Wet inkomstenbelasting BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API
Artikel A

De hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op deze wet en de daarop berustende bepalingen.

Hoofdstuk I. Belastingplichtigen

Artikel 1
1.

Onder de naam van «inkomstenbelasting» wordt een belasting geheven, waaraan onderworpen zijn, zij, die op de BES eilanden wonen (binnenlandse belastingplichtigen).

2.

In afwijking in zoverre van artikel 1.5 van de Belastingwet BES geldt dat:

3.

Aan de inkomstenbelasting zijn mede onderworpen de niet op de BES eilanden wonende personen, die binnenlandse bronnen van inkomen hebben als bedoeld in artikel 17 (buitenlandse belastingplichtigen).

Artikel 2

De volgende verrichtingen van niet op de BES eilanden wonende personen worden, ook voor zover zij plaatsvinden op de BES eilanden, niet aangemerkt als uitoefening van een bedrijf of beroep op de BES eilanden:

Hoofdstuk II. Op de BES eilanden wonende belastingplichtigen

Artikel 3
1.

De op de BES eilanden wonende personen zijn belastingplichtig naar hun belastbaar inkomen.

2.

Belastbaar inkomen is het in een belastingjaar genoten zuiver inkomen verminderd met de op grond van artikel 15 te verrekenen verliezen.

3.

Zuiver inkomen is het inkomen verminderd met de persoonlijke lasten en de buitengewone lasten.

4.

Onder inkomen wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van hetgeen de belastingplichtige zuiver geniet als opbrengst van:

Artikel 4

Voor de toepassing van deze wet wordt onder eigen woning verstaan een woning die de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat en:

Artikel 5
1.

Als opbrengst van roerend kapitaal worden beschouwd de vruchten van kapitaal, dat niet in onroerende zaken of de rechten waaraan deze zijn onderworpen of in een eigen bedrijf of beroep is belegd, zoals:

2.

Aandeelbewijzen en obligatiën, die aan aandeelhouders anders dan tegen storting van de volle nominale waarde worden uitgereikt, worden als dividenden beschouwd tot het bedrag, ten aanzien waarvan niet blijkt, dat storting heeft plaats gevonden of zal plaats vinden. Bijschrijving op aandeelbewijzen wordt met uitreiking van zodanige bewijzen gelijkgesteld.

3.

Gehele of gedeeltelijke teruggave van hetgeen op aandelen is gestort wordt als dividenduitkering aangemerkt, indien en voor zover deze teruggave kan geschieden uit de zuivere winst, tenzij tevoren het maatschappelijk kapitaal van het lichaam dat de teruggave doet, door wijziging in de akte van oprichting, dienovereenkomstig is verminderd.

[vervallen]

Artikel 6
1.

De opbrengst van onderneming en arbeid omvat de niet onder artikel 5 vallende voordelen, die als winst, honorarium, traktement, salaris, loon, vrije woning, vrije kost en inwoning, aandeel in winst of overwinst, tantième, gratificatie, vacatie- of presentiegeld of onder welke naam of vorm ook worden verkregen uit bedrijf of beroep (ambt, waardigheid, bediening en bestaande of vroegere dienstbetrekking door belastingplichtige zelf of door een ander vervuld daaronder begrepen) en uit handelingen, werkzaamheden en diensten van elke aard.

2.

Onder die voordelen worden mede begrepen:

3.

De in het vorige lid onder b, c, d en e bedoelde voordelen worden gesteld op het verschil tussen de verkoopwaarde of, indien deze niet is te bepalen, de geldswaarde van de overgaande bestanddelen en de laatste fiscale boekwaarde daarvan.

4.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen:

5.

Tot het loon behoren niet voordelen waarover de belasting op grond van artikel 21 van de Wet loonbelasting BES is verschuldigd door de inhoudingsplichtige, evenmin als een hierdoor voor de belastingplichtige ontstaan voordeel.

6.

Bij het bepalen van de winst uit onderneming worden de aan het houden van een personenauto of bestelauto verbonden kosten geacht tot een bedrag van ten minste 15% van de nieuwwaarde, met inbegrip van de algemene bestedingsbelasting en de invoerrechten, van die auto niet te zijn gemaakt ten behoeve van de onderneming, tenzij de ondernemer aantoont dat die auto niet voor privé doeleinden, waaronder woon-werkverkeer, wordt gebruikt.

7.

Ingeval aan een belastingplichtige in verband met het buiten dienstbetrekking verrichten van arbeid een personenauto of bestelauto ter beschikking is gesteld, wordt tot de inkomsten uit arbeid gerekend ten minste het bedrag waarmee 15% van de nieuwwaarde, met inbegrip van de algemene bestedingsbelasting en de invoerrechten, van die auto de vergoeding welke de belastingplichtige ter zake van het gebruik, anders dan ten behoeve van het buiten dienstbetrekking verrichten van arbeid, verschuldigd is, te boven gaat, tenzij de belastingplichtige aantoont dat die auto niet voor privé doeleinden, waaronder woon-werkverkeer, wordt gebruikt.

8.

Voor de toepassing van het vijfde en zesde lid en de daarop berustende bepalingen wordt een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen niet als bestelauto aangemerkt.

9.

Voor de toepassing van dit artikel wordt met betrekking tot de personenauto, onderscheidenlijk de bestelauto, die voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet in het kentekenregister is geregistreerd onder algemene bestedingsbelasting mede verstaan: omzetbelasting en invoerheffingen.

Artikel 7
1.

De opbrengst van rechten op periodieke uitkeringen omvat onderstanden, lijfrenten, alsmede de verschuldigde verstrekkingen van levensonderhoud, huisvesting of andere zaken, in het algemeen, alle verschuldigde uitkeringen en verstrekkingen, niet aan een ambt of dienstbetrekking verbonden, die bij overlijden van de gerechtigde of van een derde eindigen.

2.

Periodieke uitkeringen en verstrekkingen die de tegenwaarde van een prestatie vormen, worden slechts belast voor zover zij, tezamen met op grond van het betreffende recht van de verzekeraar reeds ontvangen uitkeringen en verstrekkingen, de waarde van de prestatie te boven gaan. Tot de waarde van de prestatie worden niet gerekend de bedragen welke niet tot het inkomen zijn gerekend dan wel op het inkomen in mindering konden worden gebracht.

Artikel 8

Als inkomen of deel van het inkomen wordt niet beschouwd:

Artikel 9
1.

De opbrengst in de vorige artikelen omschreven wordt ter berekening van het zuiver bedrag verminderd met de kosten tot verwerving, inning, en behoud der opbrengst en met de op de opbrengst rustende lasten, zoals:

de bedrijfs- en beroepskosten, waaronder worden verstaan de kosten nodig voor de uitoefening van een bedrijf of beroep of rechtstreeks daartoe betrekking hebbende, met inbegrip van kosten van onderhoud, verschuldigde renten en belastingen, die op de opbrengst van het bedrijf of beroep drukken;

de volgende kosten, voor zover zij niet reeds als bedrijfs- of beroepskosten in aanmerking komen:

renten van schulden alsmede kosten van geldlening, kosten vallende op de verzilvering van coupons en kosten van beheer.

2.

Uitgaven tot het voeren van een zekere staat worden niet als bedrijfs- en beroepskosten doch als particuliere uitgaven aangemerkt, ook dan wanneer zij tevens worden gedaan in het belang van het bedrijf, dan wel ter bevordering van de beroepsuitoefening of van enig andere werkzaamheid van de belastingplichtige.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.