
In afwijking van het eerste lid is de persoon, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet geen leges verschuldigd.
Artikel 4.8
Als de landen, bedoeld in artikel 9, derde lid, onder a, van de Wet, zijn aangewezen de landen vermeld in bijlage 3 bij deze regeling.
Artikel 4.9
Als de landen, bedoeld in de artikelen 5.17, 5.19, vierde lid, onder c, 5.20, tweede lid, onder d en 5.35, tweede lid, van het besluit, zijn aangewezen:
- a. de staten die partij zijn bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
- b. de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.