Regeling van de Minister van Infrastructuur en Milieu, van 8 februari 2012, nr. IENM/BSK-2011/177169, houdende vaststelling van de Scheepsafvalstoffen-regeling Rijn- en binnenvaart

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-10-09
State In force
Source BWB
artikelen 31
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3, 14, tweede en derde lid, 20, eerste lid, 27, 32, vierde lid, 38, tweede lid, 40, 42, tweede lid, 45, 53, tweede lid en derde lid, 62, eerste lid en tweede lid, 76, 82, eerste lid, onderdeel a, en 100, van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart, alsmede de artikelen 39d, derde lid, en 39g, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Wijzigingsbesluit Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart (implementatie van internationale voorschriften (Stb. 2012/101)) in werking treedt.

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder besluit: Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart.

Artikel 2

De schepen die ingevolge artikel 3 van het besluit zijn uitgezonderd, zijn:

Paragraaf 2. Betaling van de afvalbeheersbijdrage

Artikel 3

Het nationaal instituut, bedoeld in artikel 39g van de Binnenvaartwet, is de Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart te Rotterdam.

Artikel 4

De ECO-kaart is toepasbaar in het elektronische betalingssysteem SPE-CDNI, bedoeld in artikel 3.01, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling.

Artikel 5

1.

De betaling aan de leverancier van de verschuldigde bijdrage geschiedt onmiddellijk bij levering van de gasolie door middel van de betaalterminal, die deel uitmaakt van het in artikel 4 bedoelde betalingssysteem.

2.

De eigenaar van het schip draagt zorg dat het saldo op zijn rekening bij het nationaal instituut steeds toereikend is voor digitale betaling van de verschuldigde bijdrage.

3.

Het nationaal instituut berekent aan de eigenaar van het schip die niet op de in het eerste lid bedoelde wijze of door middel van een automatische incasso heeft betaald administratiekosten.

4.

Het derde lid is niet van toepassing indien door storing buiten het risico van de eigenaar van het schip digitale betaling als in het eerste lid bedoeld niet mogelijk was.

5.

De administratiekosten bedoeld in het derde lid kunnen slechts worden geïnd bij de eigenaar van een schip waaraan het nationaal instituut zelf een ED-kaart heeft verstrekt.

Artikel 6

De gegevens, bedoeld in artikel 27 van het besluit, stelt de leverancier digitaal aan de Inspectie Leefomgeving en Transport ter beschikking.

Artikel 7

1.

Het tarief van de afvalbeheerbijdrage bedraagt € 7,50 per 1000 liter gasolie, gemeten bij 15°C.

2.

De hoogte van de in artikel 5, derde lid, bedoelde administratiekosten bedraagt € 25,– exclusief belastingen.

Artikel 8

1.

Het nationaal instituut stelt aan iedere leverancier per bunkerfaciliteit kosteloos een betaalterminal beschikbaar.

2.

Het nationaal instituut heeft in ieder geval tot taak:

3.

Het nationaal instituut kan algemene voorwaarden van toepassing verklaren op de rechtsbetrekking met bunkerstations en met eigenaren van schepen.

Paragraaf 3. Olie-afgifteboekje

Artikel 9

1.

Het model voor het olie-afgifteboekje, bedoeld in artikel 14 van het besluit, is het model, opgenomen in aanhangsel I bij de Uitvoeringsregeling.

2.

Een olie-afgifteboekje wordt verstrekt door de Stichting Afvalstoffen en Vaardocumenten Binnenvaart te Rotterdam.

Paragraaf 4. Nalenssysteem

Artikel 10

Het nalenssysteem van het schip voldoet aan aanhangsel II bij de Uitvoeringsregeling.

Paragraaf 5. Losstandaarden en lozing van water

Artikel 11

1.

Een verwijzing in deze paragraaf naar een kolom van de tabel heeft betrekking op de desbetreffende kolom van de tabel van aanhangsel III bij de Uitvoeringsregeling.

2.

Een verwijzing naar een in een kolom van de tabel aangegeven losstandaard of bijzondere behandeling heeft mede betrekking op een desbetreffende voetnoot in kolom 6 dan wel onderaan in de tabel.

3.

Indien in een voetnoot die betrekking heeft op de aanduiding van een bijzondere behandeling in kolom 5 van de tabel een beperking wordt aangegeven tot gevallen waarin de desbetreffende goederensoort verontreinigd is, wordt er voor de toepassing van deze paragraaf van uitgegaan dat de bedoelde verontreiniging aanwezig is, tenzij uit een vervoersdocument uitdrukkelijk het tegendeel blijkt.

Artikel 12

Bij het laden worden in de vervoersdocumenten de naam en het viercijferige goederennummer van de goederensoort vermeld die in aanhangsel III bij de Uitvoeringsregeling, voor de desbetreffende goederensoort zijn aangegeven.

Artikel 13

In afwijking van artikel 42, eerste lid, van het besluit, wordt de restlading zodanig verwijderd, dat de losstandaard ‘vacuümschoon’ wordt bereikt, indien het laadruim aansluitend zal worden gewassen en in de ingevolge de artikelen 14 tot en met 19, alsmede 47 van het besluit, voor het waswater toe te passen kolom van de tabel de losstandaard vacuümschoon is aangegeven.

Artikel 14

1.

Indien uit een laadruim of een ladingtank van een schip lading wordt gelost, behorende tot een goederensoort waarvoor in kolom 5 van de tabel een bijzondere behandeling is aangegeven, wordt:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de voor die bijzondere behandeling benodigde voorzieningen niet beschikbaar zijn op de plaats waar wordt gelost.

Artikel 15

1.

Indien uit een laadruim of een ladingtank van een schip:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de voor die bijzondere behandeling benodigde voorzieningen niet beschikbaar zijn op de plaats waar wordt gelost.

Artikel 16

Indien uit een laadruim of een ladingtank van een schip:

Artikel 17

1.

Indien uit een laadruim of een ladingtank van een schip lading wordt gelost en zich na het lossen of wassen afvalwater dat ladingrestanten bevat in dat laadruim of die ladingtank bevindt, doch de artikelen 14, 15, 16, alsmede artikel 47 van het besluit niet van toepassing zijn, wordt het afvalwater daar achtergelaten en wordt de schipper in overleg met de exploitant van het schip een ontvangstvoorziening toegewezen voor het afgeven van dat afvalwater.

2.

De aangewezen ontvangstvoorziening is gelegen in de nabijheid van de losplaats of op de route van het schip.

Artikel 18

De artikelen 14, 15, 16, 17, alsmede artikel 47 van het besluit, zijn van overeenkomstige toepassing, indien uit een laadruim stukgoederen dan wel verpakte ladinggoederen of op pallets vervoerde goederen worden gelost en als gevolg van beschadigingen of lekkages lading, behorende tot een goederensoort als bedoeld in die artikelen, is vrijgekomen.

Artikel 19

1.

Indien zich in een laadruim of ladingtank na het lossen of wassen afvalwater bevindt dat ladingrestanten behorende tot verschillende goederensoorten bevat en voor een van die goederensoorten in kolom 5 van de tabel een bijzondere behandeling is aangegeven, wordt ten aanzien van dat afvalwater gehandeld zoals in de artikelen 14, 15, 16, 17, of artikel 47 van het besluit, is voorgeschreven voor afvalwater dat ladingrestanten bevat van de laatstbedoelde goederensoort.

2.

Indien zich in een laadruim of ladingtank na het lossen of wassen afvalwater bevindt dat ladingrestanten behorende tot verschillende goederensoorten bevat waarop het eerste lid niet van toepassing is en voor een van die goederensoorten in kolom 4 van de tabel een losstandaard is aangegeven, wordt ten aanzien van dat afvalwater gehandeld zoals in de artikelen 15, 16, 17 of artikel 47 van het besluit is voorgeschreven voor afvalwater dat ladingrestanten bevat van de laatstbedoelde goederensoort.

Artikel 20

De losstandaard, bedoeld in artikel 62, eerste lid, en tweede lid, onderdeel c, van het besluit, betreft die van kolom 3 van de tabel.

Paragraaf 6. Losverklaring

Artikel 21

Het model voor de losverklaring, bedoeld in artikel 53, derde lid, van het besluit, is het model dat is opgenomen in aanhangsel IV bij de Uitvoeringsregeling.

Paragraaf 7. Boordzuiveringsinstallaties

Artikel 22

Een zuiveringsinstallatie als bedoeld in artikel 76 van het besluit voldoet aan de voorschriften, bedoeld in hoofdstuk 18 van bijlage 1.1a van de Binnenvaartregeling.

Artikel 23

Het tijdstip, bedoeld in artikel 100 van het besluit, is voor de in dat artikel genoemde schepen 31 december 2011.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Artikel 24

Een wijziging van de Uitvoeringsregeling gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.

Artikel 25

De Regeling scheepsafvalstoffen Rijn- en binnenvaart wordt ingetrokken.

Artikel 26

Deze regeling treedt in werking tegelijk met besluit van 22 februari 2012 houdende wijziging van het Scheepsafvalstoffenbesluit Rijn- en binnenvaart in verband met de implementatie van internationale voorschriften.

Artikel 27

Deze regeling wordt aangehaald als: Scheepsafvalstoffenregeling Rijn- en binnenvaart.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 2a

1.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 53 van het besluit zijn ingevolge artikel 3 van het besluit uitgezonderd vaartuigen die, gezien hun type en bouwwijze, geschikt zijn en gebruikt worden voor:

een en ander indien het schip de genoemde goederen of ladingen ook daadwerkelijk vervoert of als laatste lading heeft vervoerd en niet meerdere soorten lading tegelijkertijd vervoert of als laatste lading heeft vervoerd.

2.

Voor wat betreft de toepassing van artikel 53 van het besluit zijn ingevolge artikel 3 van het besluit voorts uitgezonderd vaartuigen voor zover die een lading lossen in een zeeschip, indien dat door de schipper kan worden gestaafd met desbetreffende vervoersdocumenten.

Paragraaf 2. Betaling van de afvalbeheerbijdrage

Paragraaf 3. Olie-afgifteboekje

Paragraaf 4. Nalenssysteem

Paragraaf 5. Losstandaarden en lozing van water

Paragraaf 5a. Ontgassingsstandaarden

Artikel 20a

Indien in een ladingtank goederen zijn vervoerd waarvan de dampen overeenkomstig de ontgassingsstandaarden en afgifte- en innamevoorschriften van aanhangsel IIIa bij de Uitvoeringsregeling niet in de atmosfeer mogen worden geventileerd, wordt de ladingtank ontgast als bedoeld in dat aanhangsel, behoudens gevallen waarvoor in het besluit is bepaald dat ontgassing niet verplicht is.

Paragraaf 7. Boordzuiveringsinstallaties

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 22a

1.

Het effluent dat wordt geloosd uit een zuiveringsinstallatie als bedoeld in artikel 77, derde lid, van het besluit, waarin het bedrijfsafvalwater is behandeld:

2.

Een zuiveringsinstallatie is voldoende gedimensioneerd, is aantoonbaar in een goede staat van onderhoud en wordt op kundige wijze beheerd.

3.

Het uit een zuiveringsinstallatie afkomstige zuiveringsslib mag niet in een oppervlaktewaterlichaam worden gebracht.

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Paragraaf 6. Losverklaring

Artikel 20b

1.

De bevoegde autoriteit kan voor een schip in vergelijkbare omstandigheden als genoemd in artikel 2a in het kader van het uitvoeren van specifiek vervoer ontheffing verlenen van de toepassing van artikel 53 van het besluit.

2.

Degene die lost of degene de overslaginrichting drijft geeft geen toepassing aan artikel 53 van het besluit indien de schipper hem bewijs van de ontheffing toont.

Paragraaf 7. Boordzuiveringsinstallaties

Paragraaf 8. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)