Uitvoeringsregeling Belastingwet BES

Type Ministeriele Regeling Bes
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op de artikelen 5.7, 6.1, 6.3, 6.7l, 6.10, 6.11, eerste en tweede lid, 6.12, 6.15, 6.20, 6.21, 6.22, 6.25, eerste en derde lid, 6.26, 8.3, eerste en vijfde lid, 8.8, zevende lid, 8.11, tweede lid, 8.21, tweede lid, onderdeel b, 8.57, eerste en vierde lid, 8.58, eerste en tweede lid, 8.63, 8.128, derde lid, en 8.130, derde lid, van de Belastingwet BES;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Belastingwet BES in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1.1
2.

Deze regeling verstaat hierna onder wet: Belastingwet BES.

Hoofdstuk 2. Inkomstenbelasting (hoofdstuk II van de wet)

Hoofdstuk 2. Inkomstenbelasting (hoofdstuk II van de wet)

Hoofdstuk 3. Loonbelasting (hoofdstuk III van de wet)

Hoofdstuk 4. Vastgoedbelasting (hoofdstuk IV van de wet)

Artikel 5.1
1.

Buiten het Rijk gevestigde of georganiseerde kerkelijke, levensbeschouwelijke, charitatieve, culturele of wetenschappelijke instellingen en doelen bij welke de behartiging van het algemeen nut of een sociaal belang op de voorgrond staat, worden op verzoek door de inspecteur, onder door hem te stellen voorwaarden, aangemerkt als een buiten het Rijk gevestigde of georganiseerde instelling of doel ter zake waarvan inhouding van opbrengstbelasting achterwege kan blijven.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan bij de inspecteur.

3.

De door de inspecteur te stellen voorwaarden dienen om na te gaan of de behartiging van het algemeen nut of een sociaal belang op de voorgrond staat. In dat kader kan de inspecteur voorwaarden stellen aan de regelgeving, administratie en de feitelijke werkzaamheden van de instelling. Uit die regelgeving, administratie of feitelijke werkzaamheden moet blijken dat:

4.

De administratie, bedoeld in het derde lid, van de instelling dient zodanig te zijn ingericht dat daaruit duidelijk blijkt:

Hoofdstuk 5. Opbrengstbelasting (hoofdstuk V van de wet)

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 6.1

Dit hoofdstuk verstaat onder belasting: algemene bestedingsbelasting.

Artikel 6.2

Vervallen

Artikel 6.3
1.

De aftrek van de in artikel 6.3 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt overeenkomstig de bestemming van de goederen op het tijdstip waarop de belasting aan de producent in rekening wordt gebracht dan wel door hem ter zake van de invoer is betaald.

2.

Indien op het moment dat de goederen worden aangewend het gebruik anders is dan ten tijde van de initiële aftrek dan dient de producent in dat tijdvak de aftrek te corrigeren. Hij wordt de te veel afgetrokken voorbelasting op dat moment verschuldigd, de belasting moet op de voet van artikel 6.15 van de wet worden voldaan. De te weinig afgetrokken belasting wordt aan hem op verzoek teruggegeven.

3.

De aftrek geschiedt, ingeval de producent zowel handelingen verricht waarvoor een recht op aftrek bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek bestaat, met inachtneming van het volgende:

4.

Indien aannemelijk is dat het werkelijk gebruik van de in het derde lid, onderdeel c, bedoelde goederen, als geheel genomen, niet overeenkomt met de aldaar bedoelde verhouding, wordt het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen berekend op basis van het werkelijke gebruik.

5.

Ingeval de producent twee of meer goederen van dezelfde soort gebruikt, worden deze alle geacht mede te worden gebruikt ten behoeve van handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, tenzij blijkt welke van die goederen uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat en welke uitsluitend voor handelingen waarvoor dat recht wél bestaat.

6.

De in het derde lid voorgeschreven berekeningswijze geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de belasting aan de producent in rekening is gebracht dan wel door hem ter zake van de invoer is betaald.

7.

De herziening, bedoeld in het tweede lid, geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de producent de goederen is gaan gebruiken.

8.

De producent die op grond van artikel 6.22 van de wet is ontheven van het voldoen van belasting, kan de in artikel 6.3 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) niet in aftrek brengen. Indien ten aanzien van de producent artikel 6.22, vijfde of zevende lid, van de wet, wordt toegepast:

Artikel 6.4

Alvorens te beslissen op een verzoek om teruggaaf van belasting als bedoeld in artikel 6.15, derde lid, van de wet, kan de inspecteur een onderzoek instellen dan wel om nadere gegevens vragen ter vaststelling van de juistheid van het verzoek.

§ 2. Plaats van dienst

Artikel 6.5

Vervallen

§ 2. Plaats van dienst

Artikel 6.6
1.

De aanspraak op toepassing van het tarief van nihil voor leveringen van goederen als genoemd in artikel 6.10, tweede lid, onderdeel c, van de wet geldt slechts indien de toepasselijkheid van dat tarief uit boeken en bescheiden blijkt.

2.

Als producten als bedoeld in artikel 6.10, tweede lid, onderdeel e, van de wet, worden aangewezen producten die zijn opgenomen in bijlage II.

Artikel 6.7
1.

Voor de toepassing van de in artikel 6.11 van de wet vervatte vrijstellingen is de ondernemer gehouden een boekhouding te voeren waarin de voor die toepassing benodigde gegevens op duidelijke en overzichtelijke wijze zijn vermeld.

2.

De vrijstelling van belasting, bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel a, van de wet, is slechts van toepassing voor goederen ingedeeld in de hoofdstukken 4, 7 tot en met 11, 15, 17 en 19 van het geharmoniseerde systeem, genoemd in artikel 3.1, tweede lid, onderdeel a, van de Douane- en Accijnswet BES.

3.

De vrijstelling van belasting voor de diensten door artsen en andere medische beroepsbeoefenaren, bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel c, van de wet, is alleen van toepassing als die medische beroepsbeoefenaren voor de uitoefening van hun beroep als zodanig bevoegd en gediplomeerd zijn.

4.

Voor de toepassing van de vrijstelling, bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, wordt onder niet-commercieel onderwijs verstaan: van overheidswege bekostigd en georganiseerd onderwijs en door niet-winstbeogende ondernemers verstrekt algemeen vormend onderwijs, beroepsopleidingen, alsmede aan personen jonger dan 21 jaar verstrekt onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming.

5.

Onder onderwijs als bedoeld in artikel 6.11, eerste lid, onderdeel f, van de wet wordt mede begrepen bijlessen, tentamen- of examentrainingen, en het afnemen van examens in het kader van het onderwijs, bedoeld in het vijfde lid, alsmede met dat onderwijs nauw samenhangende leveringen en diensten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.