Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 20 december 2010, nr. WJZ / 10169116, tot vaststelling van een nationaal instrument ter uitvoering van het Besluit van de Europese Commissie van 3 november 2010 inzake NER 300 (Subsidieregeling NER 300)
Gelet op artikel 3 Kaderwet EZ-subsidies;
Besluit:
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- –. CCS-project: een samenhangend geheel van activiteiten dat:
- a. gericht is op het milieutechnisch veilig afvangen, transporteren en geologisch opslaan van CO2,
- b. valt onder één van de categorieën, bedoeld in bijlage 1, onderdeel A, onder I, van het NER-besluit en
- c. voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het NER-besluit;
- –. EERP: verordening (EG) nr. 663/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 houdende vaststelling van een programma om het economisch herstel te bevorderen via financiële bijstand van de Gemeenschap aan projecten op het gebied van energie (PbEU 2009, L 200);
- –. ETS-richtlijn: richtlijn nr. 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van en regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PbEU 2003, L 275);
- –. minister: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;
- –. NER-besluit: besluit 2010/670/EU van de Commissie van 3 november 2010 tot vaststelling van criteria en maatregelen voor de financiering van commerciële demonstratieprojecten ter bevordering van de milieutechnisch veilige afvang en geologische opslag van CO2, alsook voor demonstratieprojecten ter bevordering van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie in het kader van de bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PbEU 2010, L 290);
- –. ondernemer: een natuurlijke persoon, een rechtspersoon, een vennootschap of een hiermee gelijk te stellen entiteit, die een onderneming in stand houdt, niet zijnde een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld;
- –. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
- –. penvoerder: de door het samenwerkingsverband aangewezen penvoerende persoon of organisatie;
- –. procedureverordening: verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-verdrag (PbEG 1999, L 83);
- –. RES-project: een samenhangend geheel van activiteiten dat:
- a. gericht is op het ontwikkelen en toepassen van nieuwe technologieën voor hernieuwbare energie;
- b. valt onder één van de categorieën bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het NER-besluit;
- c. voldoet aan de eisen, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, van het NER-besluit;
- d. innovatief is, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van het NER-besluit.
- –. samenwerkingsverband: een geen rechtspersoonlijkheid bezittend verband, bestaande uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten, niet zijnde een vennootschap;
- –. toekenningsbesluit: het besluit van de Europese Commissie bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het NER-besluit;
- –. uitnodiging: de uitnodiging van de Europese Commissie van 3 april 2013 (PbEU 2013, C 94) tot het indienen van voorstellen zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het NER-besluit;
- –. voorwaardelijk toekenningsbesluit: het toekenningsbesluit dat nog afhankelijk wordt gesteld van de in de artikel 9 van het NER-besluit genoemde voorwaarden en nog geen rechtskracht heeft.
§ 2. CCS-projecten
Artikel 2
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die of aan een deelnemer in een samenwerkingsverband dat een CCS-project uitvoert in Nederland, op het Nederlandse continentale plat of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
Artikel 3
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt maximaal 15% van de 300 miljoen beschikbare emissierechten, uitgedrukt in een bedrag in Euro.
Artikel 4
Indien reeds door de Europese Commissie verstrekte subsidie op grond van de EERP wordt gecombineerd met subsidie op grond van deze regeling wordt de subsidie op grond van de EERP in mindering gebracht op de subsidie op grond van deze regeling.
Artikel 5
De subsidiabele kosten zijn de investeringskosten van een CCS-project verminderd met de netto contante waarde volgens de best mogelijk schatting van de exploitatiekosten en -baten uit de toepassing van de afvang en opslag CO2 in de eerste tien exploitatiejaren.
De investeringskosten zijn de rechtstreeks aan het CCS-project toe te rekenen kosten voor grond, installaties,en apparatuur. De investeringskosten kunnen eveneens betrekking hebben op technologieoverdracht en knowhowlicenties, mits aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, vierde lid, van het NER-besluit is voldaan.
De in het eerste lid bedoelde exploitatiekosten en -baten van het CCS-project worden berekend met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het NER-besluit.
Artikel 6
Het subsidieplafond bedraagt het totale bedrag dat op basis van het toekenningsbesluit voor Nederland beschikbaar is voor CCS-projecten.
De minister verdeelt het subsidieplafond overeenkomstig het toekenningsbesluit.
Artikel 7
Een aanvraag om subsidie voor een CCS-project wordt uiterlijk ingediend op 15 mei 2013 om 17.00 uur met gebruikmaking van een formulier dat als bijlage 1 bij deze regeling is gevoegd.
De aanvraag wordt in de Engelse taal gedaan.
De aanvraag gaat, overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.
Bij de aanvraag worden in ieder geval de gegevens, bedoeld in artikel 5, derde lid, tweede alinea, onderdeel a tot en met d, van het NER-besluit, verstrekt.
Artikel 8
Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via een penvoerder.
Artikel 9
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan:
- a. deze paragraaf;
- b. de vereisten, bedoeld in bijlage I, onderdeel B, bij het NER-besluit.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager het CCS-project naar behoren kan uitvoeren;
- b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager voldoende financiële draagkracht en stabiliteit kan waarborgen;
- c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het CCS-project.
Artikel 10
De minister dient de aanvragen waarop op grond van artikel 9 niet afwijzend is beslist, op basis van artikel 5, derde lid, van het NER-besluit in bij de Europese Investeringsbank.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, op grond van een toekenningsbesluit niet voor financiering uit hoofde van het NER-besluit in aanmerking komt.
Artikel 11
De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen zeventien weken nadat duidelijk is of een CCS-project uit hoofde van het NER-besluit wordt gefinancierd op grond van een voorwaardelijk toekenningsbesluit.
De beschikking tot subsidieverlening wordt in overeenstemming met het NER-besluit en het voorwaardelijk toekenningsbesluit opgesteld.
Artikel 12
Indien uit andere hoofde subsidie wordt verstrekt als cofinanciering aan een CCS-project wordt de subsidie verleend onder de ontbindende voorwaarde dat de Europese Commissie overeenkomstig artikel 4, tweede en derde lid, van de procedureverordening bij beschikking heeft vastgesteld dat de cofinanciering geen steun vormt dan wel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en de door de Europese Commissie aan de beschikking verbonden voorwaarden bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Procedureverordening zijn toegepast.
Artikel 13
De subsidie wordt verleend onder de ontbindende voorwaarde dat het toekenningsbesluit voor het CCS-project geen rechtskracht heeft.
Artikel 14
De subsidieontvanger deelt de kennis betreffende de in bijlage II bij het NER-besluit bedoelde elementen overeenkomstig artikel 12 van het NER-besluit.
Artikel 15
De verplichtingen, bedoeld in artikel 36, 37, eerste en derde lid, 38, 40, 41 en 43 van het Kaderbesluit EZ-subsidies zijn van overeenkomstige toepassing.
De minister kan andere subsidieverplichtingen opleggen voor zover deze voortvloeien uit het NER-besluit of het toekenningsbesluit of door de Europese Commissie worden opgelegd.
Artikel 16
De minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening bepalen dat voorschotten worden verleend, en, indien voorschotten worden verleend, aangeven hoe deze voorschotten worden berekend voor zover dit strookt met het voorwaardelijk toekenningsbesluit.
Artikel 17
Na overlegging van de in de subsidiebeschikking aangegeven gegevens en documenten wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld.
§ 3. RES-projecten
Artikel 18
De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een ondernemer die of aan een deelnemer in een samenwerkingsverband dat een RES-project uitvoert in Nederland, op het Nederlandse continentale plat of in de Nederlandse exclusieve economische zone.
Artikel 19
De subsidie bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.
De subsidie bedraagt maximaal 15% van de 300 miljoen beschikbare emissierechten, uitgedrukt in een bedrag in Euro.
Artikel 20
Indien reeds door de Europese Commissie verstrekte subsidie op grond van de EERP wordt gecombineerd met subsidie op grond van deze regeling wordt de subsidie op grond van de EERP in mindering gebracht op de subsidie op grond van deze regeling.
Artikel 21
De subsidiabele kosten zijn de extra investeringskosten voor een RES-project die verbonden zijn aan de toepassing van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie verminderd met de netto contante waarde volgens de best mogelijk schatting van de exploitatiekosten en -baten in de eerste vijf jaar in vergelijking met die van een conventionele installatie met dezelfde effectieve energieproductiecapaciteit.
De investeringskosten zijn de rechtstreeks aan het RES-project toe te rekenen kosten voor grond, installaties en apparatuur. De investeringskosten kunnen eveneens betrekking hebben op technologieoverdracht en knowhowlicenties mits aan de voorwaarden, genoemd in artikel 3, vierde lid, van het NER-besluit is voldaan.
De in het eerste lid bedoelde exploitatiekosten en -baten worden berekend met toepassing van artikel 3, vijfde lid, van het NER-besluit.
Artikel 22
Het subsidieplafond bedraagt het totale bedrag dat op basis van het toekenningsbesluit voor Nederland beschikbaar is voor RES-projecten.
De minister verdeelt het subsidieplafond overeenkomstig het toekenningsbesluit.
Artikel 23
Een aanvraag om subsidie voor een RES-project wordt uiterlijk ingediend op 15 mei 2013 om 17.00 uur met gebruikmaking van een formulier dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.
De aanvraag wordt in de Engelse taal gedaan.
De aanvraag gaat, overeenkomstig in het formulier is vermeld, vergezeld van de in het formulier aangegeven bescheiden.
Bij de aanvraag worden in ieder geval gegevens, bedoeld in artikel 5, derde lid, tweede alinea, onderdeel a tot en met d, van het NER-besluit verstrekt.
Artikel 24
Indien de aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun aanvraag in via een penvoerder.
Artikel 25
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien de aanvraag niet voldoet aan:
- a. deze paragraaf;
- b. de vereisten, bedoeld in bijlage I, onderdeel B, bij het NER-besluit.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
- a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager het RES-project naar behoren kan uitvoeren;
- b. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de aanvrager voldoende financiële draagkracht en stabiliteit kan waarborgen;
- c. onvoldoende vertrouwen bestaat in de haalbaarheid van het RES-project.
Artikel 26
Vervallen
Artikel 27
De minister dient de aanvragen waarop op grond van artikel 25 niet afwijzend is beslist, op basis van artikel 5, derde lid, van het NER-besluit in bij de Europese Investeringsbank.
De minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, op grond van een toekenningsbesluit niet voor financiering uit hoofde van het NER-besluit in aanmerking komt.
Artikel 28
- De minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen zeventien weken nadat duidelijk is of een RES-project uit hoofde van het NER-besluit wordt gefinancierd op grond van een voorwaardelijk toekenningsbesluit.
De beschikking tot subsidieverlening wordt in overeenstemming met het NER-besluit en het voorwaardelijk toekenningsbesluit opgesteld.
Artikel 29
Indien uit andere hoofde subsidie wordt verstrekt als cofinanciering aan een RES-project wordt de subsidie verleend onder de ontbindende voorwaarde dat de Europese Commissie overeenkomstig artikel 4, tweede en derde lid, van de procedureverordening bij beschikking heeft vastgesteld dat de cofinanciering geen steun vormt dan wel verenigbaar is met de gemeenschappelijke markt en de door de Europese Commissie aan de beschikking verbonden voorwaarden bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Procedureverordening zijn toegepast.
Artikel 30
De subsidie wordt verleend onder de ontbindende voorwaarde dat het toekenningsbesluit voor het RES-project geen rechtskracht heeft.
Artikel 31
De subsidieontvanger deelt de kennis betreffende de in bijlage II bij het NER-besluit bedoelde elementen overeenkomstig artikel 12 van het NER-besluit.
Artikel 32
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.