Wet loonbelasting BES
Algemene Bepaling
Artikel A
De hoofdstukken I en VIII van de Belastingwet BES zijn van overeenkomstige toepassing op deze wet en de daarop berustende bepalingen.
Hoofdstuk I. Belastingplicht
Artikel 1
Onder de naam «loonbelasting» wordt een belasting van de werknemer of diens inhoudingsplichtige geheven.
Artikel 2
Werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in dienstbetrekking staat of van een inhoudingsplichtige loon geniet uit een vroegere dienstbetrekking van hemzelf of van een ander.
Wie niet op de BES eilanden woont, wordt slechts als werknemer beschouwd voor zover hij:
- a. zijn dienstbetrekking op de BES eilanden vervult, dan wel loon geniet uit een vroeger op de BES eilanden vervulde dienstbetrekking;
- b. in dienstbetrekking staat tot een publiekrechtelijk rechtspersoon naar het op de BES eilanden geldende recht, dan wel uit andere hoofde loon geniet van een zodanige rechtspersoon;
- c. loon geniet uit een bestaande of vroegere functie door hemzelf of door een ander vervuld als bestuurder of commissaris van een op de BES eilanden gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel c, van de Belastingwet BES, ook in geval van beperking van de bevoegdheid tot niet op de BES eilanden gelegen gedeelten van de onderneming van dat lichaam.
Krachtens wettelijk vruchtgenot aan een kind ontleent loon wordt geacht door het kind te zijn genoten.
Indien de dienstbetrekking als bedoeld in letter a van het tweede lid slechts tijdelijk geschiedt en korter dan drie maanden achtereen duurt, kan bij algemene maatregel van bestuur gehele of gedeeltelijke ontheffing van loonbelasting worden verleend.
[vervallen]
Artikel 3
Als dienstbetrekking wordt beschouwd elke arbeidsverhouding, waarbij een gezagsverhouding bestaat tussen degene die werk opdraagt en degene die het uitvoert.
Onder dienstbetrekking wordt tevens verstaan de arbeidsverhouding van:
- a. de bestuurder of commissaris van een op de BES eilanden gevestigd lichaam als bedoeld in artikel 1.3, onderdeel c, van de Belastingwet BES;
- b. het kind van 14 jaar of ouder dat werkzaam is in de onderneming van zijn ouder, tenzij die onderneming mede voor zijn rekening wordt gedreven;
- c. personen die niet anders dan op provisiebasis werken;
- d. degene, die als artiest of beroepssportbeoefenaar optreedt en zijn woonplaats niet op de BES eilanden heeft;
- e. degene, wiens functie op een benoeming berust;
- f. degene die, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of in de zelfstandige uitoefening van een beroep, zich verbindt om persoonlijk een werk van stoffelijke aard uit te voeren tegen een te betalen prijs;
- g. degene die de in onderdeel f bedoelde persoon bij het tot stand brengen van dat werk bijstaat;
- h. degene die arbeid verricht ten behoeve van een lichaam waarin hij of zijn partner als bedoeld in artikel 6d, vijfde lid, onderdeel a, een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting BES heeft.
Het tweede lid, onderdelen f en g, vindt geen toepassing indien de in onderdeel f bedoelde verbintenis rechtstreeks is aangegaan met een natuurlijk persoon ten behoeve van diens persoonlijke aangelegenheden dan wel met het Rijk, Bonaire, Sint Eustatius of Saba.
Bij algemene maatregel van bestuur, kunnen bedrijfssectoren en -takken worden aangewezen ten aanzien waarvan het tweede lid, onderdelen f en g, niet van toepassing is.
Als loon van de in het tweede lid, onder f, bedoelde uitvoerder wordt aangemerkt het gehele door de aanbesteder verstrekte loon, verminderd met het loon van de hulpen. Deze vermindering is slechts van toepassing voor zover de uitvoerder aan de aanbesteder een door hem en zijn hulpen ondertekende verklaring doet toekomen waaruit het loon van ieder van de hulpen blijkt.
Artikel 4
Inhoudingsplichtige is:
- a. degene, tot wie één of meer personen in dienstbetrekking staan;
- b. degene, die aan één of meer personen loon uit vroegere dienstbetrekking tot hemzelf of tot een ander verstrekt.
Als degene, tot wie de dienstbetrekking bestaat, wordt beschouwd in de gevallen bedoeld in artikel 3, tweede lid. onder
- a. het lichaam;
- b. de ouder;
- c. degene, van wie provisie genoten wordt;
- d. degene, met wie het optreden is overeengekomen;
- e. degene, te wiens laste de betaling komt;
- f. de aanbesteder;
- g. de aanbesteder;
- h. het lichaam.
Degene tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat wordt geacht aan de werknemer het loon te verstrekken dat deze uit hoofde van zijn dienstbetrekking geniet van een niet-inhoudingsplichtige;
Wie niet op de BES eilanden woont of gevestigd is, wordt slechts als inhoudingsplichtige beschouwd indien hij op de BES eilanden een vaste inrichting of vaste vertegenwoordiger heeft, dan wel op de BES eilanden één of meer personen in dienst heeft en door de Inspecteur als inhoudingsplichtige is aangewezen. Onverminderd het bepaalde in de vorige volzin worden ten aanzien van een niet op de BES eilanden wonende of gevestigde aannemer of onderaannemer als bedoeld in artikel 8.68 van de Belastingwet BES de werkzaamheden ten behoeve van het werk geacht te zijn verricht met behulp van een vaste inrichting op de BES eilanden indien de uitvoering van het werk langer duurt dan 30 dagen. Voor de toepassing van de eerste volzin worden organen of organisatieonderdelen van de Staat der Nederlanden geacht op de BES eilanden inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van personen die deze organen of organisatieonderdelen op de BES eilanden in dienst hebben en ter zake van het loon uit vroegere dienstbetrekking dat deze organen of organisatieonderdelen verstrekken.
Diplomatieke, consulaire en andere vertegenwoordigers van vreemde mogendheden en hun toegevoegde ambtenaren, alsmede door Onze Minister aan te wijzen internationale organisaties en vertegenwoordigers en functionarissen daarvan, worden niet als inhoudingsplichtigen beschouwd. De consulaire vertegenwoordiger is evenwel inhoudingsplichtig, indien en voor zover hij naast het consulaire ambt een bedrijf of beroep uitoefent.
Ter vergemakkelijking van de heffing van de inkomstenbelasting kunnen bij algemene maatregel van bestuur, regels worden gegeven ingevolge welke loonbelasting mede wordt geheven van natuurlijke personen die:
- a. termijnen van lijfrente of andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen genieten;
- b. uitkeringen genieten ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen.
Hoofdstuk II. Voorwerp van belasting
Artikel 5
De belasting wordt geheven over het belastbaar loon.
Belastbaar loon is het loon verminderd met de vaste kostenaftrek, bedoeld in artikel 6e.
Artikel 6
Loon is al hetgeen onder welke naam of vorm ook uit een bestaande of vroegere dienstbetrekking wordt verkregen.
Tot het loon behoren aanspraken om na verloop van tijd of onder een voorwaarde een of meer uitkeringen of verstrekkingen te ontvangen, waaronder rechten van werknemers op een of meer uitkeringen uit een spaar- en voorzieningsfonds.
Tot het loon behoren uitkeringen en verstrekkingen ingevolge een tot het loon behorende aanspraak voor zover de aanspraak in afwijking van hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, bij de bepaling van de verschuldigde belasting niet als loon in aanmerking is genomen.
Degene, tot wie een werknemer in dienstbetrekking staat, wordt geacht de uitkeringen van ongevallengelden en ziekengelden ingevolge de Wet ongevallenverzekering BES en de Wet ziekteverzekering BES, welke door zijn tussenkomst worden uitbetaald, als loon uit de dienstbetrekking te verstrekken.
Tot het loon behoren niet:
- a. aanspraken ingevolge de Wet ziekteverzekering BES, de Wet ongevallenverzekering BES en de Cessantiawet BES;
- b. aanspraken die naar aard en strekking overeenkomen met aanspraken als bedoeld in onderdeel a;
- c. aanspraken ingevolge een pensioenregeling;
- d. aanspraken op uitkeringen wegens overlijden of invaliditeit ten gevolge van een ongeval;
- e. eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter zake van het overlijden van de werknemer voor zover deze uitkeringen en verstrekkingen driemaal het loon over een maand niet overtreffen, alsmede aanspraken op de hiervoor bedoelde uitkeringen en verstrekkingen;
- f. de door de werkgever ten behoeve van de werknemer gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling en verpleging, alsmede de aanspraken van de werknemer op vrije geneeskundige behandeling en verpleging en op tegemoetkoming in ziektekosten;
- g. vergoedingen voor zover zij geacht kunnen worden te strekken tot bestrijding van kosten tot verwerving van het loon, behoudens ter zake van:
- 1°. posten als bedoeld in artikel 9c, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting BES, met uitzondering van onderdeel h daarvan;
- 2°. vervoerskosten als bedoeld in artikel 9c, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting BES voor zover meer wordt vergoed dan de aldaar genoemde prijs per kilometer;
- 3°. vaste vergoedingen voor zover niet is voldaan aan door Onze Minister nader te stellen regels;
- h. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke goederen;
- i. uitkeringen tot dekking van op de werknemer drukkende kosten van zijn opleiding of studie voor een beroep, alsmede verstrekkingen met betrekking tot zodanige opleiding of studie;
- j. bedragen die worden ingehouden:
- 1°. als bijdrage ingevolge een pensioenregeling;
- 2°. als bijdrage voor aanspraken die ingevolge de onderdelen b en d niet tot het loon behoren.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat eveneens niet tot het loon behoren andere aanspraken dan bedoeld in het vijfde lid.
Artikel 6a
Onder pensioenregeling wordt verstaan een regeling die uitsluitend:
- a. ten doel heeft de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit of ouderdom en de verzorging van hun echtgenoten en gewezen echtgenoten en van hun kinderen en pleegkinderen die de leeftijd van 27 jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd zijn of gehuwd zijn geweest; en
- b. een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen naar maatschappelijke opvattingen, mede in verband met diensttijd en genoten beloningen redelijk moet worden geacht en waarvan het lichaam dat als verzekeraar van een pensioen optreedt de pensioenverplichting rekent tot het binnenlandse ondernemingsvermogen.
Onze Minister is bevoegd om:
- a. nadere regels te geven ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b;
- b. onder door hem te stellen voorwaarden, bepaalde regelingen of groepen van regelingen die afwijken van het in het eerste lid bepaalde, als pensioenregeling in de zin van dit artikel aan te wijzen.
Artikel 6b
Ingeval van een gebeurtenis als hierna bedoeld, wordt op het onmiddellijk daaraan voorafgaande tijdstip de aanspraak aangemerkt als loon uit een vroegere dienstbetrekking van de werknemer of de gewezen werknemer dan wel, indien deze is overleden, van de gerechtigde tot de aanspraak:
- a. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling is niet langer als zodanig aan te merken;
- b. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt afgekocht of vervreemd dan wel formeel of feitelijk voorwerp van zekerheid;
- c. een op de BES eilanden gevestigd lichaam dat als verzekeraar van een pensioen optreedt, houdt op op de BES eilanden te zijn gevestigd dan wel rekent de pensioenverplichting niet langer geheel tot het binnenlandse ondernemingsvermogen;
- d. een aanspraak ingevolge een pensioenregeling wordt prijsgegeven, behoudens voor zover de aanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is.
Ingeval een verplichting ingevolge een pensioenregeling geheel of gedeeltelijk overgaat op een andere verzekeraar wordt de aanspraak ingevolge die regeling geacht te worden afgekocht. De eerste volzin is niet van toepassing voor zover deze verplichting geheel of gedeeltelijk overgaat naar een op de BES eilanden gevestigde verzekeraar die de pensioenverplichting rekent tot zijn binnenlands ondernemingsvermogen.
Onze Minister is bevoegd om, onder daarvoor te stellen voorwaarden, het tweede lid, laatste volzin, ook van toepassing te verklaren op een pensioenverplichting welke geheel of gedeeltelijk overgaat op een in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten dan wel een verdragsland gevestigde verzekeraar.
Artikel 6c
Niet in geld genoten loon wordt in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend met dien verstande dat voor zover de verwerving van het loon het gebruik of verbruik daarvan meebrengt, de waarde wordt gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing.
De ingevolge het eerste lid in aanmerking te nemen waarde wordt verminderd met het bedrag dat de werknemer ter zake in rekening wordt gebracht, met dien verstande dat de aldus verminderde waarde ten minste op nihil wordt gesteld.
In afwijking van het eerste en tweede lid wordt, ingeval aan een werknemer in verband met het verrichten van arbeid een bestelauto of een personenauto ter beschikking is gesteld, tot de inkomsten uit arbeid gerekend ten minste het bedrag waarmee 15% van de nieuwwaarde, met inbegrip van de algemene bestedingsbelasting en de invoerrechten, van de bestelauto of personenauto de vergoeding die de werknemer ter zake van het gebruik, anders dan ten behoeve van het verrichten van arbeid, verschuldigd is, te boven gaat, tenzij de werknemer doet blijken dat die auto niet voor privédoeleinden, waaronder woon-werkverkeer, wordt gebruikt. Voor de toepassing van dit lid en de daarop berustende bepalingen wordt een bestelauto die door aard of inrichting uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt blijkt te zijn voor vervoer van goederen niet als bestelauto aangemerkt.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.