Leerplichtwet BES
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Deze wet verstaat onder:
- a. Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- b. school:
- 1°. een openbare of een uit openbare kas bekostigde bijzondere basisschool of school of een ingevolge artikel 2.68 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 aangewezen instelling voor voortgezet onderwijs;
- 2°. een ingevolge artikel 2.66 van de Wet voortgezet onderwijs 2020 aangewezen bijzondere school voor voortgezet onderwijs, in een openbaar lichaam;
- 3°. een andere school die wat de inrichting van het onderwijs betreft, overeenkomt met de criteria, bedoeld in artikel 3, en wat de bevoegdheden van leraren betreft, overeenkomt met een of meer van de onder 1° bedoelde scholen;
- 4°. een andere krachtens artikel 2, eerste lid, onder a, voor de toepassing van deze wet als school aangewezen onderwijsinstelling;
- c. instelling:
- 1°. een instelling voor educatie en beroepsonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs BES;
- 2°. een andere krachtens artikel 2, eerste lid, onder b, voor de toepassing van deze wet als instelling aangewezen cursus of instelling, waar onderwijs of vorming wordt gegeven;
- d. hoofd:
- 1°. hij die met de leiding van de school is belast;
- 2°. hij die met de leiding van de instelling is belast;
- e. ambtenaar: de ambtenaar, bedoeld in artikel 28;
- f. startkwalificatie:
- 1°. een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onder b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 2.4 onderscheidenlijk artikel 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 2°. een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aangewezen diploma van onderwijs aan een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.68 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
- 3°. een ander krachtens artikel 2, eerste lid, onderdeel c, voor de toepassing van deze wet aangewezen diploma;
- g. openbaar lichaam: het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba;
- h. inspectie: de inspectie, bedoeld in de Wet op het onderwijstoezicht;
- i. persoonsgebonden nummer BES: het ID-nummer dat van de jongere is opgenomen in de basisadministratie persoonsgegevens van het openbaar lichaam dan wel het door Onze Minister uitgegeven onderwijsnummer.
Artikel 2. Aanwijzing scholen, instellingen en diploma’s
Bij ministeriële regeling dan wel bij beschikking van Onze Minister kunnen:
- a. onderwijsinstellingen dan wel groepen daarvan worden aangewezen als school bedoeld in artikel 1, onderdeel b subonderdeel 4,
- b. cursussen of instellingen waar onderwijs of vorming wordt gegeven dan wel groepen daarvan worden aangewezen als instelling bedoeld in artikel 1, onderdeel c, subonderdeel 2, en
- c. diploma’s, van een opleiding aan een school als bedoeld in onderdelen a en b, worden aangewezen als startkwalificatie, bedoeld in artikel 1, onderdeel f, subonderdeel 2.
Aan de aanwijzing kunnen voorwaarden worden verbonden.
Onze Minister kan de aanwijzing intrekken indien het hoofd of het personeel van de school of instelling niet binnen de door hem gestelde redelijke termijn alle medewerking verleent die Onze Minister redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden. Indien het hoofd of het personeel van de school of instelling uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen zij het verlenen van medewerking weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 3. Scholen als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3
Onverminderd titel I van de Wet primair onderwijs BES en de artikelen 1.1, 1.2, 1.4, 3.37, 3.38, 7.9, eerste lid, 8.28 en 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, moet een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3,
- a. wat de inrichting van het basisonderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 10, eerste, tweede, derde, lid 3a, vierde, vijfde lid, onderdeel a, zesde en zevende lid, 11, 12 en 13, eerste volzin, van de Wet primair onderwijs BES, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 10, derde lid, van genoemde wet;
- b. wat de inrichting van het voortgezet onderwijs betreft, voldoen aan de criteria, bedoeld in de artikelen 2.2, 2.11 en 2.87, eerste volzin, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, en tevens heeft de school een schoolplan dat ten minste een beschrijving bevat van het beleid inzake het onderwijs, bedoeld in artikel 2.2 van genoemde wet en besteedt het onderwijs binnen de eerste twee leerjaren van het voortgezet onderwijs aantoonbaar aandacht aan de kerndoelen, bedoeld in artikel 2.13 van genoemde wet, en aansluitend aan de kerndoelen als onderwijsprogramma voor de eerste twee leerjaren, stelt het onderwijs de leerlingen aantoonbaar in staat om hun onderwijsloopbaan voort te zetten in het vervolgonderwijs op een niveau dat van de leerling verwacht mag worden.
Het bestuurscollege volgt bij zijn oordeel of een onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, een door de inspectie ter zake gegeven besluit.
Indien Onze Minister naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 14 van de Wet op het onderwijstoezicht besluit dat een school niet langer voldoet aan de criteria die gelden voor een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, dan volgt het bestuurscollege van het openbaar lichaam waarin de school is gevestigd dit besluit en oordeelt het dat de school niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3.
Indien het besluit, bedoeld in het derde lid, daartoe aanleiding geeft, stelt het bestuurscollege de ouders van de leerlingen van de onderwijsvoorziening binnen 7 dagen schriftelijk op de hoogte van het feit dat de onderwijsvoorziening niet langer een school is als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdeel 3, of verzekert het er zich van dat de onderwijsvoorziening de ouders daarvan op de hoogte heeft gesteld.
Artikel 4. Meerderjarige jongeren
Indien een leerplichtige jongere of een jongere die kwalificatieplichtig is meerderjarig is, rusten de verplichtingen en bevoegdheden die in deze wet zijn toebedeeld aan de in artikel 6, eerste lid, bedoelde personen op de jongere zelf.
Artikel 5. Maatregelen
Indien de kwaliteit van het niet uit ’s Rijks kas bekostigde onderwijs ernstig of langdurig tekortschiet, kan Onze Minister op verzoek van het hoofd van een school of instelling of uit eigener beweging in overeenstemming met het hoofd maatregelen treffen.
Tot de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, behoort de mogelijkheid het hoofd van een school of instelling te laten bijstaan door een extern deskundige. Ook kunnen onder voorwaarden extra financiële middelen aan de school of instelling ter beschikking worden gesteld.
§ 2. Leerplicht
Artikel 6. Verantwoordelijke personen
Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en persoonsgebonden nummer BES zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen persoonsgebonden nummer BES van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het persoonsgebonden nummer BES van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben gekregen.
De in het eerste lid bedoelde verplichtingen gelden niet voor zover de daarin bedoelde personen kunnen aantonen dat zij daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden geacht.
De jongere die de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt, is verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet de school waaraan hij als leerling staat ingeschreven, geregeld te bezoeken, onverminderd het bepaalde in het eerste lid.
Artikel 7. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving
De verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vier jaar bereikt, en eindigt:
- a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;
- b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.
Een jongere die een basisschool in minder dan acht schooljaren heeft doorlopen, wordt voor de toepassing van het eerste lid onder a geacht reeds acht schooljaren een school te hebben bezocht.
Artikel 8. Vervangende leerplicht
Indien het een jongere betreft die ten minste de leeftijd van 14 jaar heeft bereikt en waarvan naar het oordeel van het bestuurscollege is komen vast te staan, dat hij niet geschikt is volledig onderwijs aan een school te volgen, kan het bestuurscollege van het openbaar lichaam waar de jongere als ingezetene is ingeschreven, op aanvraag van de in artikel 6, eerste lid, bedoelde personen, in overeenstemming met het bevoegd gezag van de school, toestaan dat gedurende een bepaald schooljaar, voor zover nodig, in afwijking van het bepaalde in de artikelen 2.13, 2.14, 2.18, 2.31, vierde lid, en 2.38, zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 de jongere aan de school een programma volgt, dat naast algemeen vormend onderwijs en op het beroep gericht onderwijs tevens praktijktijd bevat, bestaande uit arbeid van lichte aard, te verrichten naast en in de samenhang met het onderwijs.
De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een plan van aanpak dat voorziet in een begeleidingsprogramma ten behoeve van de jongere dat is opgesteld door de school en dat ten minste bevat een beschrijving van de onderwijsdoelen en van de praktijktijd.
Alvorens het bestuurscollege besluit op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, hoort het bestuurscollege in elk geval:
- a. degene die de aanvraag heeft ingediend en de jongere zelf, en
- b. het hoofd van de school waar de jongere staat ingeschreven.
Het bestuurscollege besluit binnen 4 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, en zendt binnen 2 weken na het nemen van het besluit daarvan afschrift aan de in artikel 6, eerste lid, bedoelde personen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.