Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2011, nr. IENM/BSK-IENM/BSK-2011/145875, houdende vaststelling van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
§ 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- ademalcoholgehalte: ademalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, of derde lid, onderdeel a, van de wet;
- beginnende bestuurder: bestuurder als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet;
- bloedalcoholgehalte: bloedalcoholgehalte dat wordt geconstateerd tijdens een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, of derde lid, onderdeel b, van de wet;
- bloedonderzoek: onderzoek als bedoeld in artikel 163, vierde lid, van de wet;
- directeur: de directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR);
- wet: Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2
Een vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage.
Indien een vermoeden als bedoeld in het eerste lid wordt gebaseerd op het gestelde in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onderdeel B, subonderdeel III, Drogerende stoffen, dient betrokkene bij minimaal één feit bestuurder te zijn geweest van een motorrijtuig waarvoor een rijbewijs is vereist.
Artikel 3
Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen blijken uit:
- a. eigen waarneming en gegevens afkomstig van de politie;
- b. gegevens afkomstig van de officier van justitie, of
- c. door de politie nagetrokken gegevens uit andere bron.
Feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 2 kunnen voor zover het de geschiktheid betreft bovendien blijken uit:
- a. gegevens door de directeur verkregen in het kader van aanvragen van verklaringen van geschiktheid als bedoeld in artikel 97 van het Reglement rijbewijzen;
- b. gegevens, door de directeur van een arts verkregen, of
- c. gegevens, door de directeur uit andere bron verkregen.
Het meest recente feit, bedoeld in artikel 2, is ten tijde van de mededeling niet langer dan zes maanden geleden geconstateerd. Indien het een mededeling betreft van de officier van justitie inzake bijlage 1, onder IV, dient de mededeling uiterlijk binnen zes maanden nadat de laatste afdoening onherroepelijk is geworden, te worden gedaan. Een uitzondering is slechts mogelijk, indien in de aard van de zaak gelegen omstandigheden dit rechtvaardigen.
Artikel 4
De mededeling bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet wordt gedaan op een door het CBR vastgestelde wijze.
De in artikel 130, derde lid, van de wet bedoelde toezending aan het CBR van een ingevorderd rijbewijs geschiedt bij aangetekende brief.
§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid
Artikel 5
Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:
- a. betrokkene heeft een motorrijtuig bestuurd onder invloed van drogerende stoffen, andere dan alcohol;
- b. betrokkene heeft een poging tot zelfdoding met een motorrijtuig ondernomen;
- c. er zijn duidelijke aanwijzingen dat betrokkene lijdt aan een aandoening waardoor hij geestelijk en/of lichamelijk niet goed functioneert, dan wel ernstige psychiatrische problemen ondervindt, hetgeen bij twijfel bevestigd wordt door een medisch deskundige;
- d. betrokkene heeft met een motorrijtuig tegen de rijrichting in gereden (spookrijden);
- e. betrokkene heeft binnen een periode van een jaar ten minste drie aanrijdingen veroorzaakt;
- f. betrokkene is als bestuurder van een motorrijtuig rechtstreeks betrokken bij een aanrijding met duidelijke materiële dan wel letselschade en verklaart de aanrijding niet te hebben bemerkt;
- g. betrokkene is niet in staat het motorrijtuig in bedwang te houden;
- h. betrokkene heeft een aanrijding veroorzaakt door het intrappen van het onjuiste pedaal of door het niet intrappen van het juiste pedaal;
- i. betrokkene is bewust ingereden op een andere weggebruiker;
- j. bij betrokkene wordt als bestuurder van een motorrijtuig een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰;
- k. bij betrokkene wordt, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰;
- l. vervallen;
- m. ten aanzien van betrokkene is binnen een periode van vijf jaar ten minste drie maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, eerste, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij de laatste overtreding moet zijn begaan als houder van een rijbewijs;
- n. betrokkene heeft twee maal als beginnende bestuurder een of meer van de in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, opgenomen feiten begaan en voor deze feiten is hij tijdens of na de in artikel 1, onder beginnende bestuurder, genoemde termijn onherroepelijk veroordeeld, tenzij voor het feit in eerste instantie een strafbeschikking als bedoeld in artikel 257b van het Wetboek van Strafvordering is uitgevaardigd, dan wel voor deze feiten is tijdens of na die termijn ten aanzien van hem een onherroepelijk geworden strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering uitgevaardigd.
Artikel 6
In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.
§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 3. Lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer
§ 5. Educatieve maatregel gedrag en verkeer
§ 6. Alcoholslotprogramma
§ 7. Onderzoeken
§ 8. Ongeldigverklaring van het rijbewijs
§ 4. Educatieve maatregel alcohol en verkeer
Bijlage 1. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Bijlage 2. bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Gelet op de artikelen 130, eerste en derde lid, 131, eerste en derde lid, 132, tweede lid, 132a, tweede, derde en vijfde lid, 132b, vijfde lid, 132c, vijfde, zesde, zevende en negende lid, 132d, eerste, tweede, derde en vijfde lid, 133, vierde en vijfde lid, 134, tweede, derde, zevende en achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop de artikelen I, onderdelen A, E tot en met DD, en GG tot en met PP, en II tot en met VIII, van de Wijzigingswet Wegenverkeerswet 1994 (aanpassing Vorderingsprocedure en invoering alcoholslotprogramma) (Stb. 2010/259) in werking treden.
§ 1. Inleidende bepalingen
§ 2. Vordering tot overgifte van het rijbewijs en schorsing geldigheid
Artikel 7
Het CBR besluit tot een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰;
- b. bij betrokkene, in de hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, maar lager is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰.
Artikel 8
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht;
- b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
- c. hij de afgelopen vijf jaar aan een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- d. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- e. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;
- f. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt;
- g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
- h. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.
Artikel 9
Betrokkene verleent onder meer niet de vereiste medewerking aan de educatieve maatregel, indien hij:
- a. de kosten van de educatieve maatregel niet heeft voldaan binnen de termijn of op de wijze die is vastgelegd bij het besluit waarbij de verplichting tot het zich onderwerpen aan die maatregelen is opgelegd;
- b. onder invloed van alcohol of andere drogerende stoffen op de desbetreffende cursus verschijnt;
- c. niet of niet binnen de door het CBR gestelde termijn meewerkt aan de educatieve maatregel zonder dat daarvoor naar het oordeel van het CBR een geldige reden van verhindering is opgegeven;
- d. demonstratief niet aan de cursus deelneemt;
- e. zich tijdens de cursus agressief gedraagt, of
- f. tijdens de cursus op andere wijze het groepsproces verstoort.
Artikel 10
De kosten van oplegging van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven in dat besluit.
De kosten van uitvoering van de lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen vijf weken nadat het verzoek tot betaling van de uitvoeringskosten van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven in het in het eerste lid bedoelde besluit.
De in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen worden niet verlengd.
Artikel 11
Het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. bij betrokkene een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 435 µg/l, respectievelijk 1,0‰, maar lager is dan 785 µg/l, respectievelijk 1,8‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
- b. bij betrokkene in de hoedanigheid van beginnende bestuurder een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 350 µg/l, respectievelijk 0,8‰, maar lager is dan 570 µg/l, respectievelijk 1,3‰, of indien betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
- c. ten aanzien van betrokkene binnen een periode van vijf jaar tenminste twee maal proces-verbaal opgemaakt op verdenking van overtreding van artikel 8, tweede, derde of vierde lid, van de wet, waarbij bij één van die verdenkingen een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat hoger is dan 220 µg/l, respectievelijk 0,5‰, dan wel hoger is dan 88 µg/l, respectievelijk 0,2‰ indien een van de feiten is begaan als beginnende bestuurder, of waarbij hij ten minste eenmaal heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid;
- d. betrokkene op grond van artikel 8, onderdeel c, niet in aanmerking komt voor een lichte educatieve maatregel alcohol en verkeer;
- e. betrokkene weigert mee te werken aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede of derde lid, van de wet;
- f. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12
Betrokkene komt niet in aanmerking voor de educatieve maatregel alcohol en verkeer indien:
- a. hij een ongeval heeft veroorzaakt waardoor een ander is gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel is toegebracht,
- b. blijkt dat hij de Nederlandse taal dan wel een andere taal waarin de educatieve maatregel alcohol en verkeer wordt gegeven, niet of niet in voldoende mate beheerst;
- c. hij de afgelopen vijf jaar aan een educatieve maatregel alcohol en verkeer heeft deelgenomen;
- d. hij zich de afgelopen vijf jaar heeft moeten onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid wegens alcohol;
- e. hij naar het oordeel van een medisch deskundige lijdt aan een ernstige psychiatrische stoornis of dementie, dan wel aan een langdurige lichamelijke stoornis die deelname onmogelijk maakt,
- f. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van alcoholafhankelijkheid, of
- g. het vermoeden bestaat dat er bij betrokkene sprake is van afhankelijkheid van drogerende stoffen anders dan alcohol.
Artikel 13
De kosten van oplegging van de educatieve maatregel alcohol en verkeer worden betaald binnen vijf weken nadat het besluit tot oplegging van die maatregel aan betrokkene bekend is gemaakt, op de wijze zoals aangegeven bij dat besluit.
De in het eerste lid bedoelde termijn wordt niet verlengd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.