← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 20 april 2011, nr. BJZ2011043268, houdende nadere regels betreffende de kwaliteit en het zwavelgehalte van brandstoffen (Regeling brandstoffen luchtverontreiniging)

Geldende tekst a fecha 2013-06-05

Gelet op de artikelen 2.2, derde lid, 2.3, tweede lid, 2.4, tweede lid, 2.5, tweede lid, 2.6, derde lid, 2.9, vijfde lid, 4.2, tweede lid, en 5.1, vierde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De testmethode, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, van het besluit is de methode prEN 16135 of de methode prEN 16136.

2.

De testmethode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van het besluit is de methode EN 228:2008.

3.

De testmethode, bedoeld in de artikelen 2.5, tweede lid, en 2.6, derde lid, van het besluit is de methode EN 590:2009.

Artikel 3

Het tijdstip, bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van het besluit is, voor tankstations die in de maand april van een jaar per benzinekwaliteit minder dan driemaal zijn bevoorraad, de datum waarop het tankstation na 15 april van dat jaar voor de tweede maal met zomerbenzine is bevoorraad, indien die datum is gelegen na 1 mei van dat jaar.

Artikel 4
1.

Voor het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van het besluit, tellen biotickets als bedoeld in artikel 1 van het Besluit hernieuwbare energie vervoer van andere rapportageplichtigen en van leveranciers van elektriciteit of biogas als bedoeld in artikel 6 van dat besluit mee.

2.

Biobrandstoffen die met toepassing van artikel 3, zesde lid, onderdeel b, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer, in enig jaar meetellen voor het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dat besluit, tellen in dat jaar tevens mee voor het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van het besluit. Artikel 18 van de Regeling hernieuwbare energie vervoer is van overeenkomstige toepassing.

3.

Voor zover een hoeveelheid elektriciteit is geleverd ten behoeve van wegvoertuigen wordt die hoeveelheid geleverde elektriciteit voor het nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, van het besluit, vermenigvuldigd met tweeënhalf.

4.

De rapportage, bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het besluit, wordt ingediend door middel van een door de Minister van Infrastructuur en Milieu vastgesteld en door het bestuur van de emissieautoriteit op elektronische wijze ter beschikking gesteld model.

Artikel 5

De testmethode, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, van het besluit is:

Artikel 6

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 7

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling brandstoffen luchtverontreiniging.

Bijlage. bij artikel 4, vierde lid, van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging

Vereisten rapportage als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

In de kop van de rapportage worden aangegeven:

In de kop van de rapportage worden aangegeven:

De rapportage gebeurt met behulp van de volgende tabellen, waarbij ladingen met dezelfde eigenschappen kunnen worden samengenomen:

1 Zie de toelichting bij deze bijlage voor de soorten brandstoffen en standaardwaarden voor de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie die in afwachting van de vaststelling van de berekeningsmethode moeten worden ingevuld.

2 CNG wordt uitgedrukt in MJ/Nm3.

3 CNG wordt uitgedrukt in Nm3

4 Dit betreft biobrandstoffen die meetellen voor de jaarverplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

5 Dit betreft biotickets die zijn ingezet om te voldoen aan de jaarverplichting, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van het Besluit hernieuwbare energie vervoer.

1 Standaardreferentiewaarde EU voor 2010.

Richtlijn nr. 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG 1998, L 350) (hierna: richtlijn 98/70/EG) schrijft voor dat brandstofleveranciers met ingang van 1 januari 2011 jaarlijks verslag doen aan de door de lidstaat aangewezen autoriteit over de broeikasgasintensiteit van in die lidstaat geleverde brandstof en energie, door minimaal de volgende informatie te verstrekken:

Richtlijn nr. 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad (PbEG 1998, L 350) (hierna: richtlijn 98/70/EG) schrijft voor dat brandstofleveranciers met ingang van 1 januari 2011 jaarlijks verslag doen aan de door de lidstaat aangewezen autoriteit over de broeikasgasintensiteit van in die lidstaat geleverde brandstof en energie, door minimaal de volgende informatie te verstrekken:

Aan deze bepaling wordt uitvoering gegeven met de tabellen 1 en 2 van de jaarlijkse rapportage. Door middel van deze tabellen worden onder meer hoeveelheid energie en emissie per energie-eenheid van broeikasgassen gedurende de levenscyclus gerapporteerd. Wat betreft biobrandstoffen komt deze rapportage grotendeels overeen met de op grond van het Besluit hernieuwbare energie vervoer verplichte jaarlijkse duurzaamheidsrapportage in het kader van richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140) (hierna: richtlijn 2009/28/EG). In de rapportage voor richtlijn 98/70/EG moeten echter ook de fossiele brandstoffen worden meegenomen.

Informatie over plaats van aankoop en herkomst wordt niet van de rapportageplichtige gevraagd, maar wordt op nationaal niveau samengesteld uit gegevens die beschikbaar zijn over de herkomst van de (grondstoffen voor) motorbrandstoffen die Nederland binnenkomen. De Europese Commissie heeft aangegeven dat deze aanpak, die de administratieve lasten verbonden aan deze rapportage sterk vermindert, in overeenstemming is met haar voorstellen.

In richtlijn 98/70/EG is verder bepaald dat de lidstaten van de leveranciers verlangen dat zij voor 31 december 2020 zo geleidelijk mogelijk de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof of energie met 6% verminderen ten opzichte van de uitgangswaarde van 2010 voor brandstoffen.

In afwachting van definitieve uitvoeringsmaatregelen van de Europese Commissie wordt aan die bepaling van richtlijn 98/70/EG uitvoering gegeven door de biotickets als bedoeld in het Besluit hernieuwbare energie vervoer ook mee te tellen voor de reductiedoelstelling voor de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus. Hiermee wordt bereikt dat beide verplichtingen zo goed als mogelijk op elkaar aansluiten.

De inzet van biobrandstoffen op basis van richtlijn 2009/28/EG leidt tot reductie van de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie. Met de oplopende jaarverplichting voor biobrandstoffen wordt voldaan aan de eis in artikel 7 bis, tweede lid, van richtlijn 98/70/EG dat zo geleidelijk mogelijk wordt toegewerkt naar het doel voor 2020.

In tabel 1 van de rapportage wordt de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus vermeld. Voor de in deze tabel op te nemen broeikasgasemissie per energie-eenheid van fossiele brandstoffen dienen rapportageplichtigen voor de rapportage over de jaren 2011 en 2012 gebruik te maken van onderstaande tabel. Voor de rapportage over de jaren 2013 en verder, zal de Nederlandse Emissieautoriteit voorafgaand aan het betreffende jaar de waarden bekendmaken.

In tabel 1 van de rapportage wordt de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus vermeld. Voor de in deze tabel op te nemen broeikasgasemissie per energie-eenheid van fossiele brandstoffen dienen rapportageplichtigen voor de rapportage over de jaren 2011 en 2012 gebruik te maken van onderstaande tabel. Voor de rapportage over de jaren 2013 en verder, zal de Nederlandse Emissieautoriteit voorafgaand aan het betreffende jaar de waarden bekendmaken.

Voor de in tabel 1 te vermelden energie-inhoud per volume van fossiele brandstoffen kunnen rapportageplichtigen gebruik maken van onderstaande tabel. Voor benzine en diesel zijn onderstaande waarden overgenomen uit Bijlage III bij richtlijn 2009/28/EG.

Tabel 2 vermeldt de gemiddelde broeikasgasemissie (BKG-emissie) gedurende de levenscyclus per eenheid energie van door de rapportageplichtige geleverde brandstof en energie met inbegrip van gekochte en verkochte biotickets.

Tabel 2 vermeldt de gemiddelde broeikasgasemissie (BKG-emissie) gedurende de levenscyclus per eenheid energie van door de rapportageplichtige geleverde brandstof en energie met inbegrip van gekochte en verkochte biotickets.

Toelichting

Voor elke soort fossiele brandstof of biobrandstof worden de totale broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus (totale rbroeikasgasemissie x) en de totale hoeveelheid geleverde energie (totale hoeveelheid energie x) als volgt bepaald:

Totale broeikasgasemissie x = hoeveelheid x energie-inhoud per volume x broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie

Totale hoeveelheid energie x = hoeveelheid x energie-inhoud per volume

Uitgaande van de in punt 19 van deel C van bijlage IV bij richtlijn 98/70/EG genoemde gemiddelde waarde van 83,8 gCO2eq/MJ voor de totale broeikasgasemissie per energie-eenheid van benzine en diesel wordt voor biobrandstoffen de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie als volgt gevonden:

Broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie =

Tabel 1 Fossiele brandstoffen

Voor elektriciteit worden de totale broeikasgasemissie (totale broeikasgasemissie x) en de totale hoeveelheid geleverde energie (totale hoeveelheid energie x) als volgt bepaald:

Totale broeikasgasemissie x = hoeveelheid elektriciteit x broeikasgasemissies per energie-eenheid

Totale hoeveelheid energie x = 2,5 × 3,6 × hoeveelheid elektriciteit

Tabel 2 Biobrandstoffen

De gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie van de geleverde brandstof en energie kan worden beschouwd als het naar energie-inhoud gewogen gemiddelde van de totale broeikasgasemissie per eenheid energie van de verschillende soorten brandstoffen en energie, die door de registratieplichtige op de markt worden gebracht.

Tot slot wordt in de rapportage de reductie van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brandstof en energie vermeld. Deze waarde wordt als volgt berekend:

Reductie van de broeikasgasemissies = ([uitgangsnorm 2010] – gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie) / [uitgangsnorm 2010] × 100%

De gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brandstof en energie wordt in deze formule uitgedrukt in g CO2eq/MJ. De reductie van de broeikasgasemissies wordt berekend ten opzichte van de op grond van richtlijn 98/70/EG bepaalde uitgangsnorm voor brandstof op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010, deze wordt naar verwachting door de Europese Commissie vastgesteld op: 88,3 g CO2eq.

‘Tussenproducten’ moeten wel worden genoemd als het om reststromen of afval gaat, zoals glycerine of used cooking oil. In dat geval maakt het niet meer uit of dit uit koolzaad, soja, palm of zonnebloem (of een combinatie) afkomstig is, die informatie is waarschijnlijk in veel gevallen ook niet meer te achterhalen.

Op bovenstaande wordt een uitzondering in het geval van de toepassing van ‘palm oil vruchten’ (‘fresh fruit bunches’). Hiervoor is geen code beschikbaar omdat het niet in Europa wordt geproduceerd noch in Europa wordt geïmporteerd. Daarom moet de code voor het tussenproduct palmolie worden vermeld.

Bij graan moet worden opgegeven of het om tarwe, maïs, gerst, rogge etc. gaat. Bovenstaand lijstje is niet compleet. Markpartijen moeten zelf GN-codes achterhalen indien deze niet in bovenstaande lijst staan vermeld.

Overeenkomstig artikel 7 quinquies, eerste lid, van richtlijn 98/70/EG worden voor biobrandstoffen de broeikasgasemissies per energie-eenheid als volgt berekend:

De standaardwaarden, bedoeld onder a, zijn:

Voor toekomstige biobrandstoffen die in januari 2008 niet of in verwaarloosbare hoeveelheden in de handel waren zijn de standaardwaarden, bedoeld onder a:

Voor de in tabel 2 te vermelden energie-inhoud per volume van biobrandstoffen moeten de rapportageplichtigen gebruik maken van onderstaande tabel.

De in deze tabel opgenomen waarden zijn afkomstig uit Bijlage III bij richtlijn 2009/28/EG.

1Deze onderste verbrandingswaarde geldt voor 100% biogas. Indien sprake is van groen gas, dat via het aardgasnet aan het verkeer wordt geleverd (administratief vergroend aardgas), moet met de specificaties van aardgas worden gerekend. Aardgas uit het Groningse Slochteren bestaat voor 81% uit methaan en voor de rest uit o.a. stikstof en kooldioxide. Gronings aardgas levert bij verbranding gemiddeld een energetische waarde van 31,65 MJ/Nm3 (onderwaarde) aan energie. Aardgas heeft een soortelijke massa van ongeveer 0,833 kg/m3. Dit komt dus overeen met 31,65 MJ/m3/ 0,833 kg/m3 = 38,0 MJ/kg.

Tabel 3 Elektriciteit uit hernieuwbare bronnen

In tabel 3 dienen ter uitvoering van artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus en de plaats van aankoop en herkomst van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen te worden vermeld.

Voor elektriciteit uit het Nederlandse elektriciteitsnet wordt met een broeikasgasemissie per energie-eenheid gedurende de levenscyclus van 570 g CO2eq/kWh gerekend. Van een andere soort elektriciteit dan elektriciteit uit het Nederlandse net is alleen sprake als elektriciteit afkomstig van specifieke bron, bijvoorbeeld windmolens, via een apart net aan laadpunten voor elektrisch vervoer wordt aangeleverd. Zoals bepaald in richtlijn 98/70/EG telt elektriciteit alleen mee voor het behalen van de reductiedoelstelling indien het om elektriciteit voor wegvoertuigen gaat en de elektriciteitsleveranciers kunnen aantonen dat zij de voor de geleverde elektriciteit naar behoren kunnen meten en bewaken. In de praktijk zal dit veelal alleen het geval zijn als het op laadpalen voor wegvoertuigen gaat en niet om ‘thuisladen’.

Tabel 4 Gekochte biotickets

In tabel 4 dienen ter uitvoering van artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging de energiehoeveelheid en de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus van de gekochte biotickets te worden vermeld. Deze informatie moet worden overgenomen van de biotickets.

De volgende, op biotickets vermelde gegevens kunnen worden gebruikt voor het invullen van de tabel:

Tabel 5 Verkochte biotickets

In tabel 5 dienen ter uitvoering van artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging de energiehoeveelheid en de broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus van de verkochte biotickets te worden vermeld.

Tabel 6 Administratieve beginvoorraad

In tabel 6 dienen ter uitvoering van artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging de energiehoeveelheid en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de administratieve beginvoorraad te worden vermeld. De administratieve beginvoorraad is gelijk aan de administratieve eindvoorraad van het voorgaande jaar. Voor de rapportage over 2011 gaat het hierbij dus over de administratieve eindvoorraad van 2010. De beperkingen ten aanzien van het meetellen van in een voorgaand jaar op de markt gebrachte biobrandstoffen en biotickets uit het voorgaande jaar gelden ook voor de reductieverplichting voor de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus.

Tabel 7 Administratieve eindvoorraad

In tabel 7 dienen ter uitvoering van artikel 2.9, eerste lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging de energiehoeveelheid en de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van de administratieve eindvoorraad te worden vermeld. Voor de rapportage over 2011 gaat het hierbij over de administratieve eindvoorraad van 2011.

Tabel 8 Berekende broeikasgasemissiereductie van geleverde brandstof en energie

Tabel 8 bevat de gegevens van de rapportageplichtige en de gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie van door de rapportageplichtige geleverde brandstof en energie met inbegrip van gekochte en verkochte biotickets en administratieve begin- en eindvoorraad.

De te rapporteren gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie wordt berekend als de som van de totale broeikasgasemissie gedeeld door de som van de totale hoeveelheid op de markt gebrachte energie.

Voor elke soort fossiele brandstof of biobrandstof worden de totale broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus (Totale BKG-emissie x) en de totale hoeveelheid op de markt gebrachte energie (Totale hoeveelheid energie x) als volgt gevonden:

Totale BKG-emissie x = Hoeveelheid x Energie-inhoud per volume x BKG-emissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie

Totale hoeveelheid energie x = Hoeveelheid x Energie-inhoud per volume

Uitgaande van de in punt 19 van deel C van bijlage IV de richtlijn genoemde gemiddelde waarde van 83,8 gCO2eq/MJ voor de totale broeikasgasemissie per energie-eenheid van benzine en diesel wordt voor biobrandstoffen de BKG-emissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie als volgt gevonden:

BKG-emissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie =

(100% - Standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie) x 83,8

Voor elektriciteit worden de totale broeikasgasemissie (Totale BKG-emissie x) en de totale hoeveelheid op de markt gebrachte energie (Totale hoeveelheid energie x) als volgt gevonden:

Totale BKG-emissie x = Hoeveelheid elektriciteit x BKG-emissies per energie-eenheid

Totale hoeveelheid energie x = 2,5 x 3,6 x Hoeveelheid elektriciteit

De hoeveelheid elektriciteit wordt hierbij uitgedrukt in [kWh] en de BKG-emissies per energie-eenheid in [g CO2eq/kWh]. De factor 2,5 dient ter verrekening van de bijdrage van elektriciteit in de energievoorziening van het verkeer. De factor 3,6 dient voor de omrekening van de hoeveelheid elektriciteit uitgedrukt in [kWh] naar de hoeveelheid elektriciteit uitgedrukt in [MJ]. In de hiervoor genoemde consultatie van de Europese Commissie wordt voorgesteld om voor de broeikasgasemissie per energie-eenheid van elektriciteit uit te gaan van de gemiddelde waarde van een lidstaat. Volgens het ECN is de broeikasgasemissie van de huidige elektriciteitsproductie in Nederland: 570 g CO2eq/kWh.

De gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie van de geleverde brandstof en energie kan worden beschouwd als het naar energie-inhoud gewogen gemiddelde van de totale broeikasgasemissie per eenheid energie van de verschillende soorten brandstoffen en energie, die door de registratieplichtige op de markt worden gebracht.

Tot slot wordt in de rapportage de reductie van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van geleverde brandstof en energie vermeld. Deze waarde wordt als volgt berekend:

Reductie van de broeikasgasemissies = ([uitgangsnorm 2010] - gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie) / [uitgangsnorm 2010] x 100%

De gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie gedurende de levenscyclus van geleverde brandstof en energie wordt in deze formule uitgedrukt in [g CO2eq/MJ]. De reductie van de broeikasgasemissies wordt berekend ten opzichte van de uitgangsnorm voor brandstof op basis van de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie van fossiele brandstoffen in 2010. Deze waarde moet volgens de procedure zoals omschreven in artikel 7 bis, vijfde lid, van richtlijn 98/70/EG worden bepaald.

Voor deze uitgangsnorm moet worden uitgegaan van een waarde van 86,6 g CO2eq.

Vereisten rapportage als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

Toelichting

Tabel 1 Geleverde brandstoffen

Tabel 2 Berekende broeikasgasemissiereductie van geleverde brandstof en energie

De te rapporteren gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie wordt berekend als de som van de totale broeikasgasemissie gedeeld door de som van de totale hoeveelheid geleverde energie. De gemiddelde broeikasgasemissie gedurende de levenscyclus per eenheid energie =

(100% – Standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie) × 83,8

De hoeveelheid elektriciteit wordt hierbij uitgedrukt in kWh en de broeikasgasemissies per energie-eenheid in g CO2eq/kWh. De factor 2,5 dient ter verrekening van de bijdrage van elektriciteit in de energievoorziening van het verkeer. De factor 3,6 dient voor de omrekening van de hoeveelheid elektriciteit uitgedrukt in kWh naar de hoeveelheid elektriciteit uitgedrukt in MJ. Volgens de Europese Commissie moet voor de broeikasgasemissie per energie-eenheid voor elektriciteit uit worden gegaan van de gemiddelde waarde van een lidstaat: in Nederland: 716 g CO2eq/kWh.

Artikel 4a

De hoeveelheid, bedoeld in artikel 2.9a, van het besluit, is voor:

Bijlage. bij artikel 4, vierde lid, van de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging

Vervallen

Vereisten rapportage als bedoeld in artikel 2.9, derde lid, van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging

Toelichting

Tabel 1 Geleverde brandstoffen

Tabel 2 Berekende broeikasgasemissiereductie van geleverde brandstof en energie