Regeling van de Staatssecretaris van infrastructuur en milieu houdende technische voorschriften voor lieren, sleepauto’s en sleepkabels (Regeling technische voorschriften lieren, sleepauto’s en sleepkabels)

Type Ministeriële regeling
Publication 2011-03-08
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 21 van het Besluit luchtvaartuigen 2008;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Lieren

Artikel 2. Algemeen
1.

Een lier omvat in ieder geval:

2.

De constructie van de lier en de daarop aangebrachte installaties bezit voldoende sterkte en stijfheid om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming te kunnen opnemen.

3.

Bij gebruik van de lier mogen geen schokken of trillingen optreden die de werking van de lier of enig onderdeel daarvan zouden kunnen benadelen, dan wel schade aan de sleepkabel zouden kunnen veroorzaken.

4.

De lierman stelt zich zodanig op of nabij de lier op, dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft en dat hij het zweefvliegtuig tijdens het lieren gemakkelijk kan waarnemen.

Artikel 3. Liermechanisme
1.

Het remvermogen van de krachtbron bedraagt voor het lieren van een zweefvliegtuig met één zitplaats ten minste 44 kW en van een zweefvliegtuig met twee zitplaatsen ten minste 66 kW.

2.

Bij een windsnelheid van 0 m/s kan met elk type zweefvliegtuig waarvoor de lier bestemd is, een kabelsnelheid bereikt worden van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het zweefvliegtuig.

3.

De kabeltrommel moet door middel van een rem snel tot stilstand gebracht kunnen worden.

4.

Tussen krachtbron en kabeltrommel is een zodanige koppeling aangebracht, dat de kabeltrommel onafhankelijk van de krachtbron kan draaien zonder daarbij op enige wijze door de krachtbron te worden beïnvloed.

5.

De kabeltrommel heeft een diameter van ten minste 600 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.

6.

De kabeltrommel is aan beide zijden van randen voorzien, die tijdens het bedrijf van de lier steeds ten minste 5 cm uitsteken boven de op de trommel gewikkelde kabel, bedoeld in artikel 18, tweede lid, onder a. De vorm van deze randen is zodanig dat tijdens het bedrijf de kabel niet beschadigd kan worden.

7.

De krachtbron en de daarbij behorende installaties en onderdelen zijn zodanig opgesteld en verkeren in zodanige staat, dat zij onder alle te verwachten bedrijfsomstandigheden zonder storing en regelmatig werken.

Artikel 4. Kapinrichting
1.

De kapinrichting is zodanig uitgevoerd dat in ieder geval:

2.

De lierman moet vanaf zijn standplaats onmiddellijk en duidelijk kunnen waarnemen of de kapinrichting al dan niet geblokkeerd is.

3.

De in rust zijnde, gespannen kabel bevindt zich altijd op een afstand van ten minste 5 mm ten opzichte van enig deel van de kapinrichting.

4.

De lierman kan de kapinrichting vanaf zijn standplaats gemakkelijk en snel in werking stellen door middel van een daartoe op de bedieningshefboom uit te oefenen kracht van maximaal 150 N.

5.

De slag van de bedieningshefboom bedraagt ten hoogste 30 cm.

6.

De veiligheidsfactor tegen blijvende vervorming, die bij de sterkteberekening van de bedieningsinrichting verplicht gebruikt is, bedraagt 6.

Artikel 5. Snijproeven
1.

De geschiktheid van de kapinrichting voor de te gebruiken sleepkabel wordt aangetoond door middel van vijf achtereenvolgende snijproeven.

2.

Bij elke snijproef wordt een proefstuk geheel doorsneden.

3.

Het proefstuk bestaat uit drie tegen elkaar liggende kabels, elk met een diameter gelijk aan:

4.

Het materiaal van het proefstuk is gelijk of gelijkwaardig aan het materiaal waaruit de kabel is vervaardigd.

5.

De kapinrichting is geschikt indien er na afloop van de proeven geen blijvende vervorming te zien is van enig onderdeel en de snijdende delen geen noemenswaardige slijtage vertonen.

6.

Indien de stand van de kapinrichting tijdens het bedrijf van de lier kan veranderen, wordt de goede werking van de kapinrichting en de bedieningsinrichting in alle te verwachten standen aangetoond.

Artikel 6. Kabelgeleiding
1.

De kabelgeleiding is zodanig geconstrueerd dat:

2.

De draaiende delen van de kabelgeleiding draaien onder alle omstandigheden gemakkelijk en zonder slingering.

3.

De geleiderollen of -schijven die de kabel in het verticale vlak geleiden, worden gedurende het wikkelen van de kabel op de kabeltrommel door de kabel aangedreven.

4.

Indien tijdens de opstijging de kabel de geleiderollen of -schijven over een boog van ten minste 60 graden raakt, bedraagt de diameter van deze rollen of schijven ten minste 300 maal de diameter van de afzonderlijke draden van de kabel.

5.

De geleiderollen of -schijven hebben een middellijn van ten minste 8 cm, die bij geleideschijven in de groef gemeten wordt.

6.

Indien bij geleiderollen de kabel tijdens de opstijging loodrecht op de draairichting van de rol langs de rol kan verschuiven, mogen in de oppervlakte van de rol geen groeven voorkomen die een diepte hebben van meer dan ¼ van de diameter van de kabel.

7.

Het regelmatig verdelen van de kabel op de kabeltrommel tijdens het lieren geschiedt op zodanige wijze dat de lierman hiermee geen bemoeienis heeft.

Artikel 7. Instrumenten
1.

De schalen van de instrumenten zijn overzichtelijk ingedeeld en gemakkelijk af te lezen door de lierman vanaf zijn standplaats.

2.

Op de schalen zijn de met betrekking tot de lier en de sleepkabel maximaal toelaatbare en andere belangrijke waarden of gebieden duidelijk gemarkeerd.

Artikel 8. Bedieningsorganen
1.

Bedieningsorganen zijn alle organen die voor de lierman noodzakelijk zijn voor de bediening van de lier en de daarop aangebrachte installaties.

2.

De uitslagen van de bedieningsorganen bij de lierman zijn begrensd door aanslagen die de belastingen kunnen opnemen waarvoor het bedieningsorgaan is ontworpen.

3.

De bedieningsorganen zijn zodanig ontworpen, uitgevoerd en opgesteld dat zij geen aanleiding tot verwisseling geven en dat in de war raken van kabels, schuren en slingeren van kabels, kettingen of stootstangen tegen enig deel van de lier, alsmede beïnvloeding door bedieningspersoneel of losse voorwerpen, niet mogelijk is.

4.

De bedieningsorganen zijn zodanig opgesteld ten opzichte van de standplaats van de lierman, dat de volle uitslag van elk van die organen gemakkelijk kan worden bereikt, ongehinderd door constructiedelen of de kleding van de lierman.

5.

Kabels en kettingen zijn tegen aflopen of afvallen geborgd.

6.

De bedieningsorganen veranderen niet van stand door trillen, schudden of schokken van de lier.

7.

Kenmerkende standen van de bedieningsorganen worden van een opschrift voorzien indien dit noodzakelijk is om vergissingen te voorkomen.

8.

Bedieningsorganen die uitsluitend in noodgevallen worden gebruikt, zijn duidelijk gekenmerkt en rood gekleurd. Andere bedieningsorganen zijn niet rood gekleurd.

9.

De bewegingsrichting van de betreffende bedieningsorganen wordt beschouwd ten opzichte van de lierman en is in overeenstemming met het volgende:

Artikel 9. Veiligheidsmaatregelen
1.

De standplaats van de lierman is afgescheiden van de gevaarlijke delen van het liermechanisme, de kabelgeleiding en de kapinrichting en is beschermd tegen een over de lier vallende sleepkabel.

2.

Alle draaiende delen van de lier alsmede de messen van de kapinrichting zijn afgeschermd tegen aanraking door het bedieningspersoneel.

Artikel 10. Ondersteuning van de lier

De lier wordt op zodanige wijze ondersteund dat deze niet ten gevolge van de tijdens het bedrijf erop werkende krachten zodanig van stand kan veranderen dat de goede werking ervan of de veiligheid van het bedieningspersoneel in gevaar wordt gebracht.

Artikel 11. Zwaailicht
1.

Lieren zijn uitgerust met een geel zwaailicht, dat in werking is wanneer een kabeltrommel is ingeschakeld.

2.

Het licht is op een afstand van ten minste 1500 meter zichtbaar.

Artikel 12. Meervoudige lieren

Ten aanzien van lieren die zijn uitgerust met meer dan één kabeltrommel, gelden in ieder geval de volgende eisen:

Hoofdstuk 3. Sleepauto’s

Artikel 13. Algemeen
1.

Een sleepauto omvat in ieder geval de volgende onderdelen:

2.

Het voortbewegingsmechanisme, de besturingsorganen, de vering en de reminrichting zijn in goede staat en het verhogen van de rijsnelheid vanaf stilstand geschiedt zonder hinderlijke schokken.

3.

De sleepauto bereikt bij een windsnelheid van 0 m/s tijdens het slepen een rijsnelheid van ten minste 1,2 maal de minimale vliegsnelheid van het snelste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.

4.

Het gewicht van de sleepauto, zonder brandstof en inzittenden, bedraagt ten minste 1,5 maal het maximaal toegelaten gewicht van het zwaarste type zweefvliegtuig waarvoor de sleepauto is bestemd.

5.

De constructie van de sleepauto en de daarop aangebrachte installaties bezit voldoende sterkte en stijfheid om de daarop uitgeoefende krachten zonder ontoelaatbare vervorming op te kunnen nemen.

6.

De plaats van de bestuurder van de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft.

7.

De plaats van de startman op de sleepauto is zodanig dat hij een voldoende, voor zover mogelijk onbeperkt, uitzicht naar alle zijden heeft, zodat hij het zweefvliegtuig tijdens het slepen gemakkelijk kan waarnemen.

8.

De plaatsen van de bestuurder en de startman zijn zodanig dat tijdens het slepen een geregeld, rechtstreeks en uitstekend contact tussen hen mogelijk is.

Artikel 14. Ontkoppelbare haak
1.

De haak kan door de startman vanaf zijn standplaats gemakkelijk en snel ontkoppeld worden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.