Wet primair onderwijs BES

Type Wet Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
artikelen 306
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Hoofdstuk I. Basisonderwijs

Titel I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze wet wordt verstaan onder:

basisregister onderwijs: een basisregister onderwijs als bedoeld in artikel 24b van de Wet op het onderwijstoezicht;

bevoegd gezag: voor wat betreft

  • a. een openbare school:
  • 1°. het bestuurscollege van het betreffende openbaar lichaam, voor zover de eilandsraad niet anders bepaalt, en, indien de eilandsraad dit besluit, met inachtneming van door hem te stellen regelen;
  • 2°. de openbare rechtspersoon, bedoeld in artikel 53; dan wel
  • b. een bijzondere school: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 60;

bijzondere school: een door een natuurlijk persoon of een privaatrechtelijke rechtspersoon, niet zijnde een stichting als bedoeld in artikel 54, in stand gehouden school;

expertisecentrum onderwijszorg: de rechtspersoon, bedoeld in artikel 28, eerste lid;

inspectie of inspecteur: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht, voor zover belast met taken op het gebied van het basisonderwijs;

Onderwijsraad: de Onderwijsraad, bedoeld in de Wet op de Onderwijsraad;

Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;

openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;

openbare rechtspersoon: een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld als bedoeld in artikel 53;

openbare school:

  • a. een door een openbaar lichaam, al dan niet tezamen met een of meer privaatrechtelijke rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid in stand gehouden school;
  • b. een door een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 53 in stand gehouden school; dan wel
  • c. een door een stichting als bedoeld in artikel 54 in stand gehouden school;

ouders: ouders, voogden of verzorgers;

personeel:

  • a. de benoemde directeur, het personeel benoemd in een functie voor het geven van onderwijs, het personeel benoemd in een andere functie dan het geven van onderwijs, of het personeel dat is benoemd voor het verrichten van werkzaamheden ten behoeve van meer dan een school, waaronder begrepen de leden van het bestuur van die scholen die zijn benoemd door een raad van toezicht als bedoeld in artikel 25, derde lid, voor zover die leden mede zijn benoemd op basis van een arbeidsovereenkomst of een schriftelijke aanstelling;
  • b. het onder a bedoelde personeel dat zonder benoeming is tewerkgesteld, tenzij het betreft de toepassing van de artikelen 37, 39, 40, 58 en 64, voor zover niet anders is bepaald, en de toepassing van daarmee verband houdende wettelijke bepalingen;

persoonsgebonden nummer BES: het administratienummer van de leerling, dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer, bedoeld in artikel 46, vierde lid;

Rijksvertegenwoordiger: Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

school: een school waar basisonderwijs wordt gegeven;

school voor voortgezet onderwijs: een school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020, in een openbaar lichaam;

schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend;

verklaring omtrent het gedrag: verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag BES;

vroegschoolse educatie: uitvoering van een programma, gericht op het verbeteren van de voorwaarden voor het met succes doorstromen in het basisonderwijs, dat wordt verzorgd in groep 1 en 2 van een basisschool als vervolg op de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang BES.

Artikel 2. Doelgroep

Het basisonderwijs is het onderwijs bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van omstreeks 4 jaar. Het legt mede de grondslag voor het volgen van aansluitend voortgezet onderwijs.

Artikel 3. Bevoegdheid schoolonderwijs
1.

Schoolonderwijs mag, onverminderd het derde lid, slechts worden gegeven door degene die:

  • a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan zes maanden,
  • b. in het bezit is van:
  • 3°. een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 137, en
  • c. niet krachtens rechterlijke uitspraak van het geven van onderwijs is uitgesloten.
2.

Het onderwijs in de onderwijsactiviteit zintuiglijke en lichamelijke oefening in het derde tot en met achtste schooljaar kan in afwijking van het eerste lid, onderdeel b. 1°, behalve door degene die beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen voor het geven van lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs, uitsluitend worden gegeven door degene die:

  • a. beschikt over een in dat onderdeel b. 1° bedoeld getuigschrift waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 35, eerste lid, en
  • b. in het bezit is van een bij ministeriële regeling aangewezen getuigschrift dat specifiek is gericht op de bekwaamheid tot het geven van dat onderwijs, of onderwijs volgt ter verkrijging van een dergelijk getuigschrift, in welk laatste geval betrokkene het onderwijs in deze onderwijsactiviteit mag geven gedurende ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren, gerekend vanaf het moment waarop betrokkene het onderwijs ter verkrijging van dit getuigschrift voor de eerste maal volgt.
3.

Onze Minister kan aan personen die in het bezit zijn van een buiten de Europese Economische Ruimte of Zwitserland behaald bewijsstuk waarmee de bekwaamheid wordt aangetoond, de bevoegdheid tot het geven van schoolonderwijs verlenen. Hij kan daarbij voorwaarden en beperkingen stellen.

4.

Ten aanzien van studenten die een duale opleiding volgen als bedoeld in artikel 7.7 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek leidend tot een getuigschrift als bedoeld in het eerste lid, onder b.1°, en aan die opleiding ten minste 180 studiepunten hebben behaald, kan worden afgeweken van de eisen in het eerste lid onder b, met dien verstande dat het tijdelijk dienstverband van de student een periode beslaat die overeenkomt met een volledig dienstverband van vijf maanden. De vorige volzin is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van studenten die ten minste 166 doch nog geen 180 studiepunten hebben behaald, indien door de desbetreffende hogeschool wordt verklaard dat de student beschikt over met 180 studiepunten vergelijkbare en tevens voor het dienstverband relevante kennis, inzicht en vaardigheden. De toepassing van de vorige volzin vervalt ten aanzien van die student die niet binnen vier weken na aanvang van het dienstverband over 180 studiepunten beschikt. De in artikel 7.7, vijfde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bedoelde overeenkomst vermeldt tevens de leraar onder wiens verantwoordelijkheid de betrokken student werkzaamheden van onderwijskundige aard verricht.

Artikel 4. Bevoegdheid onderwijsondersteunende werkzaamheden
1.

Onderwijsondersteunende werkzaamheden als bedoeld in artikel 35, derde lid, mogen slechts worden verricht door degene die:

  • a. in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan zes maanden, en
  • d. volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
  • e. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van deze werkzaamheden.
2.

De onderwijsondersteunende functionaris die niet voldoet aan de eisen van het eerste lid, onder b, c of d, mag voor zover het werkzaamheden betreft waarvoor op grond van artikel 35, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor een periode van ten hoogste twee jaren. Aan de eerste volzin wordt uitsluitend toepassing gegeven indien het bevoegd gezag en betrokkene in ieder geval schriftelijk hebben verklaard dat betrokkene verplicht is zich in te spannen om binnen twee jaren alsnog te voldoen aan de bekwaamheidseisen voor die werkzaamheden.

3.

Ten aanzien van studenten aan een opleiding als bedoeld in artikel 7.7, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en studenten aan de beroepsbegeleidende leerweg van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES die in het kader van die opleiding onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten waarvoor op grond van artikel 35, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, kan voor de duur van die werkzaamheden worden afgeweken van het eerste lid, onder b tot en met d.

Artikel 5. Kosten van voeding, kleding of vervoer voor leerlingen
1.

Bij eilandsverordening worden regels gegeven met betrekking tot het verstrekken van voeding en kleding aan alsmede het mogelijk maken van vervoer naar en van school voor leerlingen die zonder deze voorzieningen redelijkerwijs niet in staat zouden zijn de school geregeld te bezoeken als bedoeld in de artikelen 6 en 7 van de Leerplichtwet BES.

2.

De eilandsverordening maakt geen onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs.

3.

De eilandsverordening eerbiedigt de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school.

4.

De eilandsverordening voorziet erin dat het vervoer kan plaatsvinden op een wijze die voor de leerling passend is.

5.

De eilandsverordening kan bepalen dat het openbaar lichaam, in plaats van vergoeding in geld te geven, het verstrekken van voeding of kleding of het vervoer verzorgt of doet verzorgen.

6.

De eilandsverordening kan bepalen dat het bestuurscollege in bijzondere gevallen de bevoegdheid heeft ten gunste van de ouders van de inhoud van de eilandsverordening af te wijken.

7.

De eilandsverordening bepaalt dat voor leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken, een adequate voorziening wordt getroffen.

Artikel 6. Verplichting tot overleg en aangifte inzake zedenmisdrijven
1.

Indien het bevoegd gezag op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van zijn school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf tegen de zeden als bedoeld in het Tweede Boek, titel XIV, van het Wetboek van Strafrecht BES jegens een leerling van de school, treedt het bevoegd gezag onverwijld in overleg met de vertrouwensinspecteur, bedoeld in artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht.

2.

Indien uit het overleg, bedoeld in het eerste lid, moet worden geconcludeerd dat er sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, doet het bevoegd gezag onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES, en stelt het bevoegd gezag de vertrouwensinspecteur daarvan onverwijld in kennis. Voordat het bevoegd gezag overgaat tot het doen van aangifte, stelt het de ouders van de betrokken leerling, onderscheidenlijk de betreffende ten behoeve van de school met taken belaste persoon, hiervan op de hoogte.

3.

Indien een personeelslid op enigerlei wijze bekend is geworden dat een ten behoeve van de school met taken belast persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan een misdrijf als bedoeld in het eerste lid jegens een leerling van de school, stelt het personeelslid het bevoegd gezag daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 7. Niet uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs

Het bevoegd gezag van een bijzondere school geeft binnen vier weken na de oprichting van de school onder overlegging van de statuten van de rechtspersoon, die de school in stand houdt, en van de reglementen, van die oprichting kennis aan Onze Minister. Indien de statuten of reglementen worden gewijzigd of ingetrokken, wordt eveneens binnen vier weken van de wijziging of van de intrekking van de statuten of reglementen aan Onze Minister kennis gegeven.

Artikel 8. Uitgaven uit de openbare kas

Ten laste van een andere openbare kas dan van Rijk en openbaar lichaam worden geen scholen in stand gehouden, noch uitgaven voor een school gedaan. Openbare lichamen doen geen uitgaven voor een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dan krachtens de wet.

Artikel 9. Reikwijdte wet
1.

Deze wet is niet van toepassing op scholen die uitsluitend bestemd zijn voor kinderen die niet de Nederlandse nationaliteit hebben.

2.

Bij twijfel of op een school het eerste lid van toepassing is, besluit de Kroon, de Raad van State gehoord.

Titel II. Openbaar en uit de openbare kassen bekostigd bijzonder onderwijs

Afdeling 1. Regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder onderwijs

§ 1. Onderwijs

§ 1. Onderwijs

§ 3. Personeel

Artikel 31. Directie, leraren en onderwijsondersteunend personeel
1.

Aan elke school zijn 1 of 2 directeuren verbonden, bij wie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust. De functie van directeur kan minder dan een volledige formatieplaats omvatten. De directeur van een school kan tevens met de leiding worden belast van een andere school waar de functie van directeur vacant is. De directeur van een school kan tevens directeur zijn van een andere school.

2.

Aan een school zijn een of meer leraren verbonden.

3.

Een of meer leraren kunnen tevens tot adjunct-directeur worden benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming. Indien geen adjunct-directeur wordt benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming en aan de school slechts 1 directeur is verbonden, wijst het bevoegd gezag een leraar aan als plaatsvervanger van de directeur.

4.

Voor zover het betreft de functie van directeur en adjunct-directeur, wordt in geval van samenvoeging van scholen de overblijvende school gelijkgesteld met een nieuwe school. De directeur, onderscheidenlijk de adjunct-directeur of adjunct-directeuren, kan slechts een van de directeuren onderscheidenlijk kunnen slechts een of meer van de adjunct-directeuren van de samen te voegen scholen zijn, tenzij geen van de betrokkenen de desbetreffende functie wenst te aanvaarden.

5.

Het bevoegd gezag kan tevens personeel, dat werkzaamheden verricht ten behoeve van meer dan een school, benoemen of tewerkstellen zonder benoeming waaronder begrepen leden van het bestuur van die scholen voor zover het intern toezicht wordt uitgeoefend door een raad van toezicht als bedoeld in artikel 25, derde lid.

6.

Aan een school kan onderwijsondersteunend personeel zijn verbonden.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald welke rechtspositionele gevolgen zijn verbonden aan functies die zowel onderwijsgevende als onderwijsondersteunende taken omvatten.

8.

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van de verschillende categorieën personeel van de school. Indien toepassing is gegeven aan het vijfde lid, stelt het bevoegd gezag tevens jaarlijks het beleid vast met betrekking tot de formatie van dat personeel. Zoveel mogelijk tegelijk met de vaststelling van het in de eerste en tweede volzin bedoelde beleid met betrekking tot de formatie, bepaalt het bevoegd gezag functies en taken van het personeel van de school, met inachtneming van de daaromtrent bij algemene maatregel van bestuur te geven nadere voorschriften, en in voorkomend geval functies en taken van het in het vijfde lid bedoelde personeel.

Artikel 32. Overdracht taken en bevoegdheden
1.

Het bestuur kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen taken en bevoegdheden overdragen aan de directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen.

2.

De directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen, kan hem bij wettelijk voorschrift opgedragen, of door het bevoegd gezag overgedragen, taken en bevoegdheden overdragen aan elkaar of aan de adjunct-directeur.

Artikel 33. Vaststelling managementstatuut
1.

Het bevoegd gezag stelt na overleg met de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, met het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen, een managementstatuut vast. In het managementstatuut is ten minste een regeling opgenomen betreffende de bevoegdheden van de directeur en indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, tevens van de bevoegdheden van het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen en met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging.

2.

Het managementstatuut bevat tevens de aanduiding van de andere aan het bevoegd gezag bij wettelijk voorschrift toegekende taken en bevoegdheden waarvan het bevoegd gezag heeft bepaald dat de directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen, deze in naam van het bevoegd gezag kan uitoefenen. Het managementstatuut bevat voorts instructies ten aanzien van deze taken en bevoegdheden.

3.

In het managementstatuut worden tevens vastgelegd:

  • a. de taken en bevoegdheden die het bestuur overdraagt aan de directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen, indien toepassing is gegeven aan artikel 32, eerste lid;
  • b. de taken en bevoegdheden die het bestuur, de directeur van de school of indien toepassing is gegeven aan artikel 31, vijfde lid, het in dat artikellid bedoelde personeel voor zover dat is belast met managementtaken met betrekking tot de scholen overdraagt aan de adjunct-directeur, indien toepassing is gegeven aan artikel 32, tweede lid; en
  • c. de richtlijnen voor de uitoefening van de overgedragen taken en bevoegdheden.
4.

Het bevoegd gezag stelt het managementstatuut, alsmede elke wijziging daarvan, zo spoedig mogelijk na de vaststelling op een voor eenieder toegankelijke wijze beschikbaar.

Artikel 34. Vereisten benoeming of tewerkstelling personeel
1.

Directeuren, adjunct-directeuren en leraren worden door het bevoegd gezag benoemd dan wel tewerkgesteld zonder benoeming.

2.

Tot directeur of adjunct-directeur kan slechts worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming degene die:

  • a. in het bezit is van:
  • 1°. een verklaring omtrent het gedrag die op het tijdstip van overlegging aan het bevoegd gezag niet ouder is dan 6 maanden,
  • b. voor zover tot de functie werkzaamheden behoren waarvoor op grond van artikel 35, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, in het bezit is van:
  • 3°. een bewijsstuk dat hij volgens bij algemene maatregel van bestuur te geven regels zijn bekwaamheid heeft aangetoond, en
  • c. niet krachtens rechterlijke uitspraak is uitgesloten van het verrichten van de werkzaamheden waarop de benoeming of de tewerkstelling zonder benoeming is gericht.
3.

De directeur of adjunct-directeur die niet voldoet aan de eisen van het tweede lid, onder b, mag voor zover het werkzaamheden betreft waarvoor op grond van artikel 35, tweede lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, niettemin met die werkzaamheden worden belast, voor een periode van ten hoogste twee jaren.

4.

De directeur of adjunct-directeur die op grond van artikel 3 bevoegd is tot het geven van onderwijs of die op grond van artikel 4 bevoegd is tot het verrichten van de daar bedoelde onderwijsondersteunende werkzaamheden, kan tevens worden belast met het geven van onderwijs respectievelijk met het verrichten van die onderwijsondersteunende werkzaamheden.

5.

Om te kunnen worden benoemd of tewerkgesteld zonder benoeming tot leraar dient betrokkene te voldoen aan artikel 3, eerste lid, of op grond van het derde lid van dat artikel bevoegd te zijn tot het geven van onderwijs.

6.

De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met werkzaamheden waarvoor op grond van artikel 35, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient te voldoen aan artikel 4, eerste lid, onverminderd het tweede en derde lid van dat artikel.

7.

De onderwijsondersteunend functionaris die wordt belast met andere werkzaamheden dan die waarvoor op grond van artikel 35, derde lid, bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, dient:

  • b. te voldoen aan de overige vereisten voor de te vervullen functie.
8.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere voorschriften gegeven omtrent de vereisten, bedoeld in het zevende lid, onder b.

9.

Indien betrokkene in het bezit is van een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 137 vindt de benoeming of tewerkstelling zonder benoeming plaats voor een periode van ten hoogste twee aaneengesloten schooljaren. Het bevoegd gezag kan deze benoemingsperiode, al dan niet onder door dat gezag te stellen voorwaarden, verlengen met ten hoogste twee jaren indien het bevoegd gezag daarvoor redenen aanwezig acht. Het bevoegd gezag beschikt over geordende gegevens met betrekking tot de toepassing van de tweede volzin. Het bevoegd gezag dat betrokkene voor de eerste maal na afgifte van de geschiktheidsverklaring benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, tekent het feit en de datum van benoeming of tewerkstelling zonder benoeming aan op die verklaring.

Artikel 35. Bekwaamheidseisen
1.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bekwaamheidseisen vastgesteld voor leraren.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor werkzaamheden van leidinggevende aard die nauw verband houden met het pedagogisch-didactische klimaat op de school of die onderwijskundige leiding omvatten, en kunnen ook voor andere werkzaamheden van leidinggevende aard bekwaamheidseisen worden vastgesteld.

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bekwaamheidseisen worden vastgesteld voor bij die maatregel aan te wijzen onderwijsondersteunende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het onderwijsleerproces.

4.

De in het eerste lid bedoelde bekwaamheidseisen zijn gericht op het handelen in het onderwijsleerproces, het algemeen professioneel handelen en het werken binnen een onderwijsorganisatie. Zij omvatten in elk geval eisen ten aanzien van:

  • a. pedagogisch-didactische kennis, inzicht en vaardigheden, en
  • b. vakbekwaamheid.
5.

Onze Minister stelt een beroepsorganisatie die hij vanuit het oogpunt van beroepskwaliteit representatief acht voor onderwijspersoneel als bedoeld in deze wet, in de gelegenheid hem een voorstel te doen voor de in het eerste, tweede of derde lid voorgeschreven bekwaamheidseisen en kan een representatief geachte beroepsorganisatie in de gelegenheid stellen hem een voorstel te doen voor bekwaamheidseisen die op grond van het tweede lid kunnen worden vastgesteld. Onze Minister stelt deze organisatie vervolgens in elk geval eenmaal in de zes jaar in de gelegenheid, hem een voorstel te doen over ongewijzigde handhaving of wijziging van de bekwaamheidseisen voor zover vastgesteld. Uit een voorstel als bedoeld in de eerste of tweede volzin blijkt tevens, in hoeverre dat voorstel mede steun geniet van een vertegenwoordiging van bevoegde gezagsorganen en ouders van de leerlingen.

Artikel 36. Bekwaamheidsdossier

Het bevoegd gezag beschikt ten aanzien van elk personeelslid dat een functie of werkzaamheden verricht waarvoor bekwaamheidseisen zijn vastgesteld, over geordende gegevens met betrekking tot de bekwaamheid en het onderhouden van de bekwaamheid. Ten behoeve van de onderlinge vergelijkbaarheid en herkenbaarheid van de gegevens kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld over de inrichting en wijze van ordening van deze gegevens.

Artikel 37. Rechtspositieregeling personeel van een bijzondere school
1.

De Ambtenarenwet BES en de daarop berustende regelingen zijn voor het personeel van een school voor bijzonder onderwijs van overeenkomstige toepassing.

2.

Voor de salarissen en toelagen van het personeel wordt een regeling vastgesteld bij eilandsbesluit.

3.

Het bestuurscollege stelt de regeling, bedoeld in het tweede lid, dan wel een wijziging daarvan niet vast dan nadat daarover op overeenstemming gericht overleg is gevoerd met de bevoegde gezagsorganen en met de onderwijsvakbonden of, bij het ontbreken daarvan, met een representatief te achten vertegenwoordiging van het personeel. Artikel 101 van de Ambtenarenwet BES is niet van toepassing op de vaststelling dan wel wijziging van de regeling, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 38. Afwijking nationaliteitsvereiste

Artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van het Rechtspositiebesluit ambtenaren BES is niet van toepassing op het personeel.

Artikel 39. Benoeming, schorsing en ontslag

Het bevoegd gezag benoemt, schorst en ontslaat het personeel. Van een benoeming in vaste dienst en in tijdelijke dienst voor langer dan een half jaar, alsmede van een ontslag uit een zodanige betrekking, doet het bevoegd gezag terstond mededeling aan de inspecteur.

Artikel 40. Benoeming in algemene dienst
1.

Het bevoegd gezag benoemt de directeur en de adjunct-directeur, de leraren en het onderwijsondersteunend personeel in algemene dienst van het bevoegd gezag.

2.

Onder benoeming in algemene dienst van het bevoegd gezag wordt verstaan een benoeming ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden aan door het bevoegd gezag in stand gehouden scholen.

Artikel 41. Verplichting tot bieden van stagemogelijkheden
1.

Het bevoegd gezag is verplicht aan studenten die in opleiding zijn voor een functie in het basisonderwijs of in het voortgezet onderwijs, gelegenheid te bieden de als onderdeel van hun opleiding vereiste ervaring in de school te verkrijgen.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, betreft:

  • a. studenten die op een school voor de opleiding van onderwijzend personeel zijn ingeschreven of anderszins studeren om aan de bekwaamheidseisen te voldoen;
  • b. in een schooljaar gelijktijdig niet meer studenten als bedoeld onder a, dan de helft van het aantal groepsleraren in dat jaar.
3.

Een bevoegd gezag kan een student de verdere toegang tot de school ontzeggen indien deze in de school in strijd handelt met de grondslag en doelstellingen van de school. Van een beslissing tot ontzegging van de toegang tot de school wordt mededeling gedaan door toezending of uitreiking van een afschrift aan het bevoegd gezag van de betrokken opleidingsinstelling.

4.

De directeur regelt, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de werkzaamheden in verband met de begeleiding door het onderwijzend personeel van de studenten in de school in overeenstemming met dit personeel, alsmede in overeenstemming met de betrokken opleidingsinstellingen, dan wel, indien het betreft studenten die zich voorbereiden op het afleggen van een staatsexamen om te voldoen aan de bekwaamheidseisen, in overeenstemming met de betrokken staatsexamencommissie.

5.

Onze Minister kan het bevoegd gezag op grond van bijzondere omstandigheden gehele of gedeeltelijke ontheffing van de verplichting verlenen. De ontheffing geldt voor een schooljaar.

6.

De scholen waarop studenten als bedoeld in het eerste lid zijn toegelaten, zijn toegankelijk voor de inspectie belast met het toezicht op de opleidingsinstellingen, voor de directeuren en de door deze aan te wijzen leraren van die opleidingsinstellingen, alsmede voor de leden van de betrokken staatsexamencommissies, een en ander voor zover zulks voor de uitoefening van het toezicht op de praktische vorming, onderscheidenlijk de begeleiding van de praktische vorming van de in de school aanwezige studenten noodzakelijk is.

Artikel 42. Scholings- en begeleidingsovereenkomst zij-instroom in het beroep
1.

Degene die beschikt over een in artikel 137 bedoelde geschiktheidsverklaring, het bevoegd gezag dat betrokkene benoemt of tewerkstelt zonder benoeming, en het bestuur van een instelling die werkzaamheden uitvoert als bedoeld in artikel 142, eerste lid onder a, sluiten een overeenkomst die hun wederzijdse rechten en plichten omvat met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijk geachte scholing en begeleiding, met inachtneming van de beoordeling, bedoeld in artikel 138, tweede lid, onder c. Indien na het sluiten van de overeenkomst blijkt dat de scholing of begeleiding niet volgens de overeenkomst kan worden uitgevoerd, treft het bevoegd gezag tijdig een toereikende vervangende voorziening.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorschriften worden gegeven voor de uitvoering van het eerste lid, waaronder in elk geval voorschriften ter waarborging van de kwaliteit van het daarin bepaalde.

3.

Voor zover betrokkene de werkzaamheden ten aanzien waarvan hem een geschiktheidsverklaring is verstrekt, verricht bij twee of meer bevoegde gezagsorganen, dragen deze bevoegde gezagsorganen er zorg voor dat de overeenkomsten, bedoeld in het eerste lid, waarbij zij ten aanzien van betrokkene partij zijn, op elkaar worden afgestemd. Zonodig wordt een al gesloten overeenkomst daartoe gewijzigd.

§ 4. Leerlingen

§ 5. Ouders

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

Afdeling 3. Overige voorwaarden voor bekostiging uit de openbare kassen van het bijzonder onderwijs

Titel III. Bekostiging

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 66. Algemene bepalingen bekostiging scholen
1.

Het Rijk bekostigt openbare en de bijzondere scholen met in achtneming van deze titel, met uitzondering van afdeling 3.

2.

Geen bekostiging vindt plaats indien leerlingen van verschillende scholen al dan niet van hetzelfde bevoegd gezag gezamenlijk onderwijs ontvangen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid. Deze algemene maatregel van bestuur bevat in ieder geval een regeling van de termijnen waarbinnen besluiten moeten worden genomen.

Artikel 67. Aanvullende middelen
1.

Onze Minister kan aanvullende middelen ter beschikking stellen die niet strekken tot bekostiging van het onderwijs, bedoeld in deze wet, wet, of de schoolbegeleiding ten behoeve daarvan, maar direct of indirect nodig zijn voor de uitvoering van het onderwijs of voor de bevordering van deelname aan het onderwijs.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

Artikel 68. Grondslag bekostiging zorg leerlingen met specifieke onderwijsbehoefte
1.

Het Rijk bekostigt openbare en bijzondere scholen voor zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte. Deze bekostiging is verwerkt in de bedragen, bedoeld in artikel 100.

2.

Onze Minister kan aan een of meer scholen extra bekostiging verstrekken voor de zorg voor leerlingen met een specifieke onderwijsbehoefte.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Artikel 69. Subsidie expertisecentrum onderwijszorg
1.

Onze Minister verstrekt het expertisecentrum onderwijszorg subsidie.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gegeven over het verstrekken van subsidie aan het expertisecentrum onderwijszorg voor de taken, bedoeld in artikel 28, eerste lid.

Artikel 70. Beroep
1.

In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de Wet administratieve rechtspraak BES kan een belanghebbende beroep instellen bij het Gemeenschappelijke Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba tegen:

  • a. een besluit of een van rechtswege verleende goedkeuring als bedoeld in de afdelingen 2 en 8 van deze titel,
2.

De artikelen 54 en 55 Wet administratieve rechtspraak BES zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 71. Instandhouding openbare scholen door een stichting of een openbare rechtspersoon
1.

Voor de toepassing van deze titel zijn de voorschriften die betrekking hebben op bijzondere scholen, van overeenkomstige toepassing op openbare scholen die in stand worden gehouden door een stichting als bedoeld in artikel 54 of een openbare rechtspersoon als bedoeld in artikel 53, tenzij het tegendeel blijkt.

2.

Indien een openbare school in stand wordt gehouden door een stichting of een openbare rechtspersoon, wordt deze aangemerkt als een door het openbaar lichaam in stand gehouden openbare school voor de toepassing van de afdelingen 2 en 7 van deze titel.

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

§ 3. Personeel

Artikel 72. Aanvang bekostiging
1.

Onze Minister kan een school voor bekostiging in aanmerking brengen.

2.

De bekostiging van een openbare en een bijzondere school kan slechts een aanvang nemen indien het bevoegd gezag een aanvraag daartoe heeft ingediend bij Onze Minister. Deze aanvraag vermeldt of het openbaar of bijzonder onderwijs betreft, en de beoogde plaats van vestiging van de school.

3.

De aanvraag gaat vergezeld van:

  • a. een belangstellingsmeting als bedoeld in artikel 72a;
  • b. het voorgenomen beleid over de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school zal worden gevoerd, voor zover dit betreft de uitwerking van de wettelijke voorschriften voor:
  • 2°. de inrichting van het onderwijs, bedoeld in artikel 10, eerste lid en een leerlingvolgsysteem als bedoeld in artikel 10, vierde lid;
  • 4°. de inhoud van het onderwijs, die dekkend zal zijn voor de kerndoelen, bedoeld in artikel 11 of 12; en
  • 5°. de scheiding tussen de functies van bestuur en het toezicht daarop, bedoeld in artikel 23 en 24 en, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 32, een beschrijving van de over te dragen taken;
  • c. een document waaruit blijkt dat het openbaar lichaam van het eiland van vestiging van de school en de bevoegde gezagsorganen van de scholen en vestigingen binnen het voedingsgebied van de school zijn gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging; en
  • d. een verklaring omtrent het gedrag van de personen die het bestuur en het intern toezicht vormen en die op het tijdstip van het doen van de aanvraag niet ouder is dan zes maanden.
4.

De aanvraag bevat tevens:

  • a. een beschrijving van het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs;
  • b. een beschrijving van de beoogde samenstelling van de formatie van de school;
  • c. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de voorschriften die worden gesteld aan de bekwaamheid van leraren, en degenen die onderwijsondersteunende werkzaamheden verrichten en werkzaamheden verricht van leidinggevende aard;
  • d. een beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorg voor de sociale, psychische en fysieke veiligheid van leerlingen op school;
  • e. een meerjarenbegroting over de eerste drie schooljaren die is gebaseerd op de bekostiging die de school zal ontvangen gegeven het aantal te verwachten leerlingen in die periode;
  • f. de verwachtingen met betrekking tot de huisvesting;
  • g. informatie over de hoogte van en het beleid ten aanzien van de vrijwillige geldelijke bijdrage die van de ouders zal worden gevraagd en het jaarlijks verwachte totaalbedrag van die bijdragen; en
  • h. een beschrijving van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de medezeggenschap in de school.
5.

Een school wordt slechts voor bekostiging in aanmerking gebracht indien op grond van de belangstellingsmeting aannemelijk is dat zij binnen 8 jaar vanaf de datum van ingang van de bekostiging zal worden bezocht door ten minste 200 leerlingen.

6.

De artikelen 73 tot en met 75 zijn niet van toepassing bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd.

7.

De bekostiging kan slechts aanvangen per 1 augustus van een schooljaar.

8.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de elementen, bedoeld in het tweede lid.

9.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop de aanvraag plaatsvindt en kan een model voor de aanvraag worden vastgesteld.

Artikel 73. Voldoende openbaar onderwijs
1.

Indien uit schriftelijke verklaringen van ten minste 50 verschillende ouders van kinderen tot en met de leeftijd van 12 jaar behoefte blijkt te bestaan aan het volgen van openbaar onderwijs en dat in die behoefte niet of onvoldoende wordt voorzien, onderzoekt het bestuurscollege of uit de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 72, tweede lid, onderdeel a, voldoende belangstelling blijkt.

2.

Indien uit de belangstellingsmeting voldoende belangstelling is gebleken, dient het bestuurscollege een aanvraag als bedoeld in artikel 72, eerste tot en met derde lid, in, met uitzondering van een document waaruit blijkt dat de gemeente van de beoogde plaats van vestiging van de school is gevraagd om te overleggen over het voornemen tot het doen van een aanvraag om bekostiging.

3.

Voor een openbare school wordt in elk geval door het bestuurscollege een aanvraag als bedoeld in artikel 72 ingediend, indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waar openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat.

4.

Indien binnen 10 kilometer van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven over de weg gemeten geen school aanwezig is waar openbaar onderwijs wordt gegeven en aan het volgen van openbaar onderwijs behoefte bestaat, brengt Onze Minister een openbare school waarvoor een aanvraag is gedaan voor bekostiging in aanmerking, indien voldaan is aan de voorschriften van artikel 72, tweede en derde lid.

Artikel 74. Berekening aantal leerlingen

Vervallen

Artikel 75. Aanvraagprocedure nieuwe school
1.

De aanvraag, bedoeld in artikel 72, tweede lid, wordt ingediend voor 1 november. De inspectie adviseert Onze Minister of de aanvraag voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel b.

2.

Indien het bevoegd gezag het voornemen heeft om een aanvraag, bedoeld in het eerste lid, in te dienen, meldt het bevoegd gezag dit voor 1 juli aan Onze Minister voorafgaand aan die voorgenomen aanvraag. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld aan de wijze waarop deze melding plaatsvindt en kan een model voor de melding worden vastgesteld.

3.

Onze Minister controleert of de belangstellingsmeting, bedoeld in artikel 72, derde lid, onderdeel a, juist en volledig is en besluit op basis van de aanvraag, bedoeld in artikel 72, tweede, derde en vijfde lid, voor 1 juni of de school met ingang van 1 augustus van het kalenderjaar volgend op het besluit van Onze Minister voor bekostiging in aanmerking wordt gebracht. Indien Onze Minister de aanvraag op grond van de belangstellingsmeting en de voor de school geldende stichtingsnorm, bedoeld in artikel 72, vijfde lid, afwijst, blijft het advies van de inspectie, bedoeld in het eerste lid, achterwege.

4.

Onze Minister kan de aanvraag, bedoeld in artikel 72, tweede lid, afwijzen indien de aanvraag is ingediend door een rechtspersoon, niet zijnde een gemeente, die reeds een of meer scholen in stand houdt en die een aanwijzing heeft ontvangen als bedoeld in artikel 128, eerste lid, of waarvan een of meer van de bestuurders of toezichthouders deel uitmaakte of uitmaakt van een andere rechtspersoon die een dergelijke aanwijzing heeft ontvangen welke aanwijzing onherroepelijk is geworden en ten tijde van de aanvraag nog geen vijf jaren oud is gerekend vanaf de ontvangst van het besluit tot toepassing van artikel 128, eerste lid.

5.

De bekostiging vangt aan op 1 augustus. De aanspraak op bekostiging vervalt indien uiterlijk op de eerste schooldag na1 augustus in het kalenderjaar na het besluit van Onze Minister geen onderwijs aan de nieuwe school wordt gegeven.

6.

In afwijking van het vijfde lid en op aanvraag van het bevoegd gezag of het openbaar lichaam van het eiland van vestiging van de school kan Onze Minister besluiten in bijzondere gevallen de aanspraak op bekostiging voor een jaar te handhaven. Indien Onze Minister daartoe besluit, vervalt de aanspraak op bekostiging, indien uiterlijk op de eerste schooldag na 1 augustus in het tweede kalenderjaar na het in het vijfde lid bedoelde besluit geen onderwijs wordt gegeven.

7.

Dit artikel is niet van toepassing op de totstandkoming van een nevenvestiging, bij omzetting van een bekostigde bijzondere school in een bekostigde openbare school of omgekeerd en bij de totstandkoming van een samenwerkingsschool.

8.

Onverminderd artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht worden besluiten, bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid, gepubliceerd in de Staatscourant.

9.

Voor uitsluitend de controle of de gegevens uit de ouderverklaringen, bedoeld in artikel 72a, vijfde lid, onderdeel a, juist en volledig zijn, maakt Onze Minister gebruik van het burgerservicenummer van een van de ouders en het kind waarop de ouderverklaring betrekking heeft.

10.

Onze Minister stelt op voordracht van de inspectie een kader vast waarin de werkwijze voor het advies, bedoeld in het eerste lid, is vastgelegd. Deze werkwijze omvat in ieder geval een gesprek over de aanvraag met het bevoegd gezag dat de aanvraag heeft ingediend. Dit kader wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

11.

Het bestuurscollege van de beoogde plaats van vestiging van de school kan voor 1 december, volgend op de datum, genoemd in het eerste lid, bij Onze Minister een zienswijze naar voren brengen.

Artikel 76. Omzetting, verhuizing en verplaatsing
1.

Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden voor bekostiging in aanmerking brengen een school die wordt omgezet van een bijzondere school in een openbare school of omgekeerd dan wel een school die tot stand komt als samenwerkingsschool als bedoeld in artikel 22a, eerste lid. Een omzetting kan slechts plaatsvinden met ingang van 1 augustus van enig kalenderjaar.

2.

Indien het bevoegd gezag binnen een gemeente een vestiging verplaatst over hemelsbreed gemeten een afstand van minder dan 3 kilometer van het huidige vestigingsadres, blijft de aanspraak op bekostiging bestaan.

3.

Indien het bevoegd gezag een vestiging verplaatst over hemelsbreed gemeten 3 kilometer of meer van het huidige vestigingsadres, zijn de artikelen 72, 72a en 75 van overeenkomstige toepassing. Onze Minister kan onder door hem te stellen voorwaarden een vestiging voor bekostiging in aanmerking blijven brengen zonder dat de belangstellingsmeting aannemelijk maakt dat de vestiging op 1 januari van het elfde jaar na de verplaatsing zal worden bezocht door ten minste het aantal leerlingen dat overeenkomt met de stichtingsnorm.

§ 2. Nadere voorschriften voor de uitvoering van afdeling 2

Afdeling 3. Voorziening in de huisvesting

Afdeling 4. Materiële instandhouding

Artikel 97. Exploitatie schoolgebouw
1.

Het bevoegd gezag, dan wel het openbaar lichaam dat eigenaar is van een schoolgebouw, zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 99, tweede lid, aanhef en onderdelen d, e en j, betrekking heeft.

2.

Het bevoegd gezag van een bijzondere school dat eigenaar is van een schoolgebouw, kan met het bestuurscollege overeenkomen dat het openbaar lichaam het in het eerste lid bedoelde deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.

3.

Het bevoegd gezag dat eigenaar is van een schoolgebouw kan met een bevoegd gezag dat gebruikmaakt van dat schoolgebouw overeenkomen dat het laatstgenoemde bevoegd gezag een deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.

4.

Indien het openbaar lichaam eigenaar is van het schoolgebouw, kan het bevoegd gezag van een bijzondere school met het openbaar lichaam overeenkomen dat het bevoegd gezag het deel van de exploitatie, bedoeld in het eerste lid, geheel of gedeeltelijk verzorgt.

5.

Het bevoegd gezag zorgt voor het deel van de exploitatie waarop de bekostiging, bedoeld in artikel 99, tweede lid, aanhef en onderdeel f, g en i, betrekking heeft.

Artikel 98. Bekostiging voor belastingen ter zake van onroerende zaken

Het openbaar lichaam bekostigt aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat is onderworpen aan een of meer der in artikel 43 van de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba bedoelde belastingen ter zake van onroerende zaken het bedrag dat is uitgegeven voor de belastingen met betrekking tot de in het openbaar lichaam gelegen gebouwen en terreinen.

Artikel 99. Bekostiging scholen
1.

De bekostiging van een school is bestemd voor kosten voor personeel en exploitatie van die school.

2.

De bekostiging van de scholen wordt in ieder geval verstrekt voor de kosten van:

  • a. de salarissen, toelagen, uitkeringen en vergoedingen voor het personeel;
  • c. de bijdragen voor het pensioen voor het personeel en dat van de nagelaten betrekkingen;
  • d. het onderhoud van het gebouw en het terrein;
  • e. het energie- en waterverbruik;
  • f. de middelen;
  • g. de administratie, het beheer en het bestuur;
  • h. de loopbaanoriëntatie en -begeleiding;
  • i. de schoonmaak van het gebouw en het terrein; en
  • j. de publiekrechtelijke heffingen, met uitzondering van belastingen ter zake van onroerende zaken.
3.

Het bevoegd gezag wendt met in achtneming van het eilandelijk zorgplan de bekostiging aan voor de kosten, bedoeld in het tweede lid.

4.

Het bevoegd gezag kan de bekostiging mede aanwenden voor de kosten, bedoeld in het tweede lid, van:

  • a. een andere school;
  • b. een school voor voortgezet onderwijs;
  • d. het expertisecentrum onderwijszorg.
5.

Het bevoegd gezag beheert de middelen van de school op zodanige wijze dat het voortbestaan van de school is verzekerd.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het door het bevoegd gezag uitzetten van gelden, het aangaan van geldleningen en het aangaan van verbintenissen voor financiële producten.

Artikel 100. Hoogte bekostiging scholen
1.

Onze Minister stelt jaarlijks de bekostiging voor een school vast.

2.

De bekostiging voor een school bestaat uit een bedrag per school en een bedrag per leerling.

3.

Onze Minister kan extra bekostiging toekennen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de gevallen waarin, de voorwaarden waaronder en het bedrag dat aan extra bekostiging kan worden toegekend. In ieder geval wordt extra bekostiging toegekend vanwege de geïsoleerde ligging van een school en het prijspeil van Sint Eustatius en Saba.

4.

Onze Minister stelt de hoogte van de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, zodanig vast dat zij voldoet aan de redelijke behoeften van een in normale omstandigheden verkerende school.

5.

Bij ministeriële regeling worden jaarlijks de bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, vastgesteld, worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de hoogte van de bekostiging wordt berekend en worden regels gesteld over de termijnen van de betaling daarvan.

6.

De bedragen, bedoeld in het tweede en derde lid, gelden voor het kalenderjaar volgend op het tijdstip van de vaststelling.

7.

Bij de vaststelling of tussentijdse aanpassing van de bedragen, bedoeld in het eerste en vijfde lid, worden loon- en prijsontwikkelingen verwerkt, tenzij de toestand van 's Rijks financiën zich daartegen verzet.

Afdeling 2. Aanvang van de bekostiging

Artikel 101. Bekostiging bij samenvoeging

In geval van samenvoeging van basisscholen, waarbij een of meer basisscholen worden opgeheven en sprake is van een minimale instroom van leerlingen in de samengevoegde basisschool, wordt de bekostiging, bedoeld in artikel 100, eerste lid, van alle betrokken basisscholen gehandhaafd tot het einde van het kalenderjaar waarin de basisscholen zijn samengevoegd.

Artikel 102. Teldatum aantal leerlingen
1.

Bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 100, eerste lid, gaat Onze Minister uit van het aantal leerlingen van de school op 1 februari van het voorafgaande kalenderjaar.

2.

Voor een school die voor het eerst wordt bekostigd gaat Onze Minister bij het bepalen van de bekostiging, bedoeld in artikel 100, eerste lid:

  • a. voor de resterende maanden van het kalenderjaar waarin de school wordt geopend, uit van het aantal leerlingen op 1 oktober volgende op de opening en
  • b. voor het daaropvolgende kalenderjaar, uit van het aantal leerlingen van de school op 1 februari volgende op de opening.
3.

In geval van samenvoeging van scholen, bedoeld in artikel 101, eerste lid, gaat Onze Minister bij het bepalen van de hoogte van de bekostiging, bedoeld in artikel 100, eerste lid, uit van het aantal leerlingen van alle bij de samenvoeging betrokken scholen, voor elke school vastgesteld volgens het eerste lid.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het eerste lid tot en met het derde lid.

Artikel 103. Aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen
1.

In geval van bijzondere ontwikkelingen in het basisonderwijs, kan Onze Minister in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in artikel 100, bekostiging verstrekken.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het verstrekken van de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid.

3.

Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

Artikel 104. Aanvullende bekostiging bij bijzondere omstandigheden
1.

In geval van bijzondere omstandigheden, kan Onze Minister voor een school in aanvulling op de bekostiging, bedoeld in de artikelen 100 en 103, bekostiging verstrekken.

2.

De bekostiging vindt plaats:

  • a. op aanvraag van het bevoegd gezag;
  • b. indien nodig, onder het opleggen van verplichtingen aan het bevoegd gezag;
  • c. voor een bepaalde periode.
3.

De aanvraag wordt niet eerder ingediend dan 16 weken voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de bijzondere omstandigheden zich zullen voordoen en niet later dan in het kalenderjaar waarin die omstandigheden zich hebben voorgedaan.

4.

Onze Minister beslist binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag. Onze Minister kan deze termijn eenmaal met ten hoogste 28 weken verlengen.

5.

Onze Minister kan een bekostigingsplafond instellen voor de aanvullende bekostiging, bedoeld in het eerste lid. In dat geval worden bij ministeriële regeling regels gesteld over de verdeling.

Afdeling 6. Budget voor personeels- en arbeidsmarktbeleid

Artikel 105. Grondslag bekostiging lichamelijke oefening
1.

Het bestuurscollege stelt na overleg met de bevoegde gezagen van de niet door het openbaar lichaam in stand gehouden scholen het aantal uren per week vast dat per groep leerlingen ten hoogste:

  • a. ter beschikking wordt gesteld in een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening, of
  • b. voor bekostiging voor de exploitatie van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening in aanmerking komt.
2.

Het aantal uren, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op ten minste twee uren.

3.

Het bestuurscollege stelt de hoogte vast van:

  • a. de bekostiging, bedoeld in het eerste lid, onder b, en
  • b. de bekostiging voor de vaste kosten van de exploitatie van een ruimte voor lichamelijke oefening waarvan de eigendom berust bij het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school.
4.

De hoogte van de bekostiging, bedoeld in het derde lid, kan verschillend worden vastgesteld, afhankelijk van de oppervlakte van de ruimte, alsmede tussen ruimten voor de exploitatie waarvan op grond van de onderwijswetgeving bekostiging wordt verleend en ruimten waarvoor dat niet het geval is.

Afdeling 2. Overige regelen voor het openbaar onderwijs

§ 5. Ouders

Artikel 106. Bekostiging door openbaar lichaam aan bevoegd gezag
1.

Het openbaar lichaam verstrekt jaarlijks aan het bevoegd gezag van een niet door het openbaar lichaam in stand gehouden school dat eigenaar is van een ruimte voor het onderwijs in lichamelijke oefening:

  • a. een bedrag dat wordt bepaald ingevolge artikel 105, en
  • b. voor zover het gebruik van die ruimte ontoereikend is een overeenkomstig het tweede lid vastgesteld bedrag.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)