Wet van 8 december 2011 tot wederzijdse bijstand in de Europese Unie bij de invordering van belastingschulden en enkele andere schuldvorderingen 2012
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is voorzieningen te treffen tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet strekt tot uitvoering van de op 16 maart 2010 door de Raad van de Europese Unie vastgestelde Richtlijn 2010/24/EU betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84) en geeft regels over de door Nederland te verlenen en te vragen bijstand bij de invordering van de in het tweede lid bedoelde schuldvorderingen die in een andere lidstaat onderscheidenlijk in Nederland ontstaan.
Deze wet is van toepassing op schuldvorderingen die voortvloeien uit:
- a. alle vormen van belastingen en rechten, geheven door of ten behoeve van een lidstaat of zijn territoriale of staatkundige onderdelen, lokale overheden daaronder begrepen, dan wel ten behoeve van de Europese Unie;
- b. restituties, interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van volledige of gedeeltelijke financiering door het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO), met inbegrip van in het kader van deze maatregelen te innen bedragen;
- c. heffingen en andere rechten uit hoofde van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker;
- d. bestuursrechtelijke sancties, boetes, heffingen en toeslagen die verband houden met de schuldvorderingen waarvoor om wederzijdse bijstand kan worden verzocht overeenkomstig de voorgaande onderdelen, en:
- 1°. die zijn opgelegd door de administraties die bevoegd zijn om de desbetreffende belastingen of rechten te heffen dan wel om administratieve onderzoeken daarnaar te verrichten, of
- 2°. die op verzoek van de in onderdeel 1° genoemde administraties zijn bevestigd door administratieve of gerechtelijke instanties;
- e. heffingen voor in het kader van administratieve procedures in verband met belastingen en rechten afgegeven verklaringen en soortgelijke documenten;
- f. interesten en kosten die zijn verbonden aan de schuldvorderingen waarvoor om wederzijdse bijstand kan worden verzocht op overeenkomstig de voorgaande onderdelen.
Deze wet is niet van toepassing op:
- a. verplichte socialezekerheidsbijdragen, te betalen aan een lidstaat, een onderdeel van die lidstaat of een publiekrechtelijke socialezekerheidsinstelling;
- b. heffingen die niet genoemd worden in het tweede lid;
- c. contractueel verschuldigde bedragen, zoals betalingen voor openbare nutsvoorzieningen;
- d. strafrechtelijke sancties die zijn opgelegd op grond van een strafvordering en andere niet onder het tweede lid, onderdeel d, vallende strafrechtelijke sancties.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. lidstaat: lidstaat van de Europese Unie;
- b. richtlijn: Richtlijn 2010/24/EU van de Raad van 16 maart 2010 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit belastingen, rechten en andere maatregelen (PbEU 2010, L 84);
- c. bevoegde autoriteit: de door een lidstaat als zodanig aangewezen autoriteit;
- d. verzoekende autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat die een verzoek om bijstand indient ter zake van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
- e. aangezochte autoriteit: een centraal verbindingsbureau, een verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een lidstaat waaraan een verzoek om bijstand wordt gericht ter zake van een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid;
- f. centraal verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat primair verantwoordelijk is voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de onder de richtlijn vallende wederzijdse bijstand;
- g. verbindingsbureau: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen bureau dat verantwoordelijk is voor de contacten met andere lidstaten ten behoeve van de wederzijdse bijstand betreffende een of meer specifieke vormen of categorieën van de in artikel 1 bedoelde belastingen en rechten;
- h. verbindingsdienst: een door een bevoegde autoriteit van een lidstaat aangewezen dienst die op grond van de richtlijn verzoekt om wederzijdse bijstand of die deze verleent in verband met zijn specifieke territoriale of functionele bevoegdheid;
- i. Onze Minister: Onze Minister van Financiën;
- j. persoon:
- 1°. een natuurlijk persoon;
- 2°. een rechtspersoon;
- 3°. indien de geldende wetgeving in een lidstaat in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke status van rechtspersoon bezit, of
- 4°. een andere juridische constructie, ongeacht de aard of vorm ervan, met of zonder rechtspersoonlijkheid, die activa bezit of beheert die, met inbegrip van de daardoor gegenereerde inkomsten, aan een onder deze wet vallende belasting zijn onderworpen;
- k. langs elektronische weg: door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking, met inbegrip van digitale compressie, en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektronisch magnetische middelen;
- l. CCN-netwerk: het op het gemeenschappelijke communicatienetwerk (common communications network – CCN) gebaseerde gemeenschappelijke platform dat de Europese Unie ontwikkeld heeft voor het elektronische berichtenverkeer tussen autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen.
Artikel 3
Onze Minister wordt voor Nederland aangewezen als bevoegde autoriteit en centraal verbindingsbureau. Onze Minister is tevens verantwoordelijk voor de contacten met de Europese Commissie. Voor Nederland worden geen verbindingsbureau en verbindingsdienst aangewezen.
Hoofdstuk 2. Bijstand door Nederland te verlenen
§ 2.1. Verzoek om inlichtingen
Artikel 4
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat verstrekt Onze Minister, met inachtneming van de artikelen 5 tot en met 7, alle inlichtingen die normaliter voor die verzoekende autoriteit van belang zijn ten behoeve van de invordering van haar schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid.
Artikel 5
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek om inlichtingen te verlenen gevolg.
Artikel 6
Indien een verzoek om inlichtingen voor inwilliging vatbaar is, wordt hieraan uitvoering gegeven door Onze Minister. Met het oog op die inlichtingenverstrekking laat Onze Minister alle administratieve onderzoeken verrichten die noodzakelijk zijn om deze inlichtingen te verkrijgen.
Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit verleent desgevraagd zijn medewerking aan de uitvoering van een verzoek om inlichtingen.
De colleges van gedeputeerde staten, de colleges van burgemeester en wethouders en de dagelijkse besturen van waterschappen verlenen desgevraagd hun medewerking aan de uitvoering van een verzoek om inlichtingen.
De uitvoering van een verzoek om inlichtingen geschiedt met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die van toepassing zijn bij het verzamelen van gegevens ten behoeve van de invordering van een in Nederland ontstane schuldvordering van soortgelijke aard als die waarop het verzoek om inlichtingen betrekking heeft.
Artikel 7
Onze Minister is niet gehouden inlichtingen te verstrekken wanneer:
- a. deze niet zouden kunnen worden verkregen voor de invordering van in Nederland ontstane soortgelijke schuldvorderingen;
- b. daarmee een commercieel, een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld;
- c. mededeling daarvan een aantasting zou kunnen vormen van de veiligheid of in strijd zou kunnen zijn met de openbare orde van Nederland.
In geen geval wordt het tweede lid uitgelegd in die zin dat Onze Minister mag weigeren inlichtingen te verstrekken, louter omdat de inlichtingen bij een bank, een andere financiële instelling of een als vertegenwoordiger, agent of trustee optredende persoon berusten, of omdat de inlichtingen betrekking hebben op eigendomsbelangen in een persoon.
Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek om inlichtingen.
§ 2.2. Verzoek om betekening van stukken
Artikel 8
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat worden alle stukken, gerechtelijke en buitengerechtelijke akten en beslissingen met betrekking tot schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, of de invordering daarvan, die uitgaan van de verzoekende lidstaat, in Nederland betekend aan de geadresseerde met inachtneming van de artikelen 9 tot en met 11.
Artikel 9
Het verzoek, bedoeld in artikel 8, gaat vergezeld van een toelichting op de betekening (uniform notificatieformulier). Dit formulier wordt bij de betekening uitgereikt aan de betrokken persoon.
Artikel 10
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek tot betekening te verlenen gevolg.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat in Nederland aan het verzoek tot betekening is gegeven.
Artikel 11
Indien het verzoek tot betekening voor inwilliging vatbaar is, draagt Onze Minister zorg voor de betekening van de akte of beslissing waarop het verzoek betrekking heeft met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures betreffende het betekenen van een overeenkomstige Nederlandse akte of beslissing.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de datum waarop het document aan de geadresseerde is betekend.
§ 2.3. Verzoek om invordering
Artikel 12
Op verzoek van de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat worden schuldvorderingen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, waarvoor een titel voor het nemen van executiemaatregelen in de verzoekende lidstaat (oorspronkelijke titel) bestaat, in Nederland ingevorderd met inachtneming van de artikelen 13 tot en met 20.
Artikel 13
Het verzoek tot invordering gaat vergezeld van een uniforme titel voor het nemen van invorderingsmaatregelen als bedoeld in artikel 12 van de richtlijn (uniforme titel).
Het verzoek kan vergezeld gaan van andere, in de verzoekende lidstaat afgegeven documenten die betrekking hebben op de schuldvordering.
De uniforme titel, bedoeld in het eerste lid, wordt hier te lande rechtstreeks erkend en behandeld als executoriale titel van een Nederlandse schuldvordering.
Artikel 14
Onze Minister beslist zo spoedig mogelijk omtrent het aan het verzoek tot invordering te verlenen gevolg.
Artikel 15
Indien Onze Minister besluit gevolg te geven aan het verzoek tot invordering dat betrekking heeft op een schuldvordering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, draagt hij een door hem aan te wijzen ontvanger op tot invordering van de schuldvordering over te gaan.
Ter zake van de invordering van de schuldvordering, bedoeld in het eerste lid, is de Invorderingswet 1990 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 7, 20, 21, 22, derde lid, 22a, 23, 23a, 25, derde tot en met eenentwintigste lid, 26 en 32 tot en met 57 van die wet. De invordering van de schuldvordering geschiedt, met inachtneming van de eerste volzin, met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die gelden voor de invordering van een soortgelijke Nederlandse schuldvordering of, bij het ontbreken van een vergelijkbare Nederlandse schuldvordering, met overeenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften en procedures die gelden voor de invordering van de inkomstenbelasting.
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit met bekwame spoed in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot invordering is gegeven.
Artikel 16
Onze Minister stelt de verzoekende autoriteit in kennis van ieder besluit omtrent uitstel van betaling of de betaling in termijnen.
Artikel 17
Ter zake van een verzoek tot invordering is rente verschuldigd overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V van de Invorderingswet 1990.
Voor de berekening van de verschuldigde rente wordt als vervaldag aangemerkt de datum waarop het verzoek is ontvangen.
Artikel 18
De invordering geschiedt in euro’s.
Artikel 19
Aan het verzoek tot invordering hoeft niet te worden voldaan:
- a. in gevallen waarin deze bijstand, wegens de situatie van de schuldenaar, ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard in Nederland zou opleveren;
- b. indien het totaalbedrag van de schuldvorderingen waarvoor om bijstand bij invordering wordt verzocht lager is dan € 1500.
Onze Minister brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan een verzoek tot invordering.
Artikel 20
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.