Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 29 juni 2011, nr. BJZ2011048144, houdende regels met betrekking tot bij de drink- en warm tapwatervoorziening te gebruiken materialen en chemicaliën (Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening)

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-24
State In force
Source BWB
artikelen 24
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Van de toxiciteitsstudies dienen de volledige, gedateerde en ondertekende rapporten te worden ingediend. De onderzoeken dienen te zijn uitgevoerd volgens internationaal aanvaarde methoden en richtlijnen, zoals beschreven in de richtlijn 67/548/EG en de meest recente versies van de OECD richtlijnen. Hiernaast dient het onderzoek uitgevoerd te zijn overeenkomstig de beginselen van good laboratory practice (OECD Principles of Good Laboratory Practice, Organisation for Economic Co-operation and Development, 1998, Parijs).

De teststoffen moeten nauwkeurig omschreven zijn (zie sectie 1) en dienen de commerciële stoffen te zijn, waarvoor een toelating wordt gevraagd. Met name dient de zuiverheid van de teststof, alsmede de identiteit van de verontreinigingen overeen te komen met die van de commerciële stof (zie bijlage D voor een nadere toelichting).

3.6.1. Genotoxiciteit

3.6.1.1. genmutatietest in bacteriën

Overeenkomstig de EG methode B.13/14 en de OECD Richtlijn 471

3.6.1.2. in vitro genmutatietest in zoogdiercellen

Overeenkomstig de EG methode B.17 en de OECD Richtlijn 476

3.6.1.3. in vitro chromosoomaberratietest in zoogdiercellen

Overeenkomstig de EG methode B.10 en de OECD Richtlijn 473

3.6.1.4. aanvullende informatie

Indien één van de bovengenoemde testen een positief of twijfelachtig resultaat geeft, kunnen resultaten van aanvullende mutageniteitstesten, inclusief in vivo testen, gevraagd worden. De keuze van de aanvullende test(en) wordt bepaald door de Subcommissie Toxiciteit.

3.6.2. Algemene toxiciteit

3.6.2.1. subchronische (90-dagen) orale toxiciteit

Overeenkomstig de EG methode B.26 en de OECD Richtlijn 408

3.6.2.2. chronische toxiciteit/carcinogeniteit

Overeenkomstig de EG methode B.33 en de OECD Richtlijn 453

3.6.2.3. reproductie/teratogeniciteit

Overeenkomstig de EG methoden B.34 en B.35 en de OECD Richtlijnen 421 en 422

3.6.2.4. aanvullende informatie

Aanvullende, relevante informatie, zoals bijvoorbeeld gegevens over acute en subacute (28-dagen) toxiciteit.

3.6.3. Metabolisme

3.6.3.1. absorptie, distributie, omzetting en excretie

Alle beschikbare, relevante informatie, inclusief die over mogelijke accumulatie in de mens

3.6.3.2. aanvullende informatie

Aanvullende informatie over het metabolisme van de stof die verder van belang kan zijn voor de beoordeling.

3.6.4. Overige studies

Indien de resultaten van bovenstaande studies of de chemische structuur van de stof daartoe aanleiding geven, kan informatie over effecten op het immuunsysteem, neurotoxiciteit, peroxisoom proliferatie e.d. gevraagd worden. De aard van de aanvullende studies wordt bepaald door de Subcommissie Toxiciteit.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 20a

1.

De Minister draagt zorg voor de bekendmaking van de op grond van deze regeling toepasselijke common approach middels terinzagelegging en publicatie op internet.

2.

Van de bekendmaking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 20b

1.

Een wijziging van de op grond van deze regeling toepasselijke common approach gaat, tenzij bij besluit van de Minister anders is bepaald, voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop van de wijziging mededeling is gedaan in de Staatscourant.

2.

Voor zover de wijziging slechts geldt ten aanzien van producten toegepast op of na een bepaalde datum, blijft, tenzij bij besluit van de Minister anders is bepaald, op producten die zijn toegepast voor die datum, de common approach zoals die voor de desbetreffende wijziging luidde van toepassing.

3.

Een besluit van de Minister als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt bekendgemaakt in Staatscourant.

Bijlage A. – Productomschrijving en beoordeling (bijlage behorend bij de Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening)

1. Onderscheid materialen en chemicaliën

Hieronder is indicatief aangegeven welke onderzoeks- en beoordelingsmethoden nodig zijn voor de toelating van een bepaald product. De commissie heeft de mogelijkheid anders te beslissen indien de samenstelling of het gebruiksdoel van het te beoordelen product daartoe aanleiding geeft.

2.2.1. Algemeen

De term ‘rubber’ wordt zowel gebruikt voor elastomeren die via vulkanisatie hun eigenschappen hebben verkregen als voor mengsels van deze elastomeren met één of meer hulpstoffen of additieven. Bij vulkanisatie wordt een netwerk gevormd op moleculaire schaal, gewoonlijk bij verhoogde temperatuur en al dan niet onder druk. Er bestaan ook niet gevulkaniseerde elastomeren, de zogenaamde thermoplastische elastomeren (TPE).

2.2.4. Elastomeren

Rubber (gevulkaniseerde) elastomeren zijn vrijwel onoplosbaar in kokend benzeen, methylethylketon of in een azeotropisch mengsel van ethanol en tolueen, maar onder invloed van deze vloeistoffen kan wel zwelling van het elastomeer optreden.

2.2.5. Positieve lijsten voor kunststoffen, elastomeren en rubberproducten

Monomeren en andere uitgangsstoffen, polymerisatiehulpstoffen en additieven dienen van een goede technische kwaliteit te zijn en mogen niet in grotere hoeveelheden worden gebruikt dan voor de vervaardiging van het eindproduct strikt noodzakelijk is.

2.2.6. Nevenproducten

tussenproducten en oligomeren ontstaan tijdens de polymerisatie;

De commissie kan in voorkomende gevallen besluiten tot een onderzoek naar onbekende stoffen met behulp van geëigende analysemethoden.

2.3. Folies

Voor de vervaardiging van kunststof folies worden in het algemeen drie verschillende PE-soorten gebruikt (zie paragraaf 2.2.2) en een weekgemaakt polyvinylchloride (PVC-P). Deze kunststoffen kunnen versterkt worden met een fijn- of wijdmazig weefsel.

De toetsing van de organoleptische aspecten en het vaststellen van de nagroei aspecten zijn niet van toepassing voor geomembranen.

2.4. Membranen

2.4.1. Omschrijving

2.4.2. Onderzoek en beoordeling

Indien voor het vaststellen van de migratie gebruik wordt gemaakt van de modelberekening beschreven in hoofdstuk 3 van bijlage C, dan gelden hierbij de volgende aannames en gegevens:

*) Een aantal van de materialen wordt toegepast aan de voedingskant van de membraanmodule. Migranten die hier in het water terecht komen, moeten het membraan passeren om in het drinkwater aanwezig te kunnen zijn. Bij de berekening hoeft geen rekening te worden gehouden met de verwijdering van de betreffende stof(fen).

2.5. Smeermiddelen

Het is in het algemeen niet zinvol om smeermiddelen aan een migratietest te onderwerpen. Meestal zal voor de toxicologische aspecten door middel van een beoordeling van de receptuur en berekeningen aangetoond kunnen worden dat het middel voldoet aan de gestelde eisen, met inachtneming van de voorschriften van de leverancier ten aanzien van toepassing en gebruik. Bij de berekening van de geschatte concentratie van een relevante stof in drink- of warm tapwater kunnen in overeenstemming met en in aanvulling op hoofdstuk 4 van bijlage C onder andere de volgende aspecten worden meegenomen:

2.6. Lijmen

Het is in het algemeen niet zinvol om lijmen aan een migratietest te onderwerpen. Meestal zal voor de toxicologische aspecten door middel van een beoordeling van de receptuur, waarbij een specificatieniveau van 1% (m/m) van toepassing is, en berekeningen aangetoond kunnen worden dat het middel voldoet aan de gestelde eisen met inachtneming van de voorschriften van de leverancier ten aanzien van toepassing en gebruik, zoals droog- en/of uithardtijd. Bij de berekening van de geschatte concentratie van een relevante stof in drink- of warm tapwater kunnen in overeenstemming met en in aanvulling op hoofdstuk 4 van bijlage C onder andere de volgende aspecten worden meegenomen:

2.7. Glijmiddelen

Het is in het algemeen niet zinvol om glijmiddelen aan een migratietest te onderwerpen. Meestal zal voor de toxicologische aspecten door middel van een beoordeling van de receptuur en berekeningen aangetoond kunnen worden dat het middel voldoet aan de gestelde eisen, met inachtneming van de voorschriften van de leverancier ten aanzien van toepassing en gebruik. Bij de berekening van de geschatte concentratie van een relevante stof in drink- of warm tapwater kunnen in overeenstemming met en in aanvulling op hoofdstuk 4 van bijlage C onder andere de volgende aspecten worden meegenomen:

2.8.1. Algemeen

Voor de beoordeling van metallische materialen geldt de common approach voor metallische materialen.

2.8.2. Bijzondere bepalingen

2.8.2.3 In afwijking op de tabel vermeld in paragraaf 2.6 van deel A – Acceptatieprocedure van de common approach geldt voor de parameter molybdeen een MTC van 30 µg/l en een bijbehorende referentieconcentratie van 15 µg/l.

2.8.2.6 Met uitzondering van de aanwezigheid van mogelijke organische resten op het oppervlak van metalen door het gebruik van hulpmiddelen, zoals smeer- en snijoliën tijdens de productie, eventueel in combinatie met bepaalde oppervlakte-eigenschappen (ruwheid), kan worden uitgesloten dat door deze producten microbiologisch afbreekbare organische verbindingen aan het drink- of warm tapwater worden afgegeven. Metalen worden dan ook niet onderzocht op microbiologische aspecten.

2.9. Cementgebonden producten

2.9.1.1. Omschrijving

2.9.2.1. Omschrijving

2.9.2.2. Onderzoek en beoordeling

2.10. Meerlagige en samengestelde producten

Het onderscheid tussen meerlagige en samengestelde producten is in de praktijk niet altijd duidelijk. Onder meerlagige producten worden in dit verband de niet 'ontleedbare' producten bedoeld. Samengestelde producten zijn 'ontleedbaar', de verschillende onderdelen kunnen afzonderlijk getest worden. In de praktijk worden de volgende meerlagige producten toegepast in de drink- of warm tapwatervoorziening:

Voor glasvezel versterkte producten betekent de beoordeling dat informatie is vereist over de samenstelling van de binnenlaag (liner), de tussenlaag (effective layer of structural layer) die onder andere glasvezels, glass rovings en polyester weefsel bevat en de buitenlaag (top coat). Aanvullend is informatie over het losmiddel vereist. Als algemene eis geldt dat de glasvezels volledig ingebed dienen te zijn.

2.10.2. Meerlagige producten met een barrièrelaag

In tegenstelling tot (laser) gelast aluminium kan in windingen op elkaar gelijmd aluminium doorlaatbaar zijn voor chemische stoffen.

2.10.2.2. Onderzoek en beoordeling

De toxicologische, organoleptische en microbiologische aspecten van meerlagige producten dienen onderzocht te worden in overeenstemming met hoofdstuk 2.2 (Kunststoffen en rubberproducten) van deze bijlage.

2.10.3. Samengestelde producten

Van de samengestelde producten dient voor alle onderdelen aangegeven te worden uit welke materialen of uit welk materiaal deze zijn gefabriceerd.

3. Chemicaliën

3.1. Inleiding

Onder chemicaliën vallen ook de daaruit samengestelde producten, inclusief biociden als bedoeld in de Biocidenverordening (EU) 528/2012. Op de biociden zijn de artikelen 12 tot en met 17 van hoofdstuk 4 van de regeling van toepassing.

3.2.1. Bentoniet

3.2.1.1. Omschrijving

Bentoniet (naar de vindplaats Fort Benton in Wyoming, Verenigde Staten) is een op vele plaatsen aangetroffen ruwe klei, die hoofdzakelijk bestaat uit mineralen van de montmorillonietgroep. De chemische formule is

3.2.1.2. Toepassing

3.2.1.3. Onderzoek en beoordeling

3.2.2. Boorhulpmiddelen

Boorhulpmiddelen worden toegepast bij het aanleggen van putten voor grondwaterwinning ter versterking van de boorgatwand. Het middel wordt tijdens het boren van de put toegevoegd aan het zogenaamde werkwater (mengsel van aanwezig grondwater en toegevoegd water) in relatief geringe hoeveelheden. Het werkwater wordt met het boorhulpmiddel na het boren van de put verwijderd. De put wordt vervolgens ingericht voor de winning van grondwater, schoon gepompt en in bedrijf genomen.

3.2.3. Filtermaterialen

Onder ‘filtermaterialen’ vallen in dit verband silicazand, silicagrind, actieve kool, antraciet, granaatzand, calciumcarbonaat en dolomiet.

3.2.3.1. Silicazand, silicagrind en antraciet

3.2.3.2. Actieve kool in korrelvorm

De waarde van 0,1 µg/l is de som van deze gespecificeerde verbindingen met een concentratie hoger dan de detectiegrens.

3.2.3.3. Actieve kool in poedervorm

Noot: Voor een uitdrukking van de eisen in mg/kg overeenkomstig NEN-EN 12903:2003 dient in de uitloogtest volgens NEN-EN 12902:2004 10g poederkool gedurende 24 uur in contact te zijn geweest met 1 liter water. Indien andere hoeveelheden poederkool gebruikt worden, dan dienen de gemeten concentraties lineair geëxtrapoleerd te worden naar een test met 10g poederkool per liter.

3.2.3.5. Calciumcarbonaat

3.2.3.6. Dolomiet

Dolomiet (half gebrand, met de chemische formule CaCO3.MgO) wordt omschreven in NEN-EN 1017:2014.

3.2.4. Ionenwisselaars en adsorberende kunstharsen

Ionenwisselaars en adsorberende kunstharsen dienen getest te worden in overeenstemming met NEN-EN 12873-3:2006 (zie bijlage C, paragraaf 1.4) met inachtneming van de instructies van de leverancier ten aanzien van eventuele voorbehandelingen.

3.3. Chemicaliën die als oplossing worden gebruikt

3.3.1. Antiscalants

Bij verdampingsinstallaties kan het antiscalant via overspatten (carry-over) terecht komen in het destillaat, dat wordt opgewerkt tot drink- of warm tapwater. Onder normale omstandigheden bedraagt de carry-over circa 0,4% en in de worst case situatie circa 4%. In het algemeen vindt bewaking plaats op basis van het zoutgehalte in het destillaat, waarmee wordt voorkomen dat de carry-over van het ruwe (zoute) water en daarmee tevens van het antiscalant te groot wordt.

De maximaal te verwachten concentraties in drink- of warm tapwater bij carry-over worden berekend op basis van de volgende gegevens:

Het antiscalant kan alleen via doorslag en lekkage terecht komen in het productwater, waaruit het drinkwater wordt bereid. Onder normale omstandigheden zal maximaal 0,1% van de gedoseerde hoeveelheid antiscalant in het drinkwater terecht komen. In het algemeen vindt een integriteitbewaking van de membranen plaats, waardoor eventuele scheuren in het membraan snel worden gesignaleerd. Hiermee wordt voorkomen dat, behalve onvoldoende gezuiverd water, ook te veel van het antiscalant in het productwater terecht komt.

Conditioneringsmiddelen worden bij de bereiding van drink- of warm tapwater toegepast om een optimale samenstelling van het drinkwater te verkrijgen. Toevoeging van conditioneringsmiddelen hebben onder meer als doel om corrosieverschijnselen en hinderlijke afzettingen in het distributiesysteem te beperken en het comfort van de gebruikers te verhogen door het leveren van ‘zacht water’.

3.3.2.1. Calciumhydroxide (Ca(OH)2) en calciumoxide (CaO)

Een omschrijving van calciumhydroxide en calciumoxide is weergegeven in NEN-EN 12518:2014.

Calciumoxide (ongebluste kalk) wordt ter plekke 'geblust' met water waarbij een suspensie van calciumhydroxide (kalkmelk) ontstaat.

In het algemeen wordt een onthardingsstap gevolgd door een filtratiestap om de carry-over van kalkdeeltjes af te vangen. Daarmee worden dan tevens de via het calciumhydroxide geïntroduceerde verontreinigingen gedeeltelijk verwijderd.

Bij het gebruik van calciumhydroxide en calciumoxide kan de concentratie van aluminium in het water toenemen. Bij een (dreigende) overschrijding van een waarde voor aluminium van 30 µg/l dient dit, in overeenstemming met het Drinkwaterbesluit, aan de toezichthouder gemeld te worden.

Natriumcarbonaat wordt verkregen door een natriumchlorideoplossing te verzadigen met ammoniak en koolzuur, waardoor natriumbicarbonaat gevormd wordt en neerslaat. Na filtratie wordt door verhitting natriumcarbonaat, waterdamp en koolzuur gevormd. Laatstgenoemde twee componenten ontwijken en het natriumcarbonaat wordt gekoeld en opgeslagen in silo’s.

3.3.2.3. Natriumhydroxide (NaOH)

Natriumhydroxide toegepast voor de behandeling van water bestemd voor menselijke consumptie is omschreven in NEN-EN 896:2012.

3.3.2.4. Zoutzuur (HCl)

Zoutzuur bestemd voor de behandeling van water voor menselijke consumptie is beschreven in NEN-EN 939:2009.

Zoutzuur wordt voor diverse doeleinden toegepast bij de drinkwaterproductie, zoals voor decarbonisatie van aanmaakwater voor kalkmelk en voor pH-verlaging van het effluent van pelletreactoren en van het voedingswater van membraanfiltratie-installaties. Het wordt in het algemeen geleverd als een oplossing van 33% of 36% in water. Het wordt geproduceerd door een reactie van chloorgas met waterstof, waarna het waterstofchloridegas wordt geabsorbeerd in gedemineraliseerd water.

3.3.3. Vlok(hulp)middelen

3.3.3.1. Vlokmiddelen op basis van aluminium

Voorbeelden van enige toegepaste middelen zijn:

Vlokmiddelen op basis van aluminium zijn als vaste stof een wit tot lichtbruine poeder, of komen voor in wit tot lichtbruine nootjes of brokken, met een gehalte van maximaal 470 g/kg aluminiumoxide, overeenkomend met ongeveer 250 g/kg Al. In vloeibare vorm zijn ze een heldere tot licht troebele, viskeuze, kleurloze tot lichtgele vloeistof. Het gehalte aan aluminiumoxide hierin is maximaal 235 g/kg, overeenkomend met ongeveer 125 g/kg Al. De dichtheid bij 20 °C varieert van 1,2 tot 1,35 kg/dm3.

Er zijn twee verschillende bereidingsprocedures, die uitgaan van een behandeling van aluminium(hydr)oxide met zoutzuur ofwel zwavelzuur.

De gehalten aan de hieronder genoemde componenten in de omschreven productvorm mogen niet hoger zijn dan de bij de desbetreffende bestanddelen aangegeven waarden:

De granulaten zijn als volgt samengesteld:

Als de concentratie van aluminium in het afgeleverde drinkwater hoger is dan 30 µg/l, dient dit aan de toezichthouder gemeld te worden in verband met het eventuele gebruik van het drink- of warm tapwater voor dialyse, in overeenstemming met het bepaalde in het Drinkwaterbesluit.

3.3.3.3. IJzer(III)chloride

Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg ijzer(III)chloride-oplossing (40%) van toepassing:

3.3.3.4. IJzer(III)chloridesulfaat

IJzer(III)chloridesulfaat (FeClSO4) wordt omschreven in NEN-EN 891:2004.

Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg ijzer(II)sulfaat kristallen van toepassing:

3.3.4. Warmteoverdrachtmedia en corrosieremmers

Het middel is toelaatbaar indien, in overeenstemming met de beoordelingsmethoden van de common approach voor organische materialen (deel A, onderdelen 3, 4 en 5) wordt vastgesteld dat geen nadelige effecten voor de gezondheid van de consument te verwachten zijn.

3.3.5. Andere chemicaliën

3.3.5.1. Kaliumpermanganaat

Voor de zware metalen zijn de volgende maximale gehaltes in mg/kg product van toepassing, waarbij geen rekening gehouden wordt met een mogelijke verwijdering in de verdere zuivering:

3.4. Gassen

3.4.1. Kooldioxide

Afhankelijk van de toegepaste productiemethode dient aanvullende informatie verstrekt te worden over de mate van aanwezigheid van de relevante verontreinigingen die vermeld zijn in tabel 2 van bijlage B van het EIGA (European Industrial Gases Association) document IGC Doc 70/08/E.

3.4.2. Zuurstof

Op basis van de verstrekte informatie over de onzuiverheden en de maximale dosering van het product worden de (maximaal) te verwachten concentraties van de betreffende stoffen in drink- of warm tapwater berekend. Onzuiverheden worden veelal opgegeven in vpm (volumedelen per miljoen). Aan de hand van de ideale gaswet en op basis van de maximale dosering, worden de gehaltes van de betreffende stoffen in het gas omgerekend naar de (maximaal) te verwachten concentratie in drink- of warm tapwater.

3.5. Reinigingsmiddelen

3.6. Desinfectiemiddelen

Voor toegelaten desinfectiemiddelen, die specifiek voor drink- of warm tapwater toepassingen bestemd zijn, wordt tevens een erkende kwaliteitsverklaring vereist. Deze eis is in lijn met artikel 2 van de Biocidenverordening dat in onderdeel 7 bepaalt ‘niets in deze verordening belet de lidstaten het gebruik van biociden in de openbare drinkwatervoorziening te beperken of te verbieden.’ Bovendien sluit het aan bij het bepaalde in artikel 4 van de Drinkwaterrichtlijn. Daarin is opgenomen dat lidstaten onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van andere communautaire bepalingen de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd drinkwater gezond en schoon is. Onderdeel daarvan is dat het drinkwater geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat in hoeveelheden of concentraties die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren.

Bijlage B. – Positieve lijsten (bijlage behorend bij de Regeling materialen en chemicaliën drink- en warm tapwatervoorziening)

1. Positieve lijsten voor kunststoffen, elastomeren en rubberproducten

1.1. Kunststoffen

Voor de beoordeling van kunststoffen geldt de common approach voor organische materialen.

1.2. Elastomeren en rubber producten

1.3. Nadere eisen en omschrijvingen

1.3.3 Voor de volgende groepen van verbindingen, met uitzondering van stoffen die afzonderlijk zijn opgenomen in de onder 1.1 en 1.2 genoemde lijsten, geldt MTC(T) = 0,1 µg/l:

1.3.8 De subparagrafen 5.1 tot en met 5.6 en subparagraaf 5.1 van paragraaf 5 Eisen gesteld aan het eindproduct van Hoofdstuk III van de WVG zijn niet van toepassing voor rubber producten die in contact komen met drinkwater en warm tapwater.

2. Kleurstoffen en pigmenten

2.1. Eisen gesteld aan kleurstoffen en pigmenten

Bij extractie met 2 N ethanolisch zoutzuur mogen uit de kleurstof of het pigment ten hoogste 0,05% aromatische aminen, berekend op kleurstof of pigment, in oplossing gaan.

2.2. Eisen gesteld aan het gekleurde eindproduct

Bijlage C. – Onderzoeksmethoden

1. Migratietesten

1.1. Migratietesten voor de toetsing aan de MTC

1.1.2. Ter plekke toegepaste organische materialen (niet zijnde metalen of cementproducten)

1.1.3. Membranen

1.1.4. Ionenwisselaars en adsorptieharsen

1.1.5. Metalen

1.1.6. Migratietest voor cementproducten

Voor ter plekke toegepaste materialen en geassocieerde cementproducten is nog geen norm beschikbaar. De commissie kan een methode aanwijzen.

1.2. Migratietesten voor een beoordeling van de organoleptische aspecten

1.2.1. Organische, fabrieksmatig gefabriceerde producten van distributiesystemen

1.2.2. Organische materialen van voorraadsystemen

1.2.4. Ionenwisselaars en adsorptieharsen

1.2.5. Metalen

1.2.6. Cementproducten

Voor de bepaling van de invloed van fabrieksmatig vervaardigde cementproducten op de organoleptische aspecten van water bestemd voor menselijke consumptie wordt het migratiewater verkregen als beschreven in NEN-EN 14944-1:2006 (en).

1.2.7. Technologische hulpstoffen

2. Bepalingsmethoden

2.1.1. Geur en smaak

2.1.2. Kleur

De kwantitatieve bepaling van de kleur van het migratiewater verkregen met de testen genoemd onder 1.2.1 tot en met 1.2.6 wordt uitgevoerd volgens methode C beschreven in NEN-EN-ISO 7887: 2012. De grenswaarde is 10 mg/l Pt in drinkwater of warm tapwater.

2.1.3. Troebelingsgraad

De kwantitatieve bepaling van de troebelingsgraad van het migratiewater verkregen met de testen genoemd onder 1.1.1 tot en met 1.1.4 en 1.2.6 wordt uitgevoerd volgens de methode beschreven in NEN-EN-ISO 7027:2000 (en). De grenswaarde voor de troebelingsgraad is 1 FTE in drinkwater of warm tapwater.

2.2. Bepalingsmethode voor het vaststellen van nagroei (microbiologische test)

Voor het vaststellen van nagroei is de norm NEN-EN 16421:2014 van toepassing. In NEN-EN 16421:2014 zijn de testmethoden Biomass Production Potentential (BPP), Biofilm Volume (VM) en Mean Dissolved Oxygen Depletion (MDOD) beschreven.

Indien de beoordelingscriteria, die gehanteerd worden bij de VM en MDOD testmethode, een aan het beoordelingscriterium voor BPP gelijkwaardig beschermingsniveau bieden, dan kunnen de testresultaten verkregen met de VM of MDOD methode gebruikt worden. Voor VM betreft dit het beoordelingscriterium van 0,05 ± 0,02 ml slijmvolume /800 cm2.

2.3.1. TOC

2.4. Bepalingsmethoden voor het vaststellen van het koolstofgehalte op het binnenoppervlak van koperen buizen en fittingen

Als leidraad voor de berekening van de migratie van stoffen uit materialen die in contact komen met drink- of warmtapwater kan gebruik gemaakt worden van de onder 3.1 genoemde formules en aannames afgeleid van het Piringer model met inachtneming van de criteria vermeld in hoofdstuk 4 van bijlage C. De berekeningen dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met de laatste stand van wetenschap en techniek, dit ter oordeel van de commissie. Indien een berekening van de te verwachten concentratie in het drink- of warmtapwater op basis van het gebruikte migratiemodel lager is dan de geldende MTC, dan is de uitvoering van een migratietest in het laboratorium niet noodzakelijk.

3.1. Formules en aannames

ρP = de dichtheid van het materiaal P (g/cm3);

cF,∞ = het evenwichtsgehalte van een migrant in vloeistof F (mg/kg);

DP = de diffusiecoëfficiënt van een migrant in materiaal P (cm2/s);

Bij de berekening wordt verondersteld dat bij het begin van het massatransport de migrant homogeen is verdeeld in het polymere materiaal P en dat er geen grensweerstand is voor stofoverdracht tussen P en F. De migrant wordt ook homogeen verdeeld in F en de totale hoeveelheid van de migrant in P en F is gedurende het migratieproces constant. Bij drink- of warmtapwatertoepassingen (leidingmaterialen) dient altijd aan de volgende randvoorwaarden te worden voldaan:

Indien wordt aangenomen dat de dikte van de verpakking (bv. de buiswand) oneindig is (voldoende ‘voorraad’ aan migrant dus), dat de oplosbaarheid van de migrant in de goed gemengde vloeistof hoog is en dat het migratieproces ver beneden het evenwicht ligt (minder dan 60% van de beginconcentratie is gemigreerd), dan resulteert vergelijking 1 in:

De partitiecoëfficiënt geeft de verdeling weer tussen de concentratie van een migrant in het kunststof materiaal en in het medium waarmee dat materiaal in contact staat. De waarde van de verdelingscoëfficiënt is afhankelijk van de mate van interactie tussen de migrant en het kunststof materiaal enerzijds, en tussen de migrant en het medium anderzijds. Dat betekent dat ieder ‘koppel’ kunststof/medium/migrant een eigen waarde voor de verdelingscoëfficiënt heeft. Bij gebrek aan specifieke data kan de verdelingscoëfficiënt van een migrant tussen het kunststof materiaal en het medium KP,F = 1 worden genomen als de migrant goed oplosbaar is in het medium. Als een migrant ‘niet’ oplosbaar is in het medium kan KP,F = 1.000 worden genomen. Indien experimenteel vastgestelde verdelingscoëfficiënten beschikbaar zijn, dan verdient het aanbeveling deze te gebruiken.

Voor de diffusiecoëfficiënt geldt een vergelijkbare afhankelijkheid als bij de verdelingscoëfficiënt. De diffusiecoëfficiënt is afhankelijk van eigenschappen van het polymeer en de migrant. De maximale diffusiecoëfficiënt (DP* i.p.v. DP) kan berekend worden op basis van de massa van de migrant en twee polymeer specifieke constanten:

4. Berekening van de verwachte concentratie van een stof in drink- of warm tapwater

Bijlage D. – Beoordelingsmethoden

Vervallen

Bijlage E. – Te verstrekken algemene en specifieke gegevens voor de toxicologische beoordeling van producten, niet zijnde metalen, of de samenstellende grond- en hulpstoffen hiervan of de eindproducten van metalen

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)