Wet van 19 mei 2011, houdende een integraal kader voor regels over gehouden dieren en daaraan gerelateerde onderwerpen (Wet dieren)

Type Wet
Publication 2025-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 281
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a. de uitvoering van EU-rechtshandelingen die krachtens de artikelen 43, 114, 207, 168, 169 of 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn vastgesteld en
  • b. de uitvoering van EU-rechtshandelingen die krachtens de onder a bedoelde rechtshandelingen zijn vastgesteld.

Artikel 6.2. Strafbaarstelling overtredingen EU-verordeningen en EU-besluiten

1.

Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.

2.

De aanwijzing bij ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, geschiedt in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor zover de voorschriften geheel of mede strekken tot bescherming van de volksgezondheid.

Artikel 6.3. Aanwijzing bevoegde instanties EU-verordeningen en EU-besluiten

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van onderdelen van EU-rechtshandelingen waarin een EU-rechtshandeling een tot de overheid behorend orgaan of een persoon in dienst van de overheid, de opdracht geeft of de keuze laat.

2.

Tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald is Onze Minister bevoegd de besluiten te nemen waartoe een voorschrift van een EU-verordening of EU-besluit als bedoeld in artikel 6.2 een tot de overheid behorend orgaan of een persoon in dienst van de overheid, de opdracht geeft of de keuze laat.

Artikel 6.4. Niveau delegatie regelgeving ter uitvoering van bindende onderdelen van EU-verordeningen of EU-besluiten

1.

In afwijking van het bepaalde in de hoofdstukken 2 en 3 kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor de uitvoering van een bindend onderdeel van een EU-verordening of een EU-besluit, voor zover de EU-verordening of het EU-besluit onderwerpen betreft, bedoeld in de artikelen 2.2, tiende lid, 2.3, vierde lid, 2.4, tweede of derde lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede of derde lid, 2.7, tweede lid, 2.8, vierde lid, 2.10, derde lid, 2.12, tweede lid, 2.15, tweede of vierde lid, 2.16, tweede lid, 2.18, tweede lid, 2.20, tweede lid, 2.22, tweede lid, 2.23, 2.25, derde lid, 3.1, tweede lid, 3.2, tweede lid, 4.1, derde en vijfde lid, 4.5, tweede lid, 5.4, tweede lid, 7.2, eerste tot en met derde lid, 7.3, derde lid, 7.4, eerste lid, 7.6, eerste lid, 7.8, 10.1 en 10.2.

2.

Artikel 7.3, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 6.5. Mededeling wijziging EU-rechtshandelingen

1.

Een wijziging van een EU-rechtshandeling waarnaar in regels, gesteld krachtens deze wet, wordt verwezen, gaat voor de toepassing van die regels gelden met ingang van de dag waarop aan die wijziging uitvoering moet zijn gegeven dan wel bij gebreke daarvan, de dag waarop die wijziging is vastgesteld.

2.

Onze Minister kan besluiten dat een wijziging als bedoeld in het eerste lid in afwijking van dat lid op een eerder tijdstip gaat gelden. Dit besluit wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Hoofdstuk 7. Vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers

Artikel 7.1. Grondslag

Dit hoofdstuk is van toepassing op besluiten die krachtens deze wet worden genomen. Bij de regels gesteld krachtens deze wet kan worden bepaald dat voor een handeling waarop die regels betrekking hebben een melding of een besluit tot verlening van een vergunning, erkenning, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring, vrijstelling, ontheffing, algemeen verbindend verklaring of certificering is vereist, kan worden verleend of kan worden verstrekt.

Artikel 7.2. Register

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen geregeld dat in een register aantekening wordt gehouden van een melding of een besluit als bedoeld in artikel 7.1. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het register, de aantekening alsmede de wijziging daarvan.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat in een register aantekening wordt gehouden van een melding of een besluit als bedoeld in artikel 7.1. Bij ministeriële regeling kunnen regels over registers worden gesteld die betrekking hebben op:

  • a. de mate van toegankelijkheid van de registers, waaronder de wijze waarop kennis kan worden genomen van de in de registers opgenomen gegevens;
  • b. het doel dat het register dient;
  • c. de behoorlijke en zorgvuldige verwerking van de gegevens in de registers;
  • d. de inrichting van de registers;
  • e. de gegevens die in de registers worden opgenomen;
  • f. de wijze waarop gegevens in de registers worden opgenomen;
  • g. de termijn waarbinnen gegevens en wijzigingen daarvan worden verwerkt in het register;
  • h. de gevallen waarin een aantekening in de registers wordt gewijzigd of doorgehaald;
  • i. de persoon of instantie die de registers beheert en bijhoudt;
  • j. de minimale of maximale duur van het bewaren van gegevens in het register;
  • k. de vergoeding van kosten voor het opnemen en verwerken van gegevens in de registers.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden geregeld dat een handeling waarvoor een melding als bedoeld in artikel 7.1 vereist is, eerst kan worden verricht nadat de melding is aangetekend in een register als bedoeld in het eerste lid of tweede lid.

Artikel 7.3. Verlening en wijziging

1.

Een besluit als bedoeld in artikel 7.1 wordt door Onze Minister verleend of gewijzigd indien is voldaan aan de eisen, gesteld bij de regels, bedoeld in artikel 7.1.

2.

Ingeval een besluit als bedoeld in artikel 7.1 geheel of mede wordt vereist in het belang van de volksgezondheid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling worden geregeld dat deze wordt verleend of gewijzigd in overeenstemming dan wel na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling wordt bepaald dat paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een aanvraag tot verlening of wijziging van een besluit als bedoeld in artikel 7.1, tenzij EU-rechtshandelingen, het belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten, het belang van het welzijn van dieren, of het belang van het milieu zich daartegen verzetten.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op besluiten met betrekking tot vergunningen waarop, met toepassing van artikel 28 van de Dienstenwet, paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kan met betrekking tot de in het vierde lid bedoelde besluiten toepassing worden gegeven aan artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet.

Artikel 7.4. Geldingsduur

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen inzake de geldingsduur van besluiten als bedoeld in artikel 7.1.

2.

In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid is een besluit als bedoeld in artikel 7.1 voor onbepaalde tijd geldig, tenzij:

  • a. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling een andere geldigheidsduur is vastgesteld, of
  • b. het besluit zelf in een andere geldigheidsduur voorziet.
3.

Ingeval een besluit als bedoeld in artikel 7.1 niet voor onbepaalde tijd geldig is, zijn artikel 7.3 en het eerste en tweede lid op de verlenging daarvan van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7.5. Voorschriften en beperkingen

1.

Aan een besluit als bedoeld in artikel 7.1 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden.

2.

De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid, kunnen op aanvraag of ambtshalve gewijzigd, aangevuld of ingetrokken worden.

3.

Het is verboden te handelen in strijd met voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over voorschriften en beperkingen als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7.6. Procedure

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

  • a. het indienen van een aanvraag tot een besluit als bedoeld in artikel 7.1 dan wel tot verlenging of wijziging daarvan, of van een aanvraag tot aanwijzing, als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, dan wel tot wijziging daarvan;
  • b. de behandeling van een aanvraag als bedoeld in onderdeel a;
  • c. de wijze waarop een melding plaatsvindt, en
2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden gesteld voor de uitvoering van EU-rechtshandelingen en kunnen voorts onder meer betrekking hebben op:

  • a. welke gegevens, bescheiden of monsters worden overgelegd alvorens een aanvraag in behandeling wordt genomen;
  • b. een daarbij aangewezen onderzoek dat noodzakelijk is alvorens een besluit als bedoeld in artikel 7.1 wordt verleend, verlengd of gewijzigd of alvorens een diersoort wordt aangewezen op grond van de artikelen 2.2, eerste lid;
  • c. de termijn waarbinnen, na wijziging van omstandigheden, een aanvraag tot wijziging van een besluit als bedoeld in artikel 7.1 wordt aangevraagd, dan wel een nieuwe melding plaatsvindt;
  • d. de termijn voor het geven van een beslissing op een aanvraag, of
  • e. wie een aanvraag of een melding kan doen.
3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verwijzen door aanvragers van een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een besluit als bedoeld in artikel 7.1, dan wel door personen die een melding doen, naar gegevens die eerder door hen of een ander bij een aanvraag om een aanwijzing als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, een besluit als bedoeld in artikel 7.1, dan wel een melding zijn verstrekt.

Artikel 7.7. Adviescommissies

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat Onze Minister over een besluit als bedoeld in artikel 7.1, of de wijziging, de verlenging, de schorsing of de intrekking daarvan, wordt geadviseerd door een commissie.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over:

  • a. de samenstelling en de werkwijze van een commissie als bedoeld in het eerste lid, en
  • b. de benoeming, de zittingsduur, schorsing en ontslag van leden van de commissie en hun beloning.
3.

De leden van een commissie houden al hetgeen hun in hun hoedanigheid is bekend geworden geheim voor zover zij niet in hun hoedanigheid tot mededeling daarvan bevoegd of verplicht zijn.

Artikel 7.8. Verlenging, schorsing en intrekking

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevallen waarin een besluit als bedoeld in artikel 7.1 kan worden verlengd, geschorst of ingetrokken.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin een besluit als bedoeld in artikel 7.1 van rechtswege vervalt.

Artikel 7.9. Mededeling

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling wordt voor de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen geregeld in welke gevallen mededeling wordt gedaan in de Staatscourant. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor mededelingen in de Staatscourant van:

  • a. een besluit tot verlening van een besluit als bedoeld in artikel 7.1 alsmede tot wijziging of verlenging daarvan, dan wel van een melding;
  • b. een besluit tot schorsing of intrekking van een besluit als bedoeld in artikel 7.1;
  • c. de gevallen waarin een besluit als bedoeld in artikel 7.1 van rechtswege vervalt en met ingang van welke datum, en
  • d. aantekeningen in een register als bedoeld in artikel 7.2, alsmede de doorhaling daarvan.

Hoofdstuk 7. Vergunningen, erkenningen, toestemmingen, toelatingen, registraties, meldingen en registers

§ 1. Toezicht

Artikel 8.1. Aanwijzing toezichthouders

1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren en andere personen.

2.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 8.2. Aanvullende toezichtsbevoegdheden

In aanvulling op artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de in de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14, eerste lid, bedoelde ambtenaren en personen bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 8.3. Monsterneming

In het in artikel 5:18, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde geval verpakken en verzegelen de in de artikelen 8.1, eerste lid, en 8.14 bedoelde ambtenaren en personen de monsters ter plaatse.

Artikel 8.4. Medewerkingsplicht

1.

Eenieder wie zulks aangaat handelt overeenkomstig dan wel verleent zijn medewerking aan de uitvoering van een krachtens deze wet gegeven bevel, genomen maatregel of verrichte handeling, en verleent alle medewerking die redelijkerwijs nodig is voor het onderzoek naar dierziekten, zoönosen, ziekteverschijnselen of ziekteverwekkers.

2.

Eenieder die dieren, dierlijke producten, diergeneesmiddelen of diervoeders onder zich heeft of heeft gehad met betrekking waartoe krachtens deze wet een maatregel is getroffen, verstrekt op het eerste verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, of artikel 5.9, eerste lid, naar waarheid alle inlichtingen omtrent herkomst en verhandeling van deze dieren of producten.

§ 2. Herstelmaatregelen

Artikel 8.5. Bestuursdwang

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet.

§ 1. Toezicht

Artikel 8.6. Definities

1.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. overtreding: gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens:
  • b. overtreder: degene die de overtreding pleegt of mede pleegt.
2.

Indien een overtreding is gepleegd door een rechtspersoon, wordt onder overtreder mede verstaan: degene die tot de overtreding opdracht heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven.

Artikel 8.7. Bevoegdheid

Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Artikel 8.8. Hoogte bestuurlijke boete

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.

2.

De op grond van het eerste lid te bepalen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht per overtreding, begaan door een rechtspersoon of een vennootschap, of, indien dat meer is, 10 procent van de jaaromzet in het boekjaar voorafgaande aan het boekjaar waarin de boete wordt opgelegd.

3.

De berekening van de omzet, bedoeld in het tweede lid, geschiedt op voet van het bepaalde in artikel 377, zesde lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek voor de netto-omzet.

Artikel 8.9. Invordering bij dwangbevel

Vervallen

Artikel 8.10. Samenloop met strafrecht

1.

Indien de ernst van de overtreding of de omstandigheden waaronder zij is begaan daartoe aanleiding geven, wordt zij aan het openbaar ministerie voorgelegd.

2.

Indien ter zake van een overtreding aan de overtreder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een mededeling als bedoeld in artikel 5:50, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht is verzonden, heeft dit dezelfde rechtsgevolgen als een kennisgeving van niet verdere vervolging als bedoeld in artikel 246, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

§ 4. Strafrechtelijke handhaving

Artikel 8.11. Strafbaarstelling

1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.1, eerste lid, 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid, artikel 2.8, eerste lid, derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b en c, 2.9, eerste lid, 2.10, eerste lid, en 2.14, eerste lid, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, of met de maatregel, als bedoeld in artikel 8.11a zijn misdrijven.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.1, zesde lid, 2.2, eerste lid, negende en tiende lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid, onderdelen b, c en d, en onderdeel r, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op regels als bedoeld in de onderdelen b, c en d, 2.3, derde en vierde lid, 2.4, eerste, tweede en derde lid, 2.8, derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen d en e, 2.9, tweede, vierde en vijfde lid, 2.14, tweede lid, 2.15, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 4.4, eerste lid, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, zijn overtredingen.

Artikel 8.12. Strafmaat

1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.1 eerste lid, 2.2, zesde lid, eerste volzin, en achtste lid, 2.10, eerste lid en 2.14, eerste lid, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen artikel 2.8, eerste lid, en derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b en c, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, voor zover deze gedragingen plaatsvinden anders dan in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren of een geldboete van de vijfde categorie.

3.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.1, zesde lid, 2.3, derde en vierde lid, 2.8, derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen bedoeld in het vierde lid, onderdelen d en e, 2.9, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, 2.14, tweede lid, 2.15, eerste, tweede, derde, vijfde en zesde lid, en 4.4, eerste lid, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.

4.

Gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 2.2, eerste lid, negende en tiende lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het tiende lid, onderdelen b, c en d, en 2.4, eerste, tweede en derde lid, of een of meer van de voornoemde bepalingen in samenhang met artikel 6.2, eerste lid, artikel 6.4, eerste lid, of artikel 7.5, derde lid, voor zover deze gedragingen plaatsvinden anders dan in de uitoefening van een bedrijf waar dieren van krachtens artikel 2.3, tweede lid, aangewezen soorten of categorieën, worden gehouden, worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie.

5.

Indien gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens artikel 2.15, derde lid, worden gepleegd in verband met een paardenren of harddraverij met betrekking tot welke een totalisator als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de Wet op de kansspelen is georganiseerd, wordt de in het derde lid voorziene hechtenis met een derde verhoogd.

6.

Indien gedragingen in strijd met de voorschriften vastgesteld bij of krachtens de artikelen 2.1, eerste lid, 2.2, achtste lid, artikel 2.8, eerste lid, en derde en vierde lid voor wat betreft de onderwerpen, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a, b en c, in de uitoefening van beroep of bedrijf zijn gepleegd, kan een geldboete worden opgelegd van de naast hogere categorie.

7.

Gedragingen in strijd met artikel 8.11a worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de derde categorie.

Artikel 8.13. Uitoefening diergeneeskunde ondanks tuchtrechtelijke ontzegging

Artikel 195 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing op een persoon:

  • a. die, hoewel hij bij onherroepelijk geworden uitspraak geheel of gedeeltelijk is geschorst in het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen, tijdens die schorsing de handelingen waarop die schorsing betrekking heeft, uitoefent, of
  • b. die, hoewel hem bij onherroepelijk geworden uitspraak de hem bij of krachtens deze wet verleende bevoegdheid tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen geheel of gedeeltelijk is ontzegd, de handelingen waarop die ontzegging betrekking heeft, uitoefent.

Artikel 8.14. Aanwijzing opsporingsambtenaren

1.

Met de opsporing van de bij artikel 8.11 strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de bij besluit van Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren.

2.

De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, zijn tevens belast met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld in de artikelen 179 tot en met 182 en 184 van het Wetboek van Strafrecht, voor zover deze feiten betrekking hebben op een bevel, vordering of handeling, gedaan of ondernomen door henzelf.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

§ 1. Toezicht

§ 1. Toezicht

Artikel 8.44. Gidsen voor goede praktijken

1.

Onze Minister moedigt het opstellen en het toepassen aan van gidsen voor goede praktijken die aanbevelingen bevatten voor de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

2.

Nationale gidsen voor goede praktijken kunnen aan Onze Minister ter beoordeling worden voorgelegd.

3.

Op verzoeken om een beoordeling als bedoeld in het tweede lid, zijn de artikelen 7.6, 7.7 en 7.8 van overeenkomstige toepassing.

§ 7. Overig

Hoofdstuk 9. Financiën

§ 2. Herstelmaatregelen

Artikel 9.1. Retributies algemeen

1.

Onze Minister kan een heffing opleggen ter vergoeding van kosten overeenkomstig een door hem vastgesteld tarief ter zake van de volgende handelingen:

  • a. de behandeling van een aanvraag tot een bij of krachtens deze wet voorgeschreven vergunning, erkenning, aanwijzing, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring of certificering dan wel van een aanvraag tot verlenging of wijziging daarvan;
  • b. de instandhouding van de bij of krachtens deze wet verleende vergunning, erkenning, aanwijzing, toestemming, toelating, registratie, bewijs van vakbekwaamheid, goedkeuring of certificering;
  • c. de behandeling van een aanvraag tot ontheffing van het bij of krachtens deze wet bepaalde, dan wel van een aanvraag tot verlenging of wijziging van de ontheffing;
  • d. de identificatie en registratie van dieren;
  • f. het toezicht op de naleving van artikel 2.15 bij een wedstrijd, ten laste van de organiserende instelling;
  • g. onderzoeken, controles of verrichtingen met betrekking tot dieren, diervoeders, diergeneesmiddelen, producten of voorwerpen, bedrijven of locaties ter voorkoming en bestrijding van dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen, en ter wering van ziekteverwekkers, voor zover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij een EU-rechtshandeling dan wel op verzoek van betrokkenen plaatsvinden;
  • h. controles die nodig zijn om de omvang van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze wet vast te stellen, om na te gaan of corrigerende maatregelen zijn genomen, dan wel om een overtreding op te sporen of te bewijzen, voor zover de heffing ter vergoeding van kosten van deze controles is voorgeschreven bij een EU-rechtshandeling, en
2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan een heffing ter vergoeding van kosten worden opgelegd overeenkomstig een vastgesteld tarief ter zake van bij die maatregel benoemde onderzoeken of verrichtingen voor zover de onderzoeken of verrichtingen zijn voorgeschreven bij of krachtens deze wet of bij EU-verordening.

3.

Een tarief als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt zodanig vastgesteld dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde kosten die in een rechtstreeks verband staan met de werkzaamheden waarvoor het tarief wordt opgelegd, onverminderd de daaromtrent bij een EU-rechtshandeling vastgestelde voorschriften.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de betaling van de heffing, en kan worden geregeld dat een handeling als bedoeld in het eerste lid, aanhef, slechts dan wordt uitgevoerd nadat betaling van de heffing heeft plaatsgevonden.

5.

Onze Minister kan de bedragen ter vergoeding van de kosten, bedoeld in het eerste lid, invorderen bij dwangbevel.

§ 3. Bestuurlijke boete

§ 3. Bestuurlijke boete

Hoofdstuk 10. Overig

Artikel 10.1. Vrijstelling en ontheffing

1.

Onze Minister kan, in voorkomend geval met inachtneming van EU-rechtshandelingen en voor zover het belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten, het belang van het welzijn van dieren of het belang van het milieu zich daartegen niet verzetten, van het bepaalde bij of krachtens deze wet vrijstelling of ontheffing verlenen.

2.

Ingeval de vrijstelling of ontheffing betrekking heeft op een bepaling die geheel of mede strekt tot bescherming van de volksgezondheid, wordt zij in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport verleend.

3.

In afwijking van artikel 7.1 zijn de artikelen 7.3, 7.4, eerste lid, tweede lid, onderdeel a, en derde lid, 7.5, vierde lid, 7.6, eerste en tweede lid, onderdeel a, 7.8, eerste lid, en 7.9 niet van toepassing ten aanzien van het verlenen van een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in het eerste lid.

4.

Indien Onze Minister voornemens is een vrijstelling te verlenen van het bepaalde in artikel 2.23, wordt het ontwerp van de vrijstelling in de Staatscourant bekend gemaakt en aan een ieder de gelegenheid geboden om binnen vier weken na de dag waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis van Onze Minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt het ontwerp van de vrijstelling aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd en medegedeeld aan direct belanghebbenden.

5.

Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid kan, onverminderd de bevoegdheid van Onze Minister, bij algemene maatregel van bestuur worden verleend.

Artikel 10.2. Regels over onderzoeken, controles, toezicht op de naleving en handhaving

1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot onderzoeken, controles, toezicht op de naleving en handhaving, waaronder:

  • a. de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt;
  • b. het aanwijzen van ambtenaren of personen die het onderzoek verrichten, en
  • c. de inrichtingen waar onderzoekswerkzaamheden plaatsvinden.
2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voor de toepassing van hoofdstuk 2, paragraaf 2, en hoofdstuk 3 de artikelen 8 tot en met 14 van de Landbouwkwaliteitswet of onderdelen daarvan van overeenkomstige toepassing worden verklaard. De toepassing van artikel 13 van de Landbouwkwaliteitswet is onverminderd artikel 18, tweede lid, van de Landbouwkwaliteitswet.

Artikel 10.3

Vervallen

Artikel 10.4. Medebewind

Vervallen

Artikel 10.5. Onverwijlde voorzieningen

1.

Indien in het belang van de gezondheid van mens of dier of het welzijn van het dier naar het oordeel van Onze Minister een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, kan hij in de onderwerpen die op grond van deze wet bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald, bij regeling voorzien.

2.

De regeling vervalt een jaar nadat zij in werking is getreden, of, indien binnen die termijn een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het moment waarop de maatregel in werking treedt. De termijn kan door Onze Minister eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.

Artikel 10.6. Wet op de dierproeven

1.

Deze wet treedt niet in hetgeen bij of krachtens de Wet op de dierproeven is bepaald, met dien verstande dat onverminderd van kracht blijft hetgeen is bepaald bij of krachtens de artikelen 2.2, eerste tot en met elfde lid, 2.6 en 2.23.

2.

Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt het verrichten van dierproeven in de zin van de Wet op de dierproeven, voor zover laatstgenoemde wet op deze handelingen van toepassing is, niet aangemerkt als het verrichten van diergeneeskundige handelingen.

Artikel 10.7. Visserijwet 1963

In hetgeen is voorzien bij of krachtens de Visserijwet 1963, wordt niet voorzien krachtens deze wet.

Artikel 10.8. Raad voor dierenaangelegenheden

1.

Er is een Raad voor dierenaangelegenheden waarin overleg plaatsvindt over vraagstukken betreffende het nationaal en internationaal beleid op het gebied van de gezondheid van dieren en het welzijn van dieren.

2.

Onze Minister benoemt in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport de leden van de Raad.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de samenstelling en de werkwijze van de Raad.

Artikel 10.9. Betrokkenheid van andere ministers bij de totstandkoming van algemene maatregelen van bestuur

Een voordracht tot vaststelling, wijziging of intrekking van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in de artikelen 2.18, eerste en tweede lid, 2.20, eerste en tweede lid, en 2.22, eerste en tweede lid, wordt Ons gedaan door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Artikel 10.10. Voorhangprocedure

1.

De voordracht voor een krachtens de artikelen 2.1, derde en vijfde lid, 2.2, tweede, derde, zevende, tiende en twaalfde lid, 2.3, tweede en vierde lid, 2.4, tweede lid, 2.5, tweede lid, 2.6, tweede en derde lid, 2.7, tweede lid, 2.8, tweede lid, onderdeel b, en vierde lid, 2.10, eerste, derde en vierde lid, 2.15, tweede lid, 2.16, eerste lid, en 2.24 vast te stellen algemene maatregel van bestuur voor zover het betreft een voordracht voor een maatregel mede met of met het oog op de bescherming van het welzijn van dieren, wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overlegd.

2.

Een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 2.18a, eerste lid, of 3.7, wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd, tenzij binnen deze termijn door of namens een van de Kamers of ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een van de Kamers nadere inlichtingen worden gevraagd. De ministeriële regeling kan niet eerder worden vastgesteld dan nadat de Kamer die de nadere inlichtingen heeft gevraagd, heeft vastgesteld dat deze genoegzaam zijn verstrekt.

3.

De voordracht voor een krachtens artikel 2.3a, eerste en derde lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Deze overlegging vindt niet later plaats dan één jaar na de inwerkingtreding van de Wet van 29 mei 2024 houdende wijziging van de Wet dieren in verband met actualisering van de diergezondheidsregels en enkele technische aanpassingen (Stb. 2024, 160).

Artikel 10.11. Evaluatiebepaling

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht

§ 1. Overgangsrecht

Artikel 11.1. Overgangsrecht

1.

Besluiten, niet inhoudende een algemeen verbindend voorschrift, genomen bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Kaderwet diervoeders, de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de dierenbescherming, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 of, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, krachtens de Landbouwkwaliteitswet of de Landbouwwet, die gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden geacht te zijn genomen op grond van deze wet, onder dezelfde voorschriften, beperkingen en voorwaarden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorschriften, beperkingen en voorwaarden voor zover de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen dit vereist.

2.

Meldingen, gedaan ter voldoening aan verplichtingen bij of krachtens de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Kaderwet diervoeders, de Diergeneesmiddelenwet, de Wet op de dierenbescherming, de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990 of, voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen waarop deze wet van toepassing is, krachtens de Landbouwkwaliteitswet of de Landbouwwet, worden geacht te zijn gedaan op grond van deze wet. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot voorschriften, beperkingen en voorwaarden voorzover de uitvoering van bindende onderdelen van EU-rechtshandelingen dit vereist.

3.

Ten aanzien van besluiten als bedoeld in het eerste lid doet Onze Minister per soort, onderverdeeld naar de bepaling of bepalingen waarop de besluiten berustten, mededeling in de Staatscourant van de bepaling of bepalingen waarop zij vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet worden geacht te berusten.

4.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige aanvragen, verzoeken tot het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat, waarin zij zich op dat moment bevinden en worden vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens deze wet behandeld.

5.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangige bezwaarschriften die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, zijn aanhangig in de staat, waarin zij zich op dat moment bevinden en worden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de wetten, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.

6.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven aanhangige zaken die betrekking hebben op het nemen van een besluit als bedoeld in het eerste lid, worden overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de wetten, bedoeld in het eerste lid, behandeld en beslist.

7.

Dierenartsen die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet zijn ingeschreven in het register van praktizerende dierenartsen, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Wet op de uitoefening van de diergeneeskunde 1990, worden geacht te zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

8.

Artikel 5.13 is van overeenkomstige toepassing op dieren die in strijd met artikel 73 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, zoals dat luidde bij inwerkingtreding van deze wet, zijn gefokt.

§ 1. Overgangsrecht

Artikel 11.1a. Wijziging Algemene wet bestuursrecht

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 11.2. Overgangsrecht diergezondheidsheffing

In afwijking van artikel 11.1 is op besluiten met betrekking tot de diergezondheidsheffing, genomen op of na 1 januari 2018 maar voor het tijdstip van inwerkingtreding van paragraaf 9.4, het recht zoals dat gold onmiddellijk voorafgaand aan laatstbedoeld tijdstip van toepassing.

Artikel 11.3. Wijziging Flora- en faunawet

Vervallen

Artikel 11.4. Wijziging Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Vervallen

Artikel 11.5. Wijziging Landbouwkwaliteitswet

Vervallen

Artikel 11.6. Wijziging Visserijwet 1963

Vervallen

Artikel 11.7. Wijziging Wet milieubeheer

Vervallen

Artikel 11.8. Wijziging Wet op de economische delicten

Vervallen

Artikel 11.9

Vervallen

Artikel 11.10

Vervallen

Artikel 11.11. Wijziging Wet op de omzetbelasting 1968

Vervallen

Artikel 11.12. Wijziging Wetboek van Strafvordering

Vervallen

Artikel 11.13

Vervallen

Artikel 11.14. Overgangsrecht inwerkingtreding wijziging van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en enige andere wetten

Wijzigt deze wet.

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Artikel 12.1. Intrekking wetten

De volgende wetten worden ingetrokken:

Artikel 12.2. Inwerkingtreding

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 12.3. Citeertitel

Deze wet wordt aangehaald als: Wet dieren.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 8.45. Tuchtrechtelijke handhaving en medebewindsregelgeving

Dit artikel treedt niet meer in werking. Het artikel is ingetrokken door Stb. 2014/571.

1.

Bij toepassing van artikel 10.4 kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel bij ministeriële regeling worden bepaald dat tuchtrechtelijke maatregelen worden gesteld op overtreding van de bij die maatregel of regeling genoemde nadere regelen die door het bestuur van het betrokken productschap of bedrijfschap krachtens artikel 10.4, tweede lid, bij verordening als bedoeld in 10.4, derde lid, zijn of worden gesteld, voor zover handelen in strijd met deze nadere regelen als overtreding strafbaar is gesteld.

2.

De artikelen 1, onderdeel b, 2, 3 tot en met 6, 15 tot en met 44, eerste lid, en 46 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de instemming, bedoeld in artikel 46 van die wet wordt verkregen van Onze Minister.

3.

Onverminderd artikel 8.1, eerste lid, kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, dan wel bij ministeriële regeling, worden bepaald dat met het toezicht op de naleving van de nadere regels waarvoor tuchtrechtelijke maatregelen zijn of worden opgelegd, de bij besluit van het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam aangewezen personen zijn belast. Dit besluit behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Onze Minister kan het betrokken bedrijfslichaam of samenwerkingslichaam een aanwijzing geven omtrent het aanwijzen van toezichthouders en de wijze waarop toezicht wordt uitgeoefend.

Artikel 8.46. Voorschriften in Engelse taal

Ingeval bij of krachtens deze wet wordt verwezen naar door de Voedsel- en Landbouworganisatie en de Wereldgezondheidsorganisatie tot stand gebrachte voedselstandaarden, codes voor goede praktijken of richtsnoeren, kan overtreding daarvan ook worden bestraft met een geldboete indien deze voedselstandaarden, codes voor goede praktijken of richtsnoeren in de Engelse taal zijn gesteld en bekend gemaakt.

Hoofdstuk 9. Financiën

§ 2. Diergezondheidsfonds

§ 5. Veterinair tuchtrecht

Hoofdstuk 10. Overig

Hoofdstuk 11. Wijzigingen andere wetten en overgangsrecht

§ 2. Wijziging andere wetten

Artikel 11.9

Vervallen

Artikel 11.10

Vervallen

Hoofdstuk 12. Slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 2.23. Vergunning biotechnologie

1.

Het is verboden om uitsluitend voor sportprestaties of vermaak het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie.

2.

Het is zonder vergunning verboden:

  • a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;
  • b. biotechnologische technieken bij een dier of een dierlijk embryo toe te passen.
3.

Het tweede lid is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het tweede lid voor zover die handelingen worden verricht ten behoeve van biomedisch onderzoek.

4.

Onze Minister verleent een vergunning slechts indien naar zijn oordeel:

  • a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren; en
  • b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.
5.

In afwijking van artikel 7.7, eerste lid, vraagt Onze Minister telkenmale omtrent een verzoek tot verlening van een vergunning als bedoeld in het tweede lid advies aan een door hem met betrekking tot dat verzoek in te stellen commissie van onafhankelijke deskundigen.

6.

Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een aanvraag tot een vergunning als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2.24

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen handelingen worden aangewezen ten aanzien waarvan in ieder geval niet is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 2.23, vierde lid.

§ 5. Overig

Hoofdstuk 3. Dierlijke producten

§ 1. Algemene regels over dierlijke producten

§ 2. Aanvullende regels over dierlijke bijproducten

Hoofdstuk 4. Toelating beroepen in de uitoefening van de diergeneeskunde

Artikel 4.1. Toelating dierenartsen en andere personen

1.

Tot het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen zijn toegelaten dierenartsen en andere personen die zijn ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4.3, eerste lid.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het beroepsmatig verrichten van diergeneeskundige handelingen en de toelating daartoe, in overeenstemming met EU-rechtshandelingen die betrekking hebben op beroepskwalificaties en diensten.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)