Afspraken over de harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie, tweede tranche

Type Circulaire
Publication 2010-12-08
State In force
Source BWB
artikelen 2
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Vooralsnog zijn bijna tachtig regelingen benoemd die in aanmerking komen voor harmonisatie. Met de politievakorganisaties is afgesproken dit totaalpakket op te delen. Op 20 maart 2008 is met de politievakorganisaties overeenstemming bereikt over de eerste tranche van te harmoniseren regelingen en op 23 april 2008 is tevens overeenstemming bereikt over de onderliggende regelgeving. De afspraken over de eerste tranche zijn vastgelegd in de circulaire 2008-192603 van 24 april 2008 en hebben geleid tot het Besluit van 15 september 2008 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in verband met de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden (Stb. 384), hierna: Besluit van 15 september 2008.

Vanaf medio 2009 is met de politievakorganisaties overeenstemming bereikt over een aantal van de te harmoniseren regelingen van de tweede tranche. Overeenstemming is onder meer bereikt over het onderhoud van bepaalde kledingstukken door zorg van het bevoegd gezag, de periodiekdatum, de toekenning ME-vergoeding, de verstrekking en onderhoud van uniformkleding van vrijwillige politie, de van toepassingverklaring van het Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie op de vrijwillige ambtenaren van politie en de vergoedingen voor aspiranten voor huisvesting en gezinsbezoek bij lange reisafstand tussen woning en opleiding. Het onderhavige besluit strekt er toe de diverse rechtspositionele besluiten aan te passen aan bovengenoemde afspraken.

Wat betreft de financiële middelen wordt verwezen naar de circulaire van 24 april 2008 evenals naar de nadere afspraken die zijn vastgelegd in de circulaire van 27 november 2006. Met betrekking tot de bestemming van de financiële middelen die gemoeid waren met de regionale regelingen geldt dat in het Akkoord is afgesproken dat de arbeidsvoorwaardenruimte die in het verleden vanuit het landelijk overleg is toegewezen aan het regionale overleg beschikbaar blijft voor het domein van personeelsbeleid en arbeidsvoorwaarden. Tot deze middelen wordt ook het beslag van de afspraken rond de harmonisatie in 1994 vanwege de regiovorming gerekend.

Over dit besluit is op 21 oktober 2010 overeenstemming met de politievakorganisaties bereikt.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdeel A

Eén van de afspraken gemaakt als onderdeel van de eerste tranche van landelijk te harmoniseren regelingen is dat de bevoegdheid om in het korps extra feestdagen aan te wijzen komt te vervallen. In veel korpsen is in het verleden Goede Vrijdag aangewezen als extra feestdag. Deze aanwijzing per korps is vervangen door een verhoging van het recht op vakantie van 165,6 uur naar 172,8 uur bij een voltijds aanstelling. Hiertoe is bij het Besluit van 15 september 2008 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in verband met de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden (Stb. 384) artikel 17, eerste lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) gewijzigd. Destijds is deze verhoging niet toegepast op aspiranten. In onderhavig besluit wordt in artikel 14, eerste lid, van het Barp deze verhoging alsnog voor aspiranten opgenomen en wordt aan de wijziging terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2009, hetzelfde moment waarop de wijziging van het aantal verlofuren genoemd in artikel 17, eerste lid, van het Barp van kracht is geworden.

Artikel I, onderdeel B, en artikel III, onderdeel A

Over het onderhoud van kleding is de afspraak gemaakt dat dit voor bepaalde kledingstukken zal geschieden door de zorg van het bevoegd gezag en voor andere kledingstukken door de betrokken ambtenaar zelf. Artikel 56 van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 15 van het Besluit rechtspositie vrijwillige politie worden hiermee in overeenstemming gebracht, aangezien in genoemde artikelen nog werd uitgegaan van onderhoud door de zorg van het bevoegd gezag. De afspraken wie verantwoordelijk is voor het onderhoud van welke kledingstukken zal verder worden uitgewerkt in de Kledingregeling voor de politie.

Artikel II, onderdeel A (artikel 9, tweede lid)

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om in artikel 9, tweede lid, een redactionele verbetering aan te brengen.

Artikel II, onderdeel A (artikel 9, zesde lid)

In het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bij de politie is afgesproken dat in het geval een ambtenaar naast de jaarlijkse salarisverhoging met één periodiek door het bevoegd gezag een extra periodiek wordt toegekend of in het geval door het bevoegd gezag de jaarlijkse salarisverhoging niet wordt toegekend, een dergelijke beslissing vooraf moet zijn gegaan door een recente bekrachtigde beoordeling als bedoeld in artikel 71, tweede en vijfde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie. Deze beoordeling mag niet ouder zijn dan een jaar te rekenen vanaf de datum waarop het bevoegd gezag besluit over het toekennen van de periodiek. De verplichting tot beoordelen is opgenomen in een aan artikel 9 toegevoegd zesde lid van het Besluit bezoldiging politie.

Artikel II, onderdeel A (artikel 9, zevende en achtste lid)

In deze bepalingen is de afspraak opgenomen dat bij aspiranten die de opleiding met succes hebben afgerond de datum van de jaarlijkse salarisverhoging gehandhaafd blijft op de eerste dag van de maand waarin ze als aspirant zijn begonnen. Stel: een aspirant die op 1 september 2007 met de opleiding is gestart en deze met succes heeft afgerond op 1 juni 2010, wordt op 1 juni 2010 ingeschaald op de wijze als geregeld in artikel 3, zevende lid van het Bbp. De eerstvolgende jaarlijkse salarisverhoging, ook wel salarisperiodiek genoemd, krijgt de inmiddels afgestudeerde op 1 september 2010 en vervolgens op 1 september van de volgende jaren. Is de aspirant echter op 1 oktober 2010 afgestudeerd, vindt de jaarlijkse verhoging voor het eerst weer plaats op 1 september 2011 en vervolgens op 1 september van de volgende jaren.

Onder succesvol afronden van de opleiding wordt verstaan het behalen van de laatste proeve van bekwaamheid van de opleiding dan wel het behalen van het laatste examen. Het behalen kan worden aangetoond door een kopie van het beoordelingsformulier dan wel een kopie van de verklaring examenresultaten. De inschaling met inachtneming van artikel 3, zevende lid, van het Bbp vindt plaats de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de opleiding succesvol is afgerond.

Het achtste lid ziet op de aspiranten die tijdens de opleiding een salaris genieten overeenkomstig een salarisschaal van bijlage I van dit besluit en die al langer dan een jaar voor het succesvol afronden van de opleiding het maximum salarisniveau als bedoeld in artikel 3, zesde lid, onderdeel b hebben bereikt. Voor deze groep ambtenaren geldt dat de eerstvolgende salarisverhoging na het succesvol afronden van de opleiding plaats vindt in dezelfde kalendermaand van een later jaar dan waarin met de opleiding is gestart dan wel de laatste verhoging tijdens de opleiding heeft plaatsgevonden.

Artikel II, onderdeel B

In het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bij de politie is afgesproken dat de ME-vergoeding niet alleen wordt toegekend bij daadwerkelijke inzet van de mobiele eenheid ter handhaving van de openbare orde, maar in alle gevallen wordt toegekend aan ambtenaren die daadwerkelijk worden ingezet als lid van een mobiele eenheid. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een zoekactie naar een vermist persoon of lijk waarbij een ME-eenheid wordt ingezet.

Artikel II, onderdeel C

De wijziging van het vierde lid betreft het herstel van een foutieve redactie in het Besluit van 15 september 2008. De huidige redactie suggereert dat de vergoeding alleen wordt toegekend bij het verrichten van werkzaamheden die niet tot het reguliere werk behoren. Dit is bij de afspraken over de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden eerste tranche niet beoogd. Aan de wijziging van het vierde lid wordt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 oktober 2008.

Artikel II, onderdeel D

In het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bij de politie is afgesproken dat er duidelijkheid moet bestaan over de voorwaarden waaronder een ambtenaar die geen lid is van de mobiele eenheid maar wel wordt ingezet bij een (grootschalig) ME optreden (de zogenaamde niet-ME’er), in aanmerking komt voor een vergoeding. In de praktijk is gebleken dat de huidige tekst van artikel 29, vierde lid, van het Bbp in samenhang met de toelichting (Besluit van 15 september 2008 tot wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie, het Besluit bezoldiging politie en het Besluit rechtspositie vrijwillige politie in verband met de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden, Stb. 384) tot onduidelijkheid leidt. In het overleg in het kader van de harmonisatie is naar voren gekomen dat, hoewel bij de inzet van de ME vaak vooraf een staf grootschalig bijzonder optreden (sgbo) is ingesteld en in veel gevallen het ondersteunend personeel op voorhand kan worden aangewezen, dit niet in alle gevallen mogelijk zal zijn en dat als een niet-ME’er niet voorafgaand is aangewezen hij niet de vergoeding krijgt, terwijl zich wel eenzelfde gevaarzetting heeft voorgedaan als bij een niet-ME’er die wel op voorhand is aangewezen. Het is nu de bedoeling dat een niet-ME’er pas in aanmerking komt voor een vergoeding als er sprake is van daadwerkelijke inzet waarbij er sprake is van gevaarzetting ter handhaving van de openbare orde en niet, zoals nu in artikel 29, vierde lid, is neergelegd, op voorhand wordt aangewezen met een inschatting van de gevaarzetting. Immers of er sprake is van gevaarzetting ter handhaving van de openbare orde, kan pas achteraf worden vastgesteld.

Bij de toekenning van de vergoeding aan de niet-ME’er blijft als voorwaarde gelden dat er sprake moet zijn van een oproep van de mobiele eenheid in het kader van een grootschalig of bijzonder optreden (artikel 29, vierde lid, onderdeel a). De tweede voorwaarde (onderdeel b) is gewijzigd en houdt in dat het bevoegd gezag de niet-ME’er oproept voor een inzet, waarbij achteraf door het bevoegd gezag wordt vastgesteld dat er sprake was van gevaarzetting ter handhaving van de openbare orde. Dit betekent dat er verschil kan zijn in de toekenning van een vergoeding tussen een lid van de mobiele eenheid en een niet-ME’er. Dit is een belangrijke wijziging in vergelijking met de oude situatie.

Er dient sprake te zijn van gevaarzetting voor de niet-ME’er vanwege de inzet ter handhaving van de openbare orde. De vergoeding is niet afhankelijk van de functie maar van de omstandigheden waaronder die functie wordt vervuld. Daarom voldoet ondersteunend personeel, dat bijvoorbeeld op het hoofdkantoor vanwege de ME-inzet werkzaam is, niet aan de criteria om in aanmerking te komen voor de dagvergoeding. Het gaat om de omstandigheden waaronder de werkzaamheden worden uitgeoefend. Ter illustratie de volgende voorbeelden:

Artikel III, onderdeel B

In het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bij de politie is afgesproken dat aan vrijwillige ambtenaren van politie dezelfde vergoeding voor woon-werkverkeer wordt verstrekt als aan de ambtenaren in dienst van de politie. De regeling betreffende het woon-werkverkeer voor de politie is geregeld in hoofdstuk II van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie. Artikel 44 wordt in die zin gewijzigd dat naast hoofdstuk III ook hoofdstuk II van voornoemd besluit van toepassing is op de ambtenaren van de vrijwillige politie.

Artikel 37 van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie geeft het bevoegd gezag in individuele gevallen bij ambtenaren in dienst van de politie de mogelijkheid af te wijken van besluiten genomen op grond van onder meer de hoofdstukken II en III van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie, indien de afwijking strekt tot het vermijden van onbillijkheden van overwegende aard welke uit de toepassing van dit besluit zouden voortkomen. Met de toevoeging van het tweede lid aan artikel 44 van het Besluit vrijwillige politie wordt de mogelijkheid om af te wijken van besluiten op grond van de hoofdstukken II en III van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie ook mogelijk voor ambtenaren van de vrijwillige politie.

Artikel IV

In het kader van de harmonisatie van arbeidsvoorwaarden bij de politie is afgesproken dat het bevoegd gezag op verzoek van de aspirant kan besluiten tot het toekennen van een vergoeding voor tijdelijke huisvesting indien het dagelijks heen en weer reizen tussen de woonplaats en de plaats waar de initiële opleiding wordt gevolgd, naar het oordeel van het bevoegd gezag bezwaarlijk is. Hiertoe wordt aan het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie een nieuw artikel 14a toegevoegd. Redenen die bij de beslissing een rol spelen, zijn:

Uitgangspunt is dat het bevoegd gezag en de aspirant gezamenlijk moeten bespreken wat voor de aspirant de beste oplossing is.

Het bedrag van € 340,34 is gelijk aan de maximale tegemoetkoming voor pensionkosten zoals deze was opgenomen in artikel 13, eerste lid, van de Regeling vergoeding verplaatsingskosten politie.

Opgemerkt wordt nog dat naast de aanspraak geregeld in het nieuwe artikel 14a ook aanspraak bestaat op vergoeding van reiskosten tussen de tijdelijke verblijfplaats en de plaats van opleiding op grond van artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie.

In artikel 38, eerste lid, (onderdeel B) van het Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie wordt bepaald dat het in artikel 14a, eerste lid, genoemde bedrag, net als de bedragen genoemd in de artikelen 13, tweede lid, en 14, eerste lid, jaarlijks wordt aangepast overeenkomstig de geschoonde consumentenprijsindex voor restaurants en accommodaties, vastgesteld door het Centraal bureau voor de statistiek.

Artikel V

Dit besluit treedt in werking de dag na publicatie in het Staatsblad. Aan de wijziging van artikel 29, vierde lid, van het Bbp is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 oktober 2008. Aan de wijziging van artikel 14, eerste lid, van het Barp is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2009. Zie de toelichting bij artikel II, onderdeel C respectievelijk artikel I, onderdeel A.

Bijlage 10

Gedragscode mobiele telefonie

1. Gebruiksregels

Algemene uitgangspunten

De ambtenaar:

Gebruiksverklaring

Bij de uitgifte van een mobiele telefoon wordt een gebruiksverklaring verstrekt. De ambtenaar ondertekent deze gebruiksverklaring en verklaart hiermee dat hij bekend is met de inhoud van de ‘Gedragscode gebruik mobiele telefonie politie’ en daarmee in overeenstemming zal handelen.

De gebruiksverklaring bevat de volgende gegevens:

Bereikbaarheid

De mobiele telefoon is verstrekt voor de bereikbaarheid van de ambtenaar. De mobiele telefoon staat in ieder geval tijdens de diensttijd en consignatie aan. De ambtenaar zet de mobiele telefoon op een stil belprofiel indien hij niet kan worden gestoord. De voicemail dient binnen een redelijke termijn binnen de diensttijd te worden afgeluisterd.

Privégebruik

Privégebruik is toegestaan indien het gaat om kortdurend gebruik voor privé-doeleinden, mits dit niet storend is voor de dagelijkse werkzaamheden. De ambtenaar is terughoudend met het privégebruik van de telefoon. De ambtenaar weet dat de factuur van de serviceprovider wordt gecontroleerd, waardoor er inzage in het bel- en sms-gedrag van de ambtenaar kan zijn. Persoonlijke gegevens zullen alleen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze verzameld zijn, namelijk het leggen van een relatie tussen ambtenaar en het gebruik van deze mobiele telefoon.

Niet toegestaan gebruik

Het is de ambtenaar niet toegestaan:

Indien de ambtenaar de mobiele telefoon niet volgens de hiervoor genoemde regels gebruikt, dan kan het toestel worden ingenomen of kan het abonnement in opdracht van de leidinggevende worden geblokkeerd. De blokkade kan zonder aankondiging worden geplaatst. Indien er door het niet toegestane gebruik door de ambtenaar kosten zijn gemaakt, dan worden deze bij de ambtenaar in rekening gebracht.

Veiligheid

Een mobiele telefoon kan veel informatie bevatten waardoor voor de politie veiligheidsrisico’s ontstaan indien een mobiele telefoon in verkeerde handen valt. Het is daarom nodig om zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met de mobiele telefoon en de volgende voorzorgen in acht te nemen:

Defecten en verlies

Defecte toestellen worden zonder kosten, voor zover het defect niet te wijten is aan de ambtenaar, kosteloos gerepareerd of vervangen door een functioneel gelijkwaardig toestel. De korpschef kan, in overeenstemming met artikel 68 Barp, de ambtenaar verplichten bij verlies, diefstal of beschadiging van het toestel, voor zover deze aan de ambtenaar is te wijten, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

Inleveren van het toestel

De mobiele telefoon, de SIM-kaart en alle accessoires dienen bij het korps te worden ingeleverd:

Indien bij inlevering op het toestel of de SIM-kaart nog informatie staat, dan wordt die niet gelezen en direct verwijderd.

Controle naleving gebruiksregels

Controle

Indien naar het oordeel van het korps een vermoeden van misbruik bestaat, kan een controle op het mobiele telefoongebruik van een ambtenaar plaatsvinden. De werknemer wordt bij beëindiging van een controle door de leidinggevende ingelicht over de controle die heeft plaatsgevonden, de wijze waarop deze heeft plaatsgevonden, het doel van de controle en de resultaten van deze controle. Bij constatering van misbruik zal het korps nader onderzoek verrichten. Afhankelijk van de aard en omvang kan het misbruik worden aangemerkt als plichtsverzuim, zoals is omschreven in artikel 76 het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp).

Excessief gebruik

Budgethouders of leidinggevenden binnen de korpsen zijn verantwoordelijk voor om, op basis van de ontvangen rapportages, ambtenaren aan te spreken op mogelijk excessief gebruik.

Inhoudingprocedure

Inhouding bij extra kosten van de mobiele telefoon

Extra kosten zijn de kosten die vallen buiten de belbundel, zoals de kosten voor buitenlands telefoonverkeer, sms en betaalde servicenummers. Deze extra kosten komen voor inhouding in aanmerking. Vanwege administratieve reden vindt geen inhouding plaats wanneer de extra kosten € 10,00 per maand of lager bedragen. Indien de extra kosten hoger zijn dan het voornoemde bedrag per maand, kan een inhouding plaatsvinden. De leidinggevende oordeelt of de inhouding plaatsvindt. Bij dit oordeel houdt hij rekening met de omstandigheden waardoor de extra kosten gemaakt kunnen zijn, zoals de aard van de functie en de ligging van de grensregio’s.

Indien het bedrag hoger is dan € 10,00 per maand en de leidinggevende heeft geoordeeld dat de kosten voor inhouding in aanmerking komen, dan wordt het gehele bedrag (inclusief het drempelbedrag van € 10,00 per maand) ingehouden.

Werkwijze inhouding

Het korps bepaalt op welke tijdstippen de inhouding van de kosten plaatsvindt. De inhouding vindt plaats door middel van een verrekening met de salarisbetaling van de ambtenaar. De verdere werkwijze van de inhouding wordt door het korps bepaald.

Kosten voor de dienst gemaakt

Indien de ambtenaar van mening is dat ten onrechte de extra kosten zijn ingehouden omdat deze als dienstkosten moeten worden aangemerkt, kan tot drie maanden na de inhouding de kosten worden gedeclareerd. De ambtenaar vraagt bij het korps een gesprekskostenspecificatie voor de betreffende maand aan. Aan de hand van deze specificatie geeft de ambtenaar aan welk deel van de kosten als dienstkosten dienen te worden aangemerkt.

Bijlage

De ‘gebruiksverklaring mobiele telefonie politie’ maakt deel uit van deze gedragscode, zie ook paragraaf 1.2. Deze verklaring wordt door de ambtenaar bij de uitgifte van de mobiele telefoon ondertekend.

Bijlage: Gebruiksverklaring mobiele telefonie politie

Bijlage 11

Overzicht bijlagen bij circulaire HAP II

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)