Besluit van 3 februari 2011, houdende vaststelling van voorschriften inzake de bekwaamheidseisen voor het onderwijspersoneel BES (Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel BES)
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 22 september 2010, nr. WJZ/236442 (4874), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Gelet op artikel 35, eerste en vierde lid, van de Wet primair onderwijs BES, de artikelen 85 en 86 van de Wet voortgezet onderwijs BES en artikel 4.2.3, eerste en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 20 oktober 2010, no. W05.10.0461/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 31 januari 2011, nr. WJZ 260337 (4874), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking in Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. school: school als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES of in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- b. instelling: instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Artikel 1.2. Reikwijdte
Vervallen
Hoofdstuk 2. Bekwaamheidseisen leraren en docenten
Titel 1. Algemene bepalingen
Artikel 2.1. Begripsbepalingen
- a. leraar po: leraar primair onderwijs als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES en voor zover het betreft het praktijkonderwijs: de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- b. leraar vo: leraar in het praktijkonderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, de eerste drie leerjaren van het hoger algemeen voortgezet onderwijs en van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- c. leraar vho: leraar voor de periode van voorbereidend hoger onderwijs als bedoeld in de artikelen 2.20, eerste lid, en 7.10, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- d. leraar: leraar po, leraar vo of leraar vho;
- e. docent: docent als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
- f. leerling: leerling als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of student, vavo-student of deelnemer als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
- g. school: school of instelling als bedoeld in de Wet primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs 2020 of de Wet educatie en beroepsonderwijs BES.
Titel 2. Bekwaamheidseisen primair onderwijs
Artikel 2.2. Drie bekwaamheden
De bekwaamheid tot het geven van onderwijs omvat de volgende bekwaamheden:
- a. de vakinhoudelijke bekwaamheid;
- b. de vakdidactische bekwaamheid; en
- c. de pedagogische bekwaamheid.
Met de kennis en kunde ten aanzien van de bekwaamheden, genoemd in het eerste lid, toont de leraar of docent aan dat hij zijn werk als leraar en als deelnemer aan de professionele onderwijsgemeenschap die hij samen met zijn collega’s vormt, kan verrichten op een professioneel doelmatige en verantwoorde wijze.
Artikel 2.3. Reikwijdte leraren of docenten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs
In afwijking van artikel 2.1 omvat de bekwaamheid tot het geven van onderwijs voor leraren of docenten godsdienstonderwijs of levensbeschouwelijk vormingsonderwijs niet de vakinhoudelijke bekwaamheid.
Artikel 2.4. Vakinhoudelijke bekwaamheid leraar of docent
Vakinhoudelijk bekwaam betekent dat de leraar of docent in ieder geval:
- a. de inhoud van zijn onderwijs beheerst;
- b. boven de leerstof staat;
- c. de leerstof zo kan samenstellen, kiezen of bewerken dat zijn leerlingen die kunnen leren;
- d. vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden kan leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap;
- e. kan bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen;
- f. zijn vakkennis en -kunde actueel houdt.
Artikel 2.5. Aanvullende vakinhoudelijke bekwaamheid leraar po
Om ten minste te voldoen aan artikel 2.4:
- a. beheerst de leraar po de leerstof qua kennis en vaardigheden van het onderwijs waarvoor deze leraar bevoegd is, gericht op het behalen van de kerndoelen en de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen van het primair onderwijs en kent hij de theoretische achtergronden daarvan;
- b. kan de leraar po de leerstof op een begrijpelijke en aansprekende manier uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt wordt;
- c. heeft de leraar po een grondige beheersing van taal en rekenen;
- d. heeft de leraar po zich theoretisch en praktisch verdiept in ten minste één ander leergebied of een deel ervan;
- e. heeft de leraar po zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van de leerjaren waarin hij werkt, of een andere geclusterde indeling van leerjaren die binnen een bepaald type school gebruikelijk is.
- f. overziet de leraar po de opbouw van het curriculum en de doorlopende leerlijnen;
- g. weet de leraar po hoe zijn onderwijs voortbouwt op het voorgaande onderwijs en voorbereidt op het vervolgonderwijs;
- h. kent de leraar po de samenhang tussen de verschillende vakken in het curriculum;
- i. weet de leraar po dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en leren;
- j. kan de leraar po zijn onderwijs afstemmen op de verschillen tussen leerlingen;
- k. kan de leraar po zijn leerlingen duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor het dagelijkse leven en voor het vervolgonderwijs.
Artikel 2.6. Aanvullende vakinhoudelijke bekwaamheid leraar vo of docent
Om ten minste te voldoen aan artikel 2.4:
- a. beheerst de leraar vo of docent de leerstof qua kennis en vaardigheden waarvoor hij verantwoordelijk is en kent de theoretische en praktische achtergronden van zijn vak;
- b. kan de leraar vo of docent de leerstof op een begrijpelijke en aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden;
- c. kent de leraar vo of docent de relatie van de leerstof voor zijn vak met de kerndoelen, eindtermen en eindexamenprogramma’s.
- d. overziet de leraar vo of docent de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum van de opleiding en de doorlopende leerlijnen;
- e. weet de leraar vo of docent hoe zijn onderwijs voortbouwt op het voorgaande onderwijs en voorbereidt op vervolgonderwijs of de beroepspraktijk;
- f. kent de leraar vo of docent de samenhang tussen de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogramma’s;
- g. kan de leraar vo of docent vanuit zijn inhoudelijke expertise in samenwerking met zijn collega’s en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte, de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school;
- h. heeft de leraar vo of docent zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin hij werkt, namelijk één of meer van de verschillende leerwegen van het vmbo, het praktijkonderwijs of de onderbouw van havo of vwo;
- i. weet de leraar vo of docent dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en leren;
- j. kan de leraar vo of docent zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen;
- k. kan de leraar vo of docent zijn leerlingen duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor beroepspraktijk en vervolgonderwijs;
- l. kan de leraar vo of docent daarbij vanuit zijn vakinhoudelijke expertise verbanden leggen met het dagelijks leven, met werk en met wetenschap en zo bijdragen aan de algemene vorming van zijn leerlingen.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de leraar of docent in het beroepsgerichte onderwijs, met dien verstande dat hij:
- a. in aanvulling op het tweede lid, onderdeel b: de leerstof ook richt op de beroepspraktijk en de verbinding van de theorie aan de (beroeps-)praktijk;
- b. in aanvulling op het tweede lid, onderdeel c: actuele kennis heeft van beroepen in de branche of branches waarvoor hij opleidt en verband kan leggen tussen de leerstof en de kwalificatiedossiers van die branche of branches;
- c. in aanvulling op het tweede lid, onder g: in staat is tot het onderhouden en benutten van contacten met het beroepenveld waarvoor hij opleidt;
- d. in aanvulling op het tweede lid, onder h: zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof van de verschillende typen en niveaus van de educatie en het beroepsonderwijs.
Artikel 2.7. Aanvullende vakinhoudelijke bekwaamheid leraar vho
Om ten minste te voldoen aan artikel 2.4:
- a. beheerst de leraar vho qua kennis en vaardigheden de leerstof waarvoor hij verantwoordelijk is en kent de theoretische achtergronden van zijn vak;
- b. kan de leraar vho de leerstof op een begrijpelijke en aansprekende manier samenstellen, uitleggen en demonstreren hoe ermee gewerkt moet worden;
- c. kent de leraar vho de relatie van de leerstof voor zijn vak met de eindtermen en eindexamenprogramma’s;
- d. heeft leraar vho kennis van de wetenschappelijke achtergronden van zijn vak en weet hij welke wetenschappelijke kennis en methoden van onderzoek gebruikt kunnen worden in zijn onderwijs;
- e. overziet de leraar vho de opbouw van het curriculum van zijn vak, de plaats van zijn vak in het curriculum van de opleiding en de doorlopende leerlijnen;
- f. weet de leraar vho hoe zijn onderwijs voortbouwt op het voorgaande onderwijs en voorbereidt op het hoger beroepsonderwijs en universitair onderwijs;
- g. kent leraar vho de samenhang tussen de verschillende verwante vakken, leergebieden en lesprogramma’s;
- h. kan de leraar vho vanuit zijn inhoudelijke expertise in samenwerking met zijn collega’s en de omgeving van de school bijdragen aan de breedte, de samenhang en de actualiteit van het curriculum van zijn school;
- i. heeft de leraar vho zich theoretisch en praktisch verdiept in de leerstof voor dat deel van het curriculum waarin hij werkt;
- j. weet de leraar vho dat zijn leerlingen de leerstof op verschillende manieren kunnen opvatten, interpreteren en leren;
- k. kan de leraar vho zijn onderwijs afstemmen op die verschillen tussen leerlingen;
- l. kan de leraar vho zijn leerlingen duidelijk maken wat de relevantie is van de leerstof voor werk en vervolgonderwijs.
Artikel 2.8. Vakdidactische bekwaamheid leraar of docent
Vakdidactisch bekwaam betekent dat de leraar of docent:
- a. de vakinhoud leerbaar maakt voor zijn leerlingen, in afstemming met zijn collega’s en passend bij het onderwijskundige beleid van zijn school;
- b. de vakinhoud weet te vertalen in leerplannen of leertrajecten;
- c. de vertaling van de vakinhoud doet met een professionele, ontwikkelingsgerichte werkwijze, waarin in ieder geval de volgende handelingselementen herkenbaar zijn:
- 1°. hij brengt een duidelijke relatie aan tussen de leerdoelen, het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen, de vakinhoud en de inzet van de verschillende methodieken en middelen;
- 2°. bij de uitvoering van zijn onderwijs volgt hij de ontwikkeling van zijn leerlingen;
- 3°. hij toetst en analyseert regelmatig en adequaat of en hoe de leerdoelen gerealiseerd worden;
- 4°. hij stelt op basis van zijn analyse zo nodig zijn onderwijs didactisch bij;
- 5°. hij laat zijn onderwijs met de tijd mee gaan.
Artikel 2.9. Vakdidactische bekwaamheid leraar, kennis
De leraar of docent is vakdidactisch bekwaam wat betreft kennis, indien hij ten minste:
- a. kennis heeft van verschillende leer- en onderwijstheorieën die voor zijn onderwijspraktijk relevant zijn en hij die kan herkennen in het leren van zijn leerlingen;
- b. verschillende methodes en criteria kent waarmee hij de bruikbaarheid ervan voor zijn leerlingen kan vaststellen;
- c. verschillende manieren kent om binnen een methode te differentiëren en recht te doen aan verschillen tussen leerlingen;
- d. de methode kan aanvullen en verrijken;
- e. weet hoe een leerplan in elkaar zit en de criteria kent waaraan een goed leerplan moet voldoen;
- f. kennis heeft van digitale leermaterialen en leermiddelen en de technische en pedagogisch-didactische mogelijkheden en beperkingen daarvan kent;
- g. de verschillende didactische leer- en werkvormen en de psychologische achtergrond daarvan kent;
- h. de criteria kent waarmee de bruikbaarheid daarvan voor zijn leerlingen kan worden vastgesteld;
- i. verschillende doelen van evalueren en toetsen kent;
- j. verschillende, bij de doelen als bedoeld in onderdeel i, passende vormen van observeren, toetsen en examineren kent;
- k. toetsen kan ontwikkelen, toetsresultaten kan beoordelen, analyseren en interpreteren en de kwaliteit van toetsen en examens kan beoordelen;
- l. bruikbare en betrouwbare voortgangsinformatie kan verzamelen en analyseren en op grond daarvan zijn onderwijs waar nodig kan bijstellen;
- m. zich theoretisch en praktisch heeft verdiept in de vakdidactiek ten behoeve van het type onderwijs en het deel van het curriculum waarin hij werkzaam is.
Artikel 2.10. Aanvullende vakdidactische bekwaamheid leraar vo en docent in het beroepsgericht onderwijs, kennis
Voor het beroepsgerichte onderwijs houdt de kennis, bedoeld in artikel 2.9:
- a. onder a, onder andere in dat hij zich verdiept in de theoretische en praktische aspecten van leren op de werkplek;
- b. onder m, in dat hij zich verdiept heeft in didactiek ten behoeve van beroepsgericht onderwijs, de vormgeving en begeleiding van het leren op de werkplek en op de samenwerking met het beroepenveld en met praktijkbegeleiders bij het begeleiden van dit leren.
Titel 3. Bekwaamheidseisen vmbo, onderbouw havo en vwo, praktijkonderwijs, en bve
Artikel 2.11. Vakdidactische bekwaamheid leraar, kunde
De leraar is vakdidactisch bekwaam wat betreft kunde indien de leraar of docent ten minste:
- a. onderwijs kan voorbereiden, wat betekent dat hij:
- 1°. doelen kan stellen, leerstof kan selecteren en ordenen;
- 2°. samenhangende lessen kan uitwerken met passende werkvormen, materialen en media, afgestemd op het niveau en de kenmerken van zijn leerlingen;
- 3°. passende en betrouwbare toetsen kan kiezen, maken of samenstellen;
- b. onderwijs kan uitvoeren en het leren kan organiseren, wat betekent dat hij:
- 1°. een adequaat klassenmanagement kan realiseren;
- 2°. aan leerlingen de verwachtingen en leerdoelen duidelijk kan maken en leerlingen kan motiveren om deze te halen;
- 3°. de leerstof aan zijn leerlingen begrijpelijk en aansprekend kan uitleggen, voordoen hoe ermee gewerkt moet worden en daarbij inspelen op de taalbeheersing en taalontwikkeling van zijn leerlingen;
- 4°. doelmatig gebruik kan maken van beschikbare digitale leermaterialen en leermiddelen;
- 5°. de leerlingen met gerichte activiteiten de leerstof kan laten verwerken, daarbij variatie aanbrengen en bij instructie en verwerking differentiëren naar niveau en kenmerken van zijn leerlingen;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.