Onderlinge regeling uitrusting politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (uitrustingsregeling voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Overwegende:

dat op grond van artikel 42, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba de landen onderling een regeling treffen houdende regels voor de uitrusting van ambtenaren van politie;

dat elk van de landen hetgeen in deze regeling is overeengekomen vaststellen bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, of algemene maatregel van bestuur;

Gelet op artikel 38, eerste lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 42, eerste lid, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba,

Komen het volgende overeen:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Bewapening en overige uitrusting

Artikel 2
1.

De bewapening van de ambtenaar bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit:

2.

De korpsbeheerder kan ambtenaren van politie aanwijzen die van het dragen van de in het eerste lid genoemde wapens zijn vrijgesteld.

3.

De korpsbeheerder kan de ambtenaar die belast is met surveillance en beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 7.13 van de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aanwijzen die mede wordt bewapend met een politiesurveillancehond, een elektrische wapenstok en een lange wapenstok.

4.

De overige uitrusting van de ambtenaar bestaat uit:

5.

De korpsbeheerder kan de ambtenaar mede uitrusten met een veiligheidsvest of tie-raps.

Artikel 3
1.

De bewapening van de aspirant bestaat in het gedeelte van de opleiding dat in het korps wordt doorgebracht tijdens de uitoefening van de dienst uit:

2.

De korpsbeheerder kan de aspirant, bedoeld in het eerste lid, mede bewapenen met het pistool of de revolver met de daarbij behorende munitie.

Artikel 4
1.

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot de mobiele eenheid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede uit:

2.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid aanwijzen die van het dragen van de in het eerste lid genoemde wapens is vrijgesteld.

3.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 7.13 van de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aanwijzen die tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede wordt bewapend met een politiesurveillancehond en een elektrische wapenstok.

4.

De overige uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst mede uit een gasmasker en een schild.

5.

De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.

Artikel 5
1.

De bewapening van de ambtenaar die is belast met persoonsbeveiliging bestaat tijdens de uitoefening van de dienst mede uit:

2.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid aanwijzen die van het dragen van de in het eerste lid genoemde wapens is vrijgesteld.

Artikel 6
1.

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een aanhoudings- en ondersteuningseenheid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede uit:

2.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid aanwijzen die van het dragen van de in het eerste lid genoemde wapens is vrijgesteld.

3.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 7.13 van de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, aanwijzen die tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede wordt bewapend met een hond met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van deze eenheid.

4.

De overige uitrusting van de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst uit een gasmasker en explosieven.

5.

De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.

Artikel 7
1.

De bewapening van de ambtenaar die behoort tot een bijzondere bijstandseenheid, bestaat tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede uit een vuurwapen waarmee lange-afstandsprecisievuur kan worden afgegeven met de daarbij behorende munitie.

2.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid aanwijzen die van het dragen van de in het eerste lid genoemde wapens is vrijgesteld.

3.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar als bedoeld in het eerste lid die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 7.13 van de van de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba aanwijzen die tijdens de uitoefening van de dienst bij deze eenheid mede wordt bewapend met een hond met als doel in politiedienst te worden ingezet bij het optreden van deze eenheid.

4.

De korpsbeheerder kan de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, mede uitrusten met een kogelwerend vest en een kogelwerende helm.

Artikel 8

De korpsbeheerder kan de ambtenaar die geen deel uitmaakt van de in de artikelen 4, 6 en 7 genoemde eenheden, uitrusten met een kogelwerend vest, een kogelwerende helm of een gasmasker.

Artikel 9
1.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar die is belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, uitrusten met hulpmiddelen ten behoeve van de verwijdering van vreemdelingen.

2.

Onder hulpmiddelen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan:

Artikel 10

De korpsbeheerder kan in bijzondere, door het bevoegd gezag aangegeven situaties, een ambtenaar aanwijzen die tijdelijk mede wordt bewapend met:

Artikel 11

De korpsbeheerder draagt er zorg voor dat de ambtenaar slechts over een wapen beschikt indien hij voldoet aan de gestelde eisen van bekwaamheid, bedoeld in de onderlinge regeling krachtens artikel 41, eerste lid, van de rijkswet.

Artikel 12

Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt regels met betrekking tot het dragen, het onderhoud en het in inbraakvrije ruimte bewaren van de wapens en munitie, bedoeld in de artikelen 2 tot en met 10.

Artikel 13
1.

De korpsbeheerder kan een ambtenaar die beschikt over een geldig certificaat als bedoeld in artikel 7.13 van de onderlinge regeling houdende kwaliteitseisen, opleidings- en trainingsvereisten politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, uitrusten met een politiespeurhond als bedoeld in het tweede tot en met zesde lid.

2.

Uitrusting met een politiespeurhond menselijk geur geschiedt uitsluitend voor de speurtaak of geuridentificatietaak, voor zover de desbetreffende politiespeurhond voor die taak is gecertificeerd.

3.

Uitrusting met een politiespeurhond explosieven geschiedt uitsluitend voor het opsporen van explosieven, vuurwapen en munitie.

4.

Uitrusting met een politiespeurhond verdovende middelen geschiedt uitsluitend voor het opsporen van verdovende middelen.

5.

Uitrusting met een politiespeurhond stoffelijke resten geschiedt uitsluitend voor het opsporen van stoffelijke resten van mensen.

6.

Uitrusting met een politiespeurhond brandversnellende middelen geschiedt uitsluitend voor het opsporen van brandversnellende middelen.

Artikel 14
1.

Tot de overige uitrusting van de ambtenaar en de vrijwillige ambtenaar, bedoeld in artikel 3, onder c, van de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, kunnen onder meer behoren:

2.

De korpsbeheerder bepaalt aan welke ambtenaren de uitrusting als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt en wanneer deze worden gedragen of gebruikt.

Artikel 15
1.

Onze Ministers, op voorstel van de korpschefs, stellen voor de wapens, de daarbij behorende draagmiddelen en de munitie het merk en type vast.

2.

Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Justitie van Sint Maarten en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties, op voorstel van de korpschefs, stellen voor de overige uitrusting het merk en type vast.

Artikel 16

Onze Minister van Justitie van Curaçao, Onze Minister van Sint Maarten respectievelijk Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is verantwoordelijk voor de aanschaf en afvoer van de in deze regeling genoemde wapens en de daarbij behorende munitie, alsmede de overige uitrusting ten behoeve van het politiekorps.

Artikel 17
1.

Onze Minister kan toestemming verlenen een ambtenaar gedurende maximaal een jaar mede te bewapenen met een wapen of munitie voor zover dit noodzakelijk is voor de beproeving ervan. De termijn van maximaal een jaar kan eenmaal worden verlengd.

2.

Onze Minister stelt de andere landen hiervan in kennis.

3.

Onze Minister stelt het merk en type van het wapen of de munitie, bedoeld in het eerste lid, vast.

Hoofdstuk 3. Onderscheidingstekens hoofdrangen

Artikel 18
1.

De onderscheidingstekens van de hoofdrangen worden bevestigd op beide harde schouderbedekkingen met afmetingen 6 bij 12,5 cm welke in de lengterichting enigszins geboren zijn en waarvan de scherpe punt is afgesneden en welke zijn bekleed met een zwarte 55 procent dacronpolyester en 45 procent wollen stof. Aan het afgesneden uiteinde is hierop een goudkleurige embleemknoop bevestigd.

2.

Tot de onderscheidingstekens van de hoofdrangen behoren:

3.

De onderscheidingstekens van de hoofdrangen zijn voor de:

4.

De onderscheidingstekens van de subrangen behorende bij een hoofdrang zijn gelijk aan die van de desbetreffende hoofdrang.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen

Artikel 19

De onderlinge regeling treedt in werking op het tijdstip waarop de Rijkswet politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt.

Artikel 20

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitrustingregeling voor de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Deze regeling wordt binnen 30 dagen na ondertekening geplaatst in de Staatscourant en de Curaçaosche Courant.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.