Beleidsregels Toetsingskader Wet Bpf 2000

Type Beleidsregel
Publication 2021-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid maakt bekend, gehoord hebbende de Stichting van de Arbeid (10 november 2011) en De Nederlandsche Bank N.V. (8 november 2011) de beleidsregels bij aanvragen, wijzigen of intrekken van verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds (verder ook ‘verplichtstelling’) op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (verder: Wet Bpf 2000) deels te herzien.

Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. De Minister van SZW ondersteunt met het instrument van verplichtstelling deze verantwoordelijkheid van sociale partners en het sluit aan op het streven van het kabinet naar een situatie waarin witte vlekken op het terrein van de aanvullende pensioenen niet langer voorkomen.

Door een besluit tot verplichtstelling wordt de deelname in een bedrijfstakpensioenfonds (verder: bpf) voor iedereen in een omschreven bedrijfstak verplicht. De verplichtstelling levert hierdoor een belangrijke bijdrage aan de verkleining van de witte vlekken.

Het Toetsingskader Wet Bpf 2000 is na de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 ingevoerd per 1 oktober 2001. Sociale partners, belanghebbenden en derden krijgen inzicht in de criteria waaraan aanvragen in het kader van de verplichtstelling worden getoetst en in de procedures die daarbij gevolgd worden. Hierdoor kan ook van die zijde een bijdrage worden geleverd aan een snellere afwikkeling van aanvragen op basis van de Wet Bpf 2000.

In de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wet Bpf 2000) is bepaald dat arbitrale bedingen buiten de reikwijdte van de verplichtstelling vallen (artikel 2, derde lid, van de Wet Bpf 2000). Doordat dit in de wet is vastgelegd, zijn zulke bepalingen van rechtswege van de verplichtstelling uitgesloten. Hierdoor zijn ongeorganiseerden niet gebonden aan arbitrale bedingen in de pensioenregeling van het bpf.

Statutaire werkingssfeer

Een bpf heeft een statutaire werkingssfeer. Het hoeft echter niet deze hele statutaire werkingssfeer te zijn waarvoor de verplichtstelling geldt. De verplichtstelling kan ook worden aangevraagd voor een deel van die statutaire werkingssfeer.

Nieuw in relatie tot de opgave van de representativiteit is het volgende. Bij een aanvraag om (wijziging/intrekking van de) verplichtstelling moet een nadere toelichting worden gegeven op de wijze waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. Gebleken is dat de gegeven toelichting niet altijd afdoende is met als gevolg dat daardoor de procedure om verplichtstelling wordt vertraagd. Teneinde op een meer gestructureerde wijze de vereiste toelichting te leveren kan gebruik gemaakt worden van een daarvoor opgesteld formulier representativiteitsgegevens. Aan de hand van deze toelichting zal kunnen worden beoordeeld of de toegepaste onderzoeksmethode voldoet aan de vereisten van zorgvuldigheid en reproduceerbaarheid. Ook de specifieke omstandigheden in de bedrijfstak worden in de beoordeling meegenomen. Gebruik maken van het formulier is vereist ingeval van een percentage representativiteit onder de 60 en ingeval beargumenteerde zienswijzen tegen de representativiteit daartoe aanleiding geven. Naast een kostenreductie in verband met accountantskosten kan dit ook een versnelling in de procedures opleveren. Voor meer specifieke gevallen blijft het mogelijk om een nadere rapportage van een accountant te verlangen.

Op wie een besluit tot verplichtstelling van toepassing is, wordt bepaald door de werkingssfeer van de verplichtstelling zoals die is omschreven door sociale partners. Het moet duidelijk zijn wie onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen. Ongeorganiseerden moeten kunnen begrijpen of zij, in het geval van verplichtstelling, moeten deelnemen in het verplichtgestelde bpf.

De beoordeling van de representativiteit van de sociale partners die een aanvraag in het kader van de Wet Bpf 2000 indienen is ook gekoppeld aan de omschreven werkingssfeer van de verplichtstelling.

Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, benoemen sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd. Een aanvraag voor verplichtstelling kan zich richten op één of meerdere bedrijfstakken binnen een bpf of op een deel van een bedrijfstak. Dit moet uit de omschreven werkingssfeer blijken.

De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. Sociale partners kunnen aangeven hoe wordt omgegaan met ondernemingen die slechts voor een deel de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen.

Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfstakken of ook ondernemingspensioenfondsen kunnen namen van bedrijven worden opgenomen, bijvoorbeeld om te bepalen of een bedrijf in verband met een variëteit aan bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer valt.

Enkel een opsomming van namen van bedrijven ter omschrijving van de werkingssfeer voldoet niet aan de eisen. Gedachte achter een verplichtstelling is dat deelname verplicht is voor een bepaalde bedrijfstak. Nieuwkomers in de bedrijfstak moeten ‘automatisch’ onder de werkingssfeer vallen en bedrijven die bedrijfsactiviteiten gaan verrichten in een andere bedrijfstak moeten ‘automatisch’ buiten de werkingssfeer vallen, zonder dat de verplichtstelling gewijzigd hoeft te worden. Dit is bij een werkingssfeer op basis van een opsomming van namen van bedrijven niet mogelijk.

1. Doel van verplichtstelling

Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor de arbeidsvoorwaarden, waaronder pensioen. De Minister van SZW ondersteunt met het instrument van verplichtstelling deze verantwoordelijkheid van sociale partners en het sluit aan op het streven van het kabinet naar een situatie waarin witte vlekken op het terrein van de aanvullende pensioenen niet langer voorkomen.

Uit de werkingssfeer moet ook blijken wie van de in de bedrijfstak werkzame personen als deelnemer in het pensioenfonds verplicht worden deel te nemen. Daarom moet worden omschreven, als er een minimumleeftijd voor toetreding is, hoe hoog die is. Verder moet de maximumleeftijd voor beëindiging van de deelname in het pensioenfonds worden opgenomen. Bij verwijzing naar artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 of artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet zal de maximumleeftijd automatisch meebewegen met het tijdpad dat daarin is opgenomen. Ook moet aangegeven worden welke werkzame personen het betreft, bijvoorbeeld werknemers in de zin van het Burgerlijk Wetboek (BW) of in de zin van de werknemersverzekeringen. Personen die in een andere hoedanigheid in de bedrijfstak werkzaam zijn, kunnen ook onder de werkingssfeer van een bpf vallen. Indien dit van toepassing is, moet worden gedefinieerd welke personen worden bedoeld.

Overlapping van werkingssferen

Het is mogelijk dat de werkingssferen van twee verschillende bedrijfstakpensioenfondsen elkaar overlappen. Zo’n overlap van werkingssferen komt meestal aan het licht via ingediende zienswijzen. Wanneer deelname in een van de betrokken bpf-en al verplichtgesteld is zal dit er toe leiden dat een later ingediende aanvraag om verplichtstelling daarvan afgebakend moet worden.

Statutaire werkingssfeer

In het geval van overlapping van werkingssfeer zullen de bij die bpf-en betrokken sociale partners zelf een oplossing moeten vinden. De werkingssfeer wordt immers vastgesteld door sociale partners. De Minister van SZW heeft met de omschrijving van de werkingssfeer geen bemoeienis.

Omschrijving van de werkingssfeer van de verplichtstelling

Het is mogelijk dat de (te wijzigen) werkingssfeer van een verplichtgesteld of verplicht te stellen bpf overlap vertoont met de werkingssfeer van een verplichtgestelde beroepspensioenregeling, waar het de beroepsgenoten in loondienst betreft. Dit blijkt meestal uit zienswijzen maar kan ook blijken uit de aanvraag om verplichtstelling. Partijen bij het bpf zullen de werkingssfeer dan zo moeten omschrijven dat de overlap met de beroepsgenoten in loondienst, die al onder een verplichtstelling vallen, wordt weggenomen.

Indien overlap wordt geconstateerd bij twee gelijktijdig in behandeling zijnde aanvragen, de een in het kader van de Wet Bpf 2000 en de ander in het kader van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, worden beide aanvragen aangehouden. Aanvragers zullen worden verzocht een oplossing te vinden voor de overlap bij gebreke waarvan niet tot besluitvorming kan worden overgegaan.

Om de werkingssfeer van de verplichtstelling te omschrijven, benoemen sociale partners de bedrijfsactiviteiten die toebehoren aan de bedrijfstak(ken) waarvoor de verplichtstelling wordt gevraagd. Een aanvraag voor verplichtstelling kan zich richten op één of meerdere bedrijfstakken binnen een bpf of op een deel van een bedrijfstak. Dit moet uit de omschreven werkingssfeer blijken.

De bedrijfsactiviteiten moeten duidelijk worden omschreven. Sociale partners kunnen aangeven hoe wordt omgegaan met ondernemingen die slechts voor een deel de in de werkingssfeer omschreven bedrijfsactiviteiten uitoefenen.

Ter verduidelijking van de afbakening ten opzichte van andere bpf-en, bedrijfstakken of ook ondernemingspensioenfondsen kunnen namen van bedrijven worden opgenomen, bijvoorbeeld om te bepalen of een bedrijf in verband met een variëteit aan bedrijfsactiviteiten onder de werkingssfeer valt.

Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. In de artikelen 2, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt dit geformuleerd als het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt.

Reden hiervoor is dat een besluit in het kader van de verplichtstelling grote gevolgen heeft voor een bedrijfstak, in beginsel voor onbepaalde tijd. Voldoende draagvlak binnen de bedrijfstak voor een dergelijk besluit is daarom van belang.

Deelnemer

Dit is anders dan bij een verzoek om avv. Dat kan op basis van de wet worden ingediend door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen van werkgevers of werknemers.

Overlapping van werkingssferen

In het geval van meerdere bedrijfstakken binnen één bpf zal per bedrijfstak de representativiteit beoordeeld worden.

Sociale partners hebben bij de omschrijving van de werkingssfeer de mogelijkheid om bepaalde categorieën werknemers of bedrijven van de werkingssfeer uit te zonderen. Deze vallen dan buiten de werkingssfeer van het bpf en buiten het besluit tot verplichtstelling en worden daarom niet meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.

Op basis van artikel 13, derde lid, van de Wet Bpf 2000, is het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (Stb. 2000, 633) tot stand gekomen. Op grond daarvan is het op bepaalde gronden mogelijk door het bpf te worden vrijgesteld van verplichte deelname. De vrijgestelden blijven echter onder de werkingssfeer van de verplichtstelling vallen en worden daarom wel meegenomen in de beoordeling van de representativiteit.

Een besluit tot verplichtstelling kan pas genomen worden wanneer de werkingssferen door sociale partners bij debetrokken bpf-en zijn afgebakend. Het moet uit het oogpunt van rechtszekerheid duidelijk zijn in welk bpf de ongeorganiseerde verplicht is deel te nemen.

De mate van representativiteit wat betreft de werkgeverspartijen wordt conform avv-beleid berekend:

Er zal ook worden gekeken of de werkgeversorganisaties statutair bevoegd zijn voor de betreffende bedrijfstak arbeidsvoorwaarden af te spreken.

Beoordeling van de representativiteit aan werknemerszijde

a. Bij aanvragen op grond van de Wet Bpf 2000

Uitgangspunten

Een aanvraag in het kader van de verplichtstelling moet worden ingediend door een voldoende representatieve vertegenwoordiging van sociale partners in de bedrijfstak waarvoor verplichtstelling wordt gevraagd. In de artikelen 2, eerste lid, 10, eerste lid, en 11, tweede en derde lid, van de Wet Bpf 2000 wordt dit geformuleerd als ‘het georganiseerde bedrijfsleven in een bedrijfstak dat naar het oordeel van de Minister van SZW een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt’.

Bij het vaststellen of voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

De beoordeling van de tweede en derde categorie is maatwerk en hangt af van de omstandigheden in het betreffende geval.

Dit is anders dan bij een verzoek om AVV. Dat kan op basis van de wet worden ingediend door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen van werkgevers of werknemers.

Bij de opgave van de representativiteit dienen de aantallen te worden vermeld van:

De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn.

Bij een aanvraag in het kader van de verplichtstelling zal, net als bij verzoeken om avv, een nadere toelichting gegeven moeten worden op de manier waarop de representativiteitsgegevens zijn verzameld. De toelichting bevat in ieder geval:

Wanneer het bij de aanvraag slechts om een deel van de werkingssfeer gaat of om één van de bedrijfstakken in het geval van een bpf met meerdere bedrijfstakken, dan dient de opgave van de aantallen werknemers en werkgevers (op grond waarvan de representativiteit wordt vastgesteld) betrekking te hebben op de werkingssfeer van het deel van de bedrijfstak of de bedrijfstak waarop de aanvraag zich richt.

Beoordeling van de representativiteit aan werkgeverszijde

Indien de werkingssfeer van het bpf zich ook uitstrekt over personen in een andere hoedanigheid werkzaam in de bedrijfstak, dient deze opgave apart melding te maken van de aantallen van deze specifieke groep, en van de betrouwbaarheid van de gebruikte bronnen zoals die moet worden meegezonden met de hierboven genoemde toelichting.

De eisen aan de opgave van de representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

b. De periodieke representativiteitstoets

Ten minste éénmaal per vijf jaar zal worden beoordeeld of voor de verplichtstelling nog voldoende draagvlak bestaat. Op deze manier wordt veilig gesteld dat de basis voor een verplichtstelling – een belangrijke meerderheid van het bedrijfsleven in de bedrijfstak ondersteunt de verplichtstelling – gewaarborgd wordt.

De periodieke toets betreft de meting van de representativiteit op dezelfde manier, met dezelfde criteria en (vorm)vereisten, als in paragraaf 3.1.a.beschreven. Bij het verzoek van de Minister van SZW om aan te tonen dat nog steeds sprake is van een belangrijke meerderheid zullen de criteria worden vermeld en zal een checklist representativiteit worden meegezonden.

Belangrijke meerderheid in de periodieke representativiteitstoets

Bij het vaststellen of voldaan wordt aan het vereiste van een belangrijke meerderheid worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

De periodieke toets op de representativiteit kent geen procedure op grond waarvan derden zienswijzen kunnen indienen. Wel kan in het geval van de periodieke toets op representativiteit overleg met de Stichting van de Arbeid plaatshebben, in het bijzonder wanneer sprake is van onduidelijkheid over de representativiteit.

Intrekking wegens het ontbreken van een belangrijke meerderheid

Indien niet wordt voldaan aan het vereiste van een belangrijke meerderheid, zal de procedure als omschreven in paragraaf 4f worden gevolgd.

De opgegeven aantallen dienen van recente datum te zijn. De gegevens zouden op het moment van inzending in beginsel niet ouder dan één jaar mogen zijn.

Iedere keer dat een verplichtstelling is opgelegd dan wel gewijzigd, en waarbij de representativiteit is vastgesteld, begint de termijn van vijf jaar voor de periodieke toets opnieuw te lopen.

Indien geen wijziging van de verplichtstelling plaatsvindt, zal vijf jaar na de vorige periodieke toets of in het geval van een noodzakelijke herhalingstoets, vijf jaar na die herhalingstoets, de representativiteit opnieuw getoetst worden.

In het geval dat bij een aanvraag om wijziging van de verplichtstelling is gebleken dat de representativiteit onvoldoende is, zal de wijziging van de verplichtstelling niet plaatsvinden en begint de periode van vijf jaar niet opnieuw te lopen. Na de oorspronkelijke vijf jaar zal de periodieke toets op representativiteit plaatsvinden en bij onvoldoende meerderheid ook na de herhalingstoets twee jaar later, zal de procedure zoals hierna beschreven in paragraaf 4fworden gevolgd.

Indien meerdere afgebakende bedrijfstakken onderdeel uitmaken van één bpf, zal de vijfjaarstermijn voor de diverse bedrijfstakken afzonderlijk worden vastgesteld. De uitgangspunten voor het vaststellen van de aanwezigheid van een belangrijke meerderheid zijn hier dezelfde als in het geval van aanvraag, wijziging en intrekking van een verplichtstelling.

De eisen aan de opgave van de representativiteitsgegevens zijn ook vastgelegd in de Regeling betreffende aanvragen op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000.

b. De periodieke representativiteitstoets

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.