← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 21 april 2011, nr. DGV/DPV/P&M 2011-2000113644, houdende de vaststelling van een landelijk sociaal statuut politie (Regeling landelijk sociaal statuut)

Geldende tekst a fecha 2019-01-01

Gelet op de artikelen 39, tweede lid, 55i, vijfde lid, en 55u van het Besluit algemene rechtspositie politie en artikel 6, zesde lid Besluit reis-, verblijf- en verhuiskosten politie;

Besluit:

Artikel 1. Definities

In de regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2. Informatie

Het bevoegd gezag is uit oogpunt van zorgvuldigheid en goed werkgeverschap gehouden de ambtenaar tijdig en voortdurend op de hoogte te houden van het reorganisatieproces en de daaraan verbonden personele en organisatorische gevolgen.

Artikel 3. Diversiteit

Bij de invulling van de sleutelfuncties wordt gestreefd naar invulling conform vastgestelde percentages streefcijfers. In een reorganisatieplan worden opgenomen

Artikel 4. Reorganisatieplan

Het bevoegd gezag stelt een reorganisatieplan op, waarin in ieder geval wordt ingegaan op:

Artikel 5. Pac
1.

Het bevoegd gezag stelt een pac in en voorziet de pac van ambtelijke ondersteuning.

2.

Het bevoegd gezag is niet verplicht tot het instellen van een pac indien de voorgenomen reorganisatie voor 20 of minder ambtenaren wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft. Voordat het bevoegd gezag beslist dat een pac achterwege kan blijven, wint hij advies in bij de reorganisatiecommissie, bedoeld in artikel 4a.

3.

Bij een voorgenomen reorganisatie die voor meer dan 20 ambtenaren wijziging van de rechtspositie tot gevolg heeft kan in bijzondere gevallen met instemming van de in artikel 2 van het Besluit overleg en medezeggenschap politie 1994 bedoelde Commissie voor georganiseerd overleg in politieambtenarenzaken, de minister besluiten dat het bevoegd gezag ontheven wordt van de verplichting tot het instellen van een pac.

4.

Bij ontheffing van de verplichting tot het instellen van een pac worden de taken van de pac, als bedoeld in artikel 7 van deze regeling,uitgevoerd door het bevoegd gezag.

Artikel 6. Leden pac
1.

De leden en de plaatsvervangende leden van de pac worden benoemd door het bevoegd gezag.

2.

De benoeming van de leden van de pac geschiedt per reorganisatie. Herbenoeming is mogelijk.

3.

De pac bestaat in ieder geval uit:

4.

Een lid verschoont zich indien zich omstandigheden voordoen die de onpartijdigheid van de pac in diskrediet kunnen brengen.

5.

Er is een model-reglement van orde voor de werkwijze van een pac. Een pac stelt een reglement van orde voor haar werkwijze vast dat niet in strijd is met het model-reglement.

Artikel 7. Taken pac
1.

De pac heeft de volgende taken:

2.

In het geval de ambtenaar geen functievolger is, of volgens zijn zienswijze ten onrechte als functievolger is aangemerkt, kan de pac beschikken over de voor de reorganisatie relevante gegevens uit het personeelsdossier.

3.

Het bevoegd gezag stelt de pac slechts die gegevens van de ambtenaar ter beschikking die van belang zijn voor een goede uitvoering van de taken van de pac en indien de betrokken ambtenaar daartoe het bevoegd gezag toestemming geeft.

4.

Indien een functievolger heeft aangegeven voorkeur te hebben voor een plaatsing op een andere plaats van tewerkstelling dan die waarop hij ingevolge artikel 55lb Barp zal worden geplaatst, adviseert de pac het bevoegd gezag over de mogelijkheden om aan deze wens tegemoet te komen. Aan deze wens kan slechts tegemoet worden gekomen indien een functievolger met de gewenste plaats van tewerkstelling eveneens de voorkeur heeft uitgesproken voor een andere plaats van tewerkstelling en twee of meerdere functievolgers kunnen worden uitgewisseld.

5.

De pac brengt binnen zeven weken, nadat de voorgenomen besluiten, zoals bedoeld in artikel 10 van deze regeling, zijn uitgereikt of verzonden, schriftelijk advies uit aan het bevoegd gezag over de zienswijzen.

Artikel 8. Concept-personeelsplaatsingsplan
1.

Bij het opstellen van het concept-personeelsplaatsingsplan geschiedt de volgorde van plaatsing in de nieuwe organisatie met inachtneming van de volgende procedure:

2.

Bij het opstellen van het concept-personeelsplaatsingsplan voor de reorganisatie Politiewet 2012 geschiedt de volgorde van plaatsing in de nieuwe organisatie, in afwijking van het eerste lid, met inachtneming van de volgende procedure:

3.

Indien uit het concept-personeelsplaatsingsplan blijkt dat er in de nieuwe organisatie onvervulde functies zijn, wordt vervolgens bezien of de herplaatsingskandidaten daarop kunnen worden geplaatst. De volgorde van plaatsing voor herplaatsingskandidaten geschiedt dan met inachtneming van het volgende:

4.

In afwijking van het tweede lid gaat bij een verticaal positieve plaatsing, waarvoor meerdere ambtenaren die een zelfde vergelijkbare of uitwisselbare functie uitoefenen passend zijn bevonden, de ambtenaar die geplaatst kan worden op die vergelijkbare of uitwisselbare functie voor de ambtenaar die, op grond van artikel 55l van het Barp, als herplaatsingskandidaat moet worden aangewezen.

Artikel 9. Vaststelling concept-personeelsplaatsingsplan
1.

Het bevoegd gezag stelt het concept-personeelsplaatsingsplan vast.

2.

Het vastgestelde concept-personeelsplaatsingsplan omvat in ieder geval:

Artikel 10. Voorgenomen besluit
1.

Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het op het vastgestelde concept-personeelsplaatsingsplan gebaseerde voorgenomen besluit dat hij wordt geplaatst of dat hij als herplaatsingskandidaat wordt aangewezen.

2.

Voor zover het bevoegd gezag afwijkt van het advies van de pac wordt in de motivering van dat voorgenomen besluit opgenomen in hoeverre en om welke redenen het bevoegd gezag afwijkt van het advies van de pac.

3.

Een ambtenaar kan zijn zienswijze tegen een voorgenomen besluit bij het bevoegd gezag kenbaar maken. De ambtenaar doet dit binnen drie weken na de datum van uitreiking of verzending van het voorgenomen besluit.

4.

De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord alvorens het bevoegd gezag een besluit tot plaatsing of tot aanwijzing als herplaatsingskandidaat neemt.

5.

Als het concept-personeelsplaatsingsplan is vastgesteld op advies van een pac wordt de ambtenaar gehoord door de pac.

6.

Het bevoegd gezag stelt de ambtenaar schriftelijk en gemotiveerd in kennis van de uitkomst van de heroverweging op basis van de ingebrachte zienswijze door middel van een vervangend voorgenomen besluit of door opname van de uitkomst in het besluit tot plaatsing of tot aanwijzing als herplaatsingskandidaat als bedoeld artikel 11, tweede lid, van deze regeling.

Artikel 11. Personeelsplaatsingsplan
1.

Het bevoegd gezag stelt het personeelsplaatsingsplan vast binnen vier weken, nadat de pac advies heeft uitgebracht over wijziging van het personeelsplaatsingsplan als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel e, van deze regeling. Voordat het personeelsplaatsingsplan definitief wordt vastgesteld heeft het bevoegd gezag alle kenbaar gemaakte zienswijzen beoordeeld.

2.

Na vaststelling van het personeelsplaatsingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt het bevoegd gezag de betrokken ambtenaren onverwijld in kennis van de daarop gebaseerde besluiten tot plaatsing dan wel tot aanwijzing als herplaatsingskandidaat.

Artikel 12. Bezwaarprocedure
1.

Over een bezwaar ingesteld tegen een jegens de ambtenaar genomen rechtspositioneel besluit dat is genomen in het kader van een reorganisatie, adviseert een commissie als bedoeld in artikel 7:13 Algemene wet bestuursrecht.

2.

De in het eerste lid bedoelde commissie bestaat uit:

3.

Voor ieder van de leden wordt tevens een plaatsvervanger benoemd.

4.

De leden van de commissie, alsmede hun plaatsvervangers, mogen geen deel uitmaken van het te reorganiseren onderdeel. Zij mogen geen persoonlijk belang hebben en niet bij de voorbereiding van het plaatsingsbesluit betrokken zijn geweest.

5.

Een secretaris en zo nodig een plaatsvervangend secretaris worden door het bevoegd gezag aan de bezwaaradviescommissie toegevoegd.

6.

Over de werkwijze van de bezwaaradviescommissie wordt door het bevoegd gezag in overeenstemming met de ondernemingsraad een reglement vastgesteld.

Artikel 13. Opschorting vacaturevervulling
1.

Indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen ten aanzien van een herplaatsingskandidaat, inhoudende een weigering tot herplaatsing op een passende functie, dan wordt de procedure tot vervulling van desbetreffende vacature in die functie opgeschort gedurende zes weken vanaf de datum van bekendmaking.

2.

In het geval er een bezwaarschrift is ingediend tegen een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt de termijn van zes weken verlengd tot dat er op het bezwaarschrift is beslist.

3.

In het geval na het besluit op het bezwaar beroep wordt ingesteld en aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoek is gedaan om een voorlopige voorziening te treffen, wordt de termijn verlengd totdat deze rechter over dit verzoek heeft beslist.

Artikel 14. Herplaatsingsinspanningen
1.

De ambtenaar die als herplaatsingskandidaat is aangewezen en niet binnen het reorganisatiegebied is herplaatst en diens direct leidinggevende maken afspraken over het te volgen herplaatsingstraject. De persoonlijke afspraken over het te volgen herplaatsingstraject worden opgenomen in het herplaatsingsplan en gaan in op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan artikel 55n van het Barp en omvatten in ieder geval:

2.

Het bevoegd gezag stelt op voorstel van de leidinggevende het herplaatsingsplan bij besluit vast. De ambtenaar krijgt de gelegenheid vooraf zijn zienswijze op het voorgenomen besluit te geven.

3.

Het herplaatsingsplan en de daarin opgenomen afspraken worden periodiek, minimaal eens per half jaar, geëvalueerd en zo nodig gewijzigd. Deze wijziging is een nieuw besluit. Van de evaluatie wordt een verslag gemaakt dat wordt opgenomen in het personeelsdossier.

Flankerende voorzieningen

Artikel 15. Outplacement

Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat die ten minste één jaar herplaatsingskandidaat is en die zich, met het oog op het verwerven van een functie buiten de politie, wil voorzien van een professioneel, extern outplacement-traject, wordt een maximaal te besteden budget toegekend voor de daaraan verbonden kosten. De kosten worden tot het afgesproken maximum op gespecificeerde nota rechtstreeks voldaan aan de dienstverlener die in het traject voorziet.

Artikel 16. Opleidingskosten

Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de pre-herplaatsingskandidaat die in verband met het aanvaarden van een functie buiten de politie een opleiding dient te volgen, wordt éénmalig een maximaal te besteden budget toegezegd voor de daaraan verbonden kosten. De kosten worden tot het afgesproken maximum op gespecificeerde nota rechtstreeks voldaan aan de organisatie die de opleiding verzorgt.

Artikel 17. Verhuiskosten en reiskosten woon-werkverkeer
1.

Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van de pre-herplaatsingskandidaat die een functie buiten de politie heeft aanvaard, en die in verband hiermee verhuist, wordt een verhuiskostenvergoeding toegekend op grond van het Brvvp.

2.

Op aanvraag van de herplaatsingskandidaat en van een pre-herplaatsingskandidaat die een functie buiten de politie heeft aanvaard wordt voor een periode van 12 maanden een tegemoetkoming voor woon-werkverkeer toegekend op grond van het Brvvp. Aanspraak bij de nieuwe werkgever op een vergoeding reiskosten woon-werkverkeer, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van het Brvvp, wordt hiermee verrekend.

Artikel 18. Reiskosten
1.

De ambtenaar die als gevolg van een reorganisatie een andere plaats van tewerkstelling krijgt aangewezen die op een grotere afstand van de woning is gelegen dan de plaats van tewerkstelling voor de reorganisatie, ontvangt vanaf het moment van wijziging een aanvulling op de tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer met eigen vervoer, al dan niet in combinatie met openbaar vervoer volgens het Brvvp.

2.

De aanvulling bedoeld in het eerste lid, wordt toegekend voor elke kilometer die de afstand van de woning naar de nieuwe plaats van tewerkstelling meer bedraagt dan de afstand van de woning naar de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling voor de reorganisatie.

3.

De tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer volgens het Brvvp en de aanvulling bedragen tezamen € 0,45 bruto.

4.

De aanvulling bedoeld in het eerste lid wordt in een vijftal jaren afgebouwd volgens de tabel:

eerste jaar 100% aanvulling
tweede jaar 80%
derde jaar 60%
vierde jaar 40%
vijfde jaar 20%
5.

In geval de reisafstand van de woning naar de plaats van de te werkstelling groter is dan de maximale afstand bepaald in het Brvvp, heeft de ambtenaar recht op de basisvergoeding en aanvulling voor de kilometers boven de genoemde maximale afstand.

6.

Bij een onvrijwillige verplaatsing tijdens de looptijd van een toekenning op grond van dit artikel wordt voor de resterende looptijd van die toekenning de oorspronkelijke plaats van tewerkstelling genomen als uitgangspunt voor de berekening van de aanvulling als bedoeld in dit artikel.

7.

Voor het overige geldt de systematiek conform het Brvvp.

8.

De pre-herplaatsingskandidaat heeft geen recht op toekenning van een aanvulling in de reiskosten.

Artikel 19. Behoud individuele rechten

De ambtenaar die is aangewezen onder de Regeling aanwijzing administratief-technische functies behoudt bij plaatsing of herplaatsing zijn aanwijzing.

Artikel 20. Sollicitatieverlof

Aan de herplaatsingskandidaat en aan de pre-herplaatsingskandidaat wordt op diens verzoek buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging toegekend in verband met een sollicitatie.

Artikel 21

Wijzigt de Regeling melding voorgenomen reorganisatie.

Artikel 22. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 2 maart 2010.

Artikel 23. Naam

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling landelijk sociaal statuut politie

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1a. Reorganisatie Politiewet 2012
1.

In afwijking van artikel 1, onderdeel j, wordt voor de reorganisatie Politiewet 2012 als oorspronkelijke functie aangemerkt de functie waarin de ambtenaar was aangesteld op 1 januari 2012 tenzij:

2.

Van de bewijslast in het eerste lid, onderdeel a, zijn uitgezonderd ambtenaren die na 1 januari 2012 formeel van functie zijn gewijzigd:

3.

In de gevallen als aangeduid in het eerste lid, onderdeel a, en het tweede lid geldt als oorspronkelijke functie, de functie die de ambtenaar bekleedde nadat deze formeel van functie is gewijzigd.

Artikel 4a. Reorganisatiecommissie
1.

De reorganisatiecommissie, bedoeld in artikel 55la, van het Barp, heeft in aanvulling op de in artikel 55l, vierde lid, van het Barp genoemde taak, de volgende taken:

2.

De voorzitter heeft geen stemrecht.

3.

Het bevoegd gezag legt de voorstellen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, gemotiveerd aan de reorganisatiecommissie voor. Indien het bevoegd gezag het advies van de reorganisatiecommissie niet overneemt of indien de stemmen in de reorganisatiecommissie staken, wordt het advies voorgelegd aan de CGOP.

Artikel 7a
1.

Een mogelijke herplaatsingskandidaat die belangstelling toont voor een verticaal positieve plaatsing, motiveert zijn belangstelling schriftelijk.

2.

De pac adviseert alleen over een verticaal positieve plaatsing wanneer de ambtenaar ervoor zorg draagt dat de pac over de relevante gegevens kan beschikken. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:

3.

Bij gebreke van benodigde gegevens uit het personeelsdossier nodigt de pac de betrokken ambtenaar en bevoegd gezag uit om gelijktijdig hun visie te geven op het functioneren van de ambtenaar. Is hun visie niet eensluidend dan kan de pac andere bronnen betrekken.

Artikel 8a
1.

Als politiedienstjaren als bedoeld in de artikelen 55l en 55lb Barp worden aangemerkt die jaren waarin een ambtenaar aantoonbaar:

2.

De ambtenaar zorgt dat de relevante documenten tijdig ter beoordeling aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

Artikel 14a
1.

De vervulling van iedere vacature geschiedt in de volgende volgorde van voorrang:

2.

De voorrangspositie van pre-herplaatsingskandidaten of herplaatsingskandidaten is niet van toepassing bij de invulling van sleutelfuncties.

Flankerende voorzieningen

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Voorzieningen voorfase reorganisatie Politiewet 2012

Artikel 20a
1.

De ambtenaar met een functie vallend onder het domein Leiding of Ondersteuning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en bijlage 1 bij de Regeling vaststelling LFNP, kan zo lang hij nog niet is geplaatst op een vergelijkbare of uitwisselbare functie of is aangewezen als herplaatsingskandidaat in het kader van de reorganisatie Politiewet 2012, het bevoegd gezag verzoeken hem met overeenkomstige toepassing van de desbetreffende artikelen een of meer van de volgende voorzieningen toe te kennen:

2.

De voorzieningen genoemd in het eerste lid, onder e, f en h kunnen, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, niet onderling gecombineerd worden toegekend.

Artikel 20b
1.

Het bevoegd gezag kan de voorzieningen als bedoeld in artikel 20a toekennen, indien naar diens oordeel is voldaan aan de volgende voorwaarden:

2.

Een voorziening als bedoeld in artikel 20a kan uitsluitend worden toegekend na indiening van een ontslagaanvraag door de aanvragende ambtenaar, in de zin van artikel 87 Barp, en onder voorbehoud dat die ontslagaanvraag ook wordt geëffectueerd.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1b. Reorganisatie Politieacademie

De artikelen 1a en 20a tot en met 20e zijn van overeenkomstige toepassing op de reorganisatie in verband met de inbedding van de Politieacademie in het nieuwe politiebestel.

Flankerende voorzieningen

Voorzieningen voorfase reorganisatie Politiewet 2012

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Voorzieningen fase 2 reorganisatie Politiewet 2012

Artikel 20c

De ambtenaar die is geplaatst in een functie in de nieuwe formatie en die, doordat hij vrijwillig van functie of plaats van tewerkstelling verandert of buiten de politie werkzaam gaat zijn, een bijdrage levert aan het terugdringen van onder- of overbezetting, kan het bevoegd gezag verzoeken hem met overeenkomstige toepassing van de desbetreffende artikelen een of meer van de volgende voorzieningen toe te kennen:

Artikel 20d
1.

De ambtenaar met een functie vallend onder het domein Ondersteuning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en bijlage 1 bij de Regeling vaststelling LFNP, kan indien hij een bijdrage levert aan het terugdringen van de overbezetting doordat hij buiten de politie werkzaam gaat zijn, het bevoegd gezag verzoeken hem met overeenkomstige toepassing van de desbetreffende artikelen een van de volgende voorzieningen toe te kennen:

2.

De ambtenaar met een functie vallend onder het domein Ondersteuning, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, en bijlage 1 bij de Regeling vaststelling LFNP, kan worden geplaatst op een vrijkomende formatieplaats als bedoeld in artikel 55aa Barp, indien met die plaatsing een bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van de overbezetting.

Artikel 20e

Het bevoegd gezag stelt nadere voorwaarden voor de toepassing van de artikelen 20c en 20d vast, waaronder in elk geval de voorwaarde dat een redelijke verhouding bestaat tussen de omvang van de voorziening in geld en arbeidstijd en het rendement van de investering voor ambtenaar en organisatie.

Artikel 20f

Dit hoofdstuk vervalt met ingang van 1 juli 2021.

Artikel 20g
1.

De duur van het buitengewoon verlof, bedoeld in artikel 55y, negende lid, Barp wordt bepaald door het bedrag van de vertrekstimuleringspremie waarop de herplaatsingskandidaat maximaal aanspraak zou hebben te verminderen met de percentuele waarde van de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 23, eerste lid, Bbp, en de eindejaarsuitkering, bedoeld in artikel 25b, eerste lid, Bbp, waarna vervolgens de uitkomst wordt gedeeld door de voor de ambtenaar geldende bezoldiging per uur, zijnde de bezoldiging die de ambtenaar gedurende zijn buitengewoon verlof daadwerkelijk zal genieten.

2.

Het bevoegd gezag houdt bij toekenning van een vertrekstimuleringsregeling dan wel buitengewoon verlof in plaats daarvan, op grond van artikel 55aa Barp, rekening met de leeftijdsopbouw in het personeelsbestand, met dien verstande dat voor iedere ambtenaar die gebruik maakt van deze voorziening en die tien of minder jaren van de voor hem op dat moment geldende AOW-gerechtigde leeftijd verwijderd is, ten minste vier ambtenaren op grond van hetzelfde artikel moeten zijn vertrokken die ten tijde van hun vertrek meer dan tien jaren verwijderd waren van de voor hen op dat moment geldende AOW-gerechtigde leeftijd of leeftijden.

3.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing bij de toekenning van een vertrekstimuleringsregeling dan wel buitengewoon verlof in plaats daarvan, op grond van artikel 55y Barp, indien betrokken ambtenaar op grond van artikel 55l, derde lid, Barp is aangewezen als herplaatsingskandidaat.

Deze regeling zal met toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.