Besluit van 26 februari 2011 tot vaststelling van het besluit voorkoming dubbele belasting tussen de belastingstelsels van het in Europa gelegen deel van het land Nederland en het in het Caribische gebied gelegen deel van het land Nederland (Belastingregeling voor het land Nederland)

Type AMvB
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Financiën van 17 november 2010, nr. AFP 2010/556;

Gelet op artikel 8.121 van de Belastingwet BES en artikel 37 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2010, nr. W06.10.0528/III);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Financiën van 10 februari 2011, nr. AFP 2010/679 U;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking om 00:00 uur in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 05:00 uur in het Europese deel van Nederland.

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit besluit, tenzij de context anders vereist:

Artikel 1.2. Toepassingsbereik

Dit besluit is van toepassing op personen die inwoner zijn van Nederland of van de BES eilanden.

Artikel 1.3. Belastingen waarop het besluit van toepassing is

Dit besluit is van toepassing op:

Artikel 1.4. Inwoner
1.

Voor de toepassing van dit besluit betekent de uitdrukking «inwoner van een heffingsgebied»:

2.

Inwoner van Nederland is iedere persoon die ingevolge:

3.

Inwoner van de BES eilanden is iedere persoon die ingevolge:

4.

Indien een natuurlijk persoon ingevolge het eerste tot en met het derde lid inwoner van beide heffingsgebieden is, wordt zijn woonplaats op de volgende wijze bepaald:

5.

Indien een lichaam ingevolge het eerste tot en met het derde lid inwoner is van beide heffingsgebieden, wordt hij geacht alleen inwoner te zijn van het heffingsgebied waar de plaats van zijn werkelijke leiding is gelegen.

6.

Niettegenstaande het tweede en het derde lid wordt een lichaam dat ingevolge het toepasselijke recht in een heffingsgebied inwoner is van dat heffingsgebied voor de uitvoering van dit besluit niet behandeld als inwoner van dat heffingsgebied indien het ingevolge een wederkerige regeling ter voorkoming van dubbele belasting inzake belastingen naar het inkomen tussen dat heffingsgebied en een derde land wordt behandeld als inwoner van dat derde land.

7.

Niettegenstaande het tweede, derde en vijfde lid, wordt een lichaam als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, alleen voor de toepassing van de opbrengstbelasting als bedoeld in hoofdstuk V van de Belastingwet BES, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 geacht inwoner van Nederland te zijn. Voor de toepassing van de overige in artikel 1.3 genoemde belastingen is dit lichaam inwoner van de BES eilanden.

Artikel 1.5. Vaste inrichting
1.

Voor de toepassing van dit besluit betekent de uitdrukking vaste inrichting een vaste bedrijfsinrichting met behulp waarvan de werkzaamheden van een onderneming geheel of gedeeltelijk worden uitgeoefend.

2.

De uitdrukking vaste inrichting omvat in het bijzonder:

3.

De plaats van uitvoering van een bouwwerk of van constructie- of installatiewerkzaamheden is slechts dan een vaste inrichting indien de duur ervan twaalf maanden overschrijdt.

4.

Niettegenstaande de voorgaande bepalingen van dit artikel wordt een onderneming van een van de heffingsgebieden die in het andere heffingsgebied gedurende een periode van ten minste 30 dagen in enig tijdvak van twaalf maanden werkzaamheden verricht in verband met de exploratie of exploitatie van de in dat heffingsgebied gelegen zeebodem of enig gebied boven of onder die zeebodem en hun natuurlijke rijkdommen geacht ter zake van de desbetreffende werkzaamheden in dat heffingsgebied een bedrijf uit te oefenen met behulp van een aldaar gevestigde vaste inrichting. De eerste volzin vindt evenwel geen toepassing op:

5.

Voor de toepassing van het vierde lid wordt:

6.

Niettegenstaande de voorgaande leden wordt de uitdrukking vaste inrichting geacht niet te omvatten:

7.

Indien een persoon – niet zijnde een onafhankelijke vertegenwoordiger op wie het achtste lid van toepassing is – voor een onderneming werkzaam is en in een van de heffingsgebieden een machtiging bezit om namens de onderneming overeenkomsten af te sluiten en dit recht aldaar gewoonlijk uitoefent, wordt die onderneming, niettegenstaande de bepalingen van het eerste en het tweede lid, geacht een vaste inrichting in dat heffingsgebied te hebben voor alle werkzaamheden welke deze persoon voor de onderneming verricht, tenzij de werkzaamheden van die persoon beperkt blijven tot de in het zesde lid vermelde werkzaamheden die, indien zij met behulp van een vaste bedrijfsinrichting zouden worden verricht, die vaste bedrijfsinrichting niet tot een vaste inrichting zouden bestempelen ingevolge de bepalingen van dat lid.

8.

Een onderneming wordt niet geacht een vaste inrichting in een van de heffingsgebieden te bezitten op grond van de enkele omstandigheid dat zij aldaar zaken doet door middel van een makelaar, een commissionair of enige andere onafhankelijke vertegenwoordiger, op voorwaarde dat deze personen in de normale uitoefening van hun bedrijf handelen.

9.

De enkele omstandigheid dat een lichaam dat inwoner is van een van de heffingsgebieden een lichaam beheerst of door een lichaam wordt beheerst dat inwoner is van het andere heffingsgebied of dat in het andere heffingsgebied zaken doet, hetzij met behulp van een vaste inrichting, hetzij op andere wijze, bestempelt één van beide lichamen niet tot een vaste inrichting van het andere lichaam.

Hoofdstuk II. Belastingheffing naar het inkomen

Artikel 2.1. Inkomsten uit onroerende zaken
1.

Inkomsten uit onroerende zaken, daaronder begrepen inkomsten uit landbouw- of bosbedrijven, mogen worden belast volgens de in het heffingsgebied waar deze zaken zijn gelegen toepasselijke belastingwetgeving. Niettegenstaande de vorige volzin zijn inkomsten uit onroerende zaken van een lichaam dat ingevolge artikel 5.2 van de Belastingwet BES voor de toepassing van de opbrengstbelasting als bedoeld in hoofdstuk V van de Belastingwet BES, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965 wordt geacht in Nederland te zijn gevestigd, slechts belastbaar volgens de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Wet op de dividendbelasting 1965.

2.

De uitdrukking onroerende zaken heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door het recht van het heffingsgebied waar de desbetreffende zaken zijn gelegen. De uitdrukking omvat in ieder geval de goederen die bij de onroerende zaken behoren, levende en dode have van landbouw- en bosbedrijven, rechten waarop de bepalingen van het privaatrecht betreffende de grondeigendom van toepassing zijn, vruchtgebruik van onroerende zaken en rechten op veranderlijke of vaste vergoedingen ter zake van de exploitatie, of het recht tot exploitatie, van minerale aardlagen, bronnen en andere natuurlijke rijkdommen. Schepen en luchtvaartuigen worden niet als onroerende zaken beschouwd.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.