← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 31 maart 2011, houdende regels betreffende de toegankelijkheid van het openbaar vervoer en de daartoe te verrichten aanpassingen (Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer)

Geldende tekst a fecha 2025-06-28

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 30 juni 2010, DWJZ-3009435, gedaan mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

Gelet op artikel 8, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte;

De Raad van State gehoord (advies van 8 oktober 2010, nummer W.13. 10. 0269/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 25 maart 2011, DWJZ-3050799, uitgebracht mede namens Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De aanpassingen, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de wet zijn gericht op het toegankelijk maken van de in artikel 7 van de wet genoemde voorzieningen van openbaar vervoer tot het niveau van onbelemmerd gebruik van openbaar vervoer dat minimaal nodig is voor personen met een functiebeperking die zich in de samenleving, al dan niet met een hulpmiddel of persoonlijke begeleiding, zelfstandig kunnen bewegen en kenbaar maken.

2.

Onder aanpassingen, bedoeld in het eerste lid, wordt verstaan het geheel van maatregelen of voorzieningen met betrekking tot het betreden, gebruiken of verlaten van het openbaar vervoer en daartoe behorende haltes en stations, alsmede het organiseren van het gebruik van dat vervoer, ten behoeve van personen met een functiebeperking.

Artikel 3

De bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 13, 16 en 17 voorgeschreven aanpassingen zijn de aanpassingen als bedoeld in de artikelen 2 en 8 van de wet.

Hoofdstuk 2. Voertuigen

Artikel 4
1.

Een toegankelijk voertuig beschikt ten minste over:

2.

Indien een trein beschikt over voorzieningen voor sanitair, is ten minste één voorziening toegerust op een praktisch en veilig gebruik door personen met een functiebeperking en traceerbaar door middel van grafische bewegwijzering en rolstoelpaden.

Hoofdstuk 3. Haltes en stations

Artikel 5
1.

Een halte of station voldoet aan de volgende eisen:

2.

De in- of uitgang en het perron van een halte of station en, indien aanwezig in een halte of station voor metro of trein, voorzieningen voor de verkoop en het geldig maken van vervoerbewijzen, reis- en stationsinformatie, serviceverlening, verblijf en sanitair, zijn in ieder geval onbelemmerd bereikbaar voor personen met een hulpmiddel en personen met een visuele beperking door aanwezigheid van tenminste een tactiele of andere richtinggevende routegeleiding.

3.

Haltes en stations zijn vanaf de openbare weg onbelemmerd bereikbaar voor personen met een hulpmiddel.

4.

Beheerders kunnen met betrekking tot haltes of stations voor bus en tram om redenen van ruimtelijke of bouwkundige belemmeringen afwijken van het eerste en tweede lid tot ten hoogste de door die belemmeringen bepaalde breedte of hoogte.

Artikel 6
1.

Indien een halte of station beschikt over voorzieningen voor de verkoop of het geldig maken van vervoerbewijzen, reisinformatie, halte- of stationsinformatie of serviceverlening zijn deze voorzieningen wat betreft opstelling, geluidsweergave, beeldweergave en bedieningsgemak in ieder geval bruikbaar voor personen met een hulpmiddel en personen met een visuele of auditieve beperking.

2.

Indien een halte of station beschikt over balies, deuren, zittingen, leuningen en handgrepen zijn deze toegerust op een comfortabel en veilig gebruik voor personen met een functiebeperking.

3.

Indien een halte of station beschikt over bewegwijzering naar de in artikel 5, tweede lid, bedoelde voorzieningen en het aansluitende openbaar vervoer en taxivervoer, is deze op grafische en tactiele wijze beschikbaar.

4.

Een halte of station voor trein beschikt over personele assistentieverlening voor personen met een motorische functiebeperking bij het in- en uitstappen in een voertuig, indien niet wordt voldaan aan artikel 5, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 7
1.

Een treinstation of een onderdeel daarvan voldoet aan artikelen 5, 6 en 9 van dit besluit door het voldoen aan de in de beschikking van Europese Commissie van 21 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit «personen met beperkte mobiliteit» voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEU L 64) daaromtrent verplicht gestelde specificaties.

2.

Een trein of een onderdeel daarvan voldoet aan artikelen 4 en 10 van dit besluit door het voldoen aan de in de beschikking van Europese Commissie van 21 december 2007 betreffende de technische specificatie inzake interoperabiliteit «personen met beperkte mobiliteit» voor het conventionele trans-Europese spoorwegsysteem en het trans-Europees hogesnelheidsspoorwegsysteem (PbEU L 64) daaromtrent verplicht gestelde specificaties.

Hoofdstuk 4. Reisinformatie

Artikel 8
1.

Reisinformatie als bedoeld in artikel 7, onderdeel b, van de wet is voorafgaand aan de reis ten minste via internet in beeld en geluid en desgevraagd op schrift en per telefoon beschikbaar en bruikbaar voor personen met een functiebeperking.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op informatie over de toegankelijkheid van openbaar vervoer voorzieningen als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 7, 9 en 10.

Artikel 9

Op haltes of stations voor metro of trein is reisinformatie over ten minste vertrektijd, opstaplocatie en eindbestemming, voor zover die afwijken van de geldende dienstregelingen voor trein, metro of tram, tijdig en in beeld en geluid beschikbaar voor personen met een functiebeperking.

Artikel 10

In voertuigen is reisinformatie over de aankomst bij tussengelegen haltes of stations van het voertuig tijdig en in beeld en geluid beschikbaar voor personen met een functiebeperking.

Hoofdstuk 4a. Toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten conform richtlijn 2019/882

Artikel 11

Van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 10 of 16 kan door vervoerders en beheerders tijdelijk worden afgeweken bij onvoorziene omstandigheden of omstandigheden waarin een ander maatschappelijk belang prevaleert ten opzichte van het belang van toegankelijk openbaar vervoer, en de beschikbare toegankelijkheid van dat vervoer als gevolg van die omstandigheden redelijkerwijs niet in stand kan blijven.

Artikel 12
1.

De vervoerder houdt in de wijze waarop hij openbaar vervoer aanbiedt en verricht rekening met het gebruik daarvan door personen met een functiebeperking.

2.

De vervoerder of beheerder verleent aan een persoon met een functiebeperking naar gelang de behoefte en voor zover de werkzaamheden het toelaten tijdelijke bijstand bij het gebruik van openbaar vervoer.

Hoofdstuk 6. De vervoervoorwaarden

Artikel 13
1.

De vervoervoorwaarden van een vervoerder zijn zodanig opgesteld dat daaruit duidelijk en onderscheidenlijk van overige gegevens blijkt welke voorzieningen voor personen, onderscheiden naar hun functiebeperking, beschikbaar zijn inzake het betreden, gebruiken en verlaten van het openbaar vervoer en daartoe behorende haltes en stations, alsmede het voorbereiden op het gebruik van dat vervoer.

2.

De vervoervoorwaarden bevatten in ieder geval de volgende gegevens:

3.

De vervoervoorwaarden zijn via internet en op verzoek in braille of geluidsweergave waarneembaar voor personen met een visuele beperking.

Hoofdstuk 7. Bestuurlijke afstemming

Artikel 14

De volgende rechtspersonen verstrekken desgevraagd aan Onze Minister en Onze Minister van Infrastructuur en Milieu gegevens betreffende de mate waarin is voldaan aan het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4 tot en met 10, 12, eerste lid, 13 of 16:

Artikel 15
1.

Concessieverleners, vervoerders, beheerders en exploitanten van reisinformatie zorgen voor de coördinatie en afstemming van de in de artikelen 4 tot en met 7, 9 en 10 bedoelde aanpassingen op zodanige wijze dat desbetreffende voertuigen, haltes, stations en reisinformatie zoveel mogelijk op aansluitende lijnen en geharmoniseerd toegankelijk zijn.

2.

De in het eerste lid bedoelde rechtspersonen of hun representatieve organisaties voeren ten minste jaarlijks overleg over de in dat lid bedoelde coördinatie en afstemming.

Hoofdstuk 8. Invoering

Artikel 16
1.

Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu regels stellen over:

2.

De in het eerste lid, onder a, c en d bedoelde regels kunnen per voertuig of voertuigcategorie, traject, halte, station of concessiegebied verschillend zijn.

Artikel 17
1.

Nieuwe, vernieuwde en verbeterde voertuigen, haltes, stations en reisinformatie zijn toegankelijk overeenkomstig de daarop betrekking hebbende artikelen 4 tot en met 10.

2.

Onverminderd het eerste lid en artikel 16, zijn voertuigen, haltes, stations en reisinformatiesystemen die op het moment van inwerkingtreding van dit besluit in gebruik zijn, ingevolge de daarop betrekking hebbende artikelen 4 tot en met 10, aangepast:

3.

Onze Minister kan in overeenstemming met Onze Minister van Infrastructuur en Milieu nadere regels stellen waarbij is bepaald dat de in het tweede lid bedoelde aanpassingen voor een deel op eerdere data dan in dat lid genoemd zijn ingevoerd, waarbij de data per voertuig of voertuigcategorie, traject, halte, station, reisinformatiesysteem of concessiegebied verschillend kunnen zijn.

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Artikel 18

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit toegankelijkheid van het openbaar vervoer.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 10a

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 10b
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op diensten voor personenvervoer per bus of trein met betrekking tot de volgende elementen:

2.

Dit hoofdstuk is ook van toepassing op stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten, maar uitsluitend met betrekking tot de elementen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel e.

3.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de volgende inhoud van websites en mobiele toepassingen:

Artikel 10c
1.

De diensten, bedoeld in artikel 10b, eerste lid, voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften in de afdelingen III en IV van bijlage I bij richtlijn 2019/882.

2.

De diensten, bedoeld in artikel 10b, tweede lid, voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling IV van bijlage I bij richtlijn 2019/882.

3.

Micro-ondernemingen zijn vrijgesteld van de verplichtingen vermeld in het eerste lid en van elke verplichting in verband met de naleving van die voorschriften.

Artikel 10d

Voor zover de diensten, bedoeld inartikel 10b, eerste en tweede lid, voldoen aan de voorschriften voor de verstrekking van toegankelijke informatie en van informatie over toegankelijkheid in de zin van de verordeningen (EG) nr. 1371/2007 en (EU) nr. 181/2011, alsmede van de desbetreffende handelingen die zijn vastgesteld op basis van richtlijn 2008/57, voldoen ze daarmee ook aan de overeenkomstige voorschriften van richtlijn 2019/882.

Artikel 10e
1.

Dienstverleners ontwerpen en verlenen aangeboden diensten voor personenvervoer per bus of trein in overeenstemming met artikel 10c, eerste en tweede lid.

2.

Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage V bij richtlijn 2019/882 de vereiste informatie op en lichten toe op welke manier de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen. De informatie wordt aan het publiek schriftelijk en mondeling ter beschikking gesteld, mede op een manier die toegankelijk is voor personen met een handicap. Dienstverleners bewaren die informatie zolang de dienst in werking is.

3.

Dienstverleners zorgen ervoor dat er procedures worden toegepast die garanderen dat de dienstverlening in overeenstemming met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften blijft. Dienstverleners houden op gepaste wijze rekening met veranderingen in de dienstverlening, veranderingen in de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften, veranderingen in de geharmoniseerde normen of in technische specificaties op basis waarvan wordt verklaard dat een dienst aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet.

4.

Dienstverleners treffen onmiddellijk corrigerende maatregelen indien de aangeboden dienst niet in overeenstemming is met het eerste tot en met het derde lid. Zij brengen Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarbij de dienstverleners in het bijzonder de aard van de non-conformiteit en alle getroffen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

Artikel 10f
1.

De toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in artikel 10c, eerste en tweede lid, zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan:

2.

Dienstverleners voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de in artikel 10c bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI bij richtlijn 2019/882, een onevenredige last als bedoeld in het eerste lid van dit artikel oplevert.

3.

Dienstverleners documenteren de in het tweede lid genoemde beoordeling. Dienstverleners bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat de dienst voor het laatst op de Nederlandse markt is verleend of aan consumenten in Nederland is aangeboden een dergelijke dienst te verlenen. Dienstverleners verstrekken op verzoek aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, een exemplaar van de in het tweede lid genoemde beoordeling.

4.

Dienstverleners die een beroep doen op het eerste lid, onderdeel b, vernieuwen voor elke categorie of soort dienst hun beoordeling van de onevenredige last:

5.

Dienstverleners die uit andere bronnen dan eigen middelen financiering ontvangen ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kunnen geen beroep doen op het eerste lid, onderdeel b.

6.

Dienstverleners, met uitzondering van micro-ondernemingen, die voor een specifieke dienst een beroep doen op het eerste lid, verstrekken informatie daartoe aan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat.

Artikel 10g
1.

Diensten die voldoen aan geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden vermoed in overeenstemming te zijn met de toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in artikel 10c, eerste en tweede lid, voor zover deze normen of delen daarvan die voorschriften bestrijken.

2.

Diensten die in overeenstemming zijn met op grond van artikel 15, derde lid, van richtlijn 2019/882 vastgestelde technische specificaties of delen daarvan, worden vermoed in overeenstemming te zijn met de toegankelijkheidsvoorschriften, bedoeld in artikel 10c, eerste en tweede lid.

3.

Diensten waarvan de kenmerken, onderdelen en functies aan de overeenkomstig afdeling VI van bijlage I bij richtlijn 2019/882 vastgestelde toegankelijkheidsvoorschriften voldoen, worden voor zover het deze kenmerken, onderdelen en functies betreft, vermoed te voldoen aan de desbetreffende verplichtingen inzake toegankelijkheid krachtens andere Uniehandelingen dan de richtlijn, tenzij in die andere Uniehandelingen anders wordt bepaald.

4.

Diensten die in overeenstemming zijn met de geharmoniseerde normen en specificaties, of delen daarvan, die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 15 van richtlijn 2019/882, leiden tot een vermoeden van overeenstemming met het derde lid van dit artikel, voor zover deze normen en technische specificaties of delen daarvan aan de toegankelijkheidsvoorschriften van die richtlijn voldoen.

Artikel 10h

Indien het bij koninklijke boodschap van 14 juni 2023 ingediende voorstel van wet Implementatiewet toegankelijkheidsvoorschriften producten en diensten (Kamerstukken 36 380) tot wet is of wordt verheven en die wet in werking treedt, berust dit hoofdstuk mede op artikel 5c van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte.

Hoofdstuk 5. Algemene bepalingen

Hoofdstuk 6. De vervoervoorwaarden

Hoofdstuk 7. Bestuurlijke afstemming

Hoofdstuk 8. Invoering

Hoofdstuk 9. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.