Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 29 mei 2012, nr. KO/2012/7794 , tot uitvoering van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)
Gelet op de artikelen 2, derde lid, 3, derde lid, 4, derde lid, 5, vierde lid, 6, tweede lid, 12, derde lid, 13, tweede en derde lid, 14, tweede lid, 15, tweede lid, 17, derde lid, 18, vierde lid, 19, vierde lid, 20, vierde lid van het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in werking treedt.
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 1. Begrippen
In deze regeling wordt onder ‘besluit’ verstaan: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.
Paragraaf 2. Kwaliteitseisen kindercentra
Artikel 2. Inventarisatie van risico’s met betrekking tot veiligheid en gezondheid
Vervallen
Artikel 3. Meldcode kindermishandeling
Vervallen
Artikel 4. Beroepskwalificatie personeel
Vervallen
Artikel 5. Aantal beroepskrachten en groepsgrootte in de dagopvang
Vervallen
Artikel 6. Aantal beroepskrachten en de groepsgrootte in buitenschoolse opvang
Vervallen
Artikel 7. Pedagogisch beleidsplan
Vervallen
Artikel 8. Verblijfruimten voor kinderen
Vervallen
Artikel 9. Slaapruimten voor kinderen
Vervallen
Artikel 10. Buitenspeelterrein
Vervallen
Paragraaf 3. Kwaliteitseisen gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang
Artikel 11. Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang
Bij elke voorziening voor gastouderopvang is een originele door de bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekende versie van de in artikel 7, tweede lid, van het besluit bedoelde inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s aanwezig. De inventarisatie bevat in ieder geval de risico’s, bedoeld in artikel 7, derde lid, van het besluit.
De gastouder draagt er zorg voor dat de maatregelen uit het plan van aanpak bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van het besluit binnen de gestelde termijn zijn, respectievelijk worden genomen.
De inventarisatie van risico’s bedoeld in artikel 7, derde lid, van het besluit bevat in ieder geval:
- a. de beschrijving van de risico's op het terrein van de veiligheid van kinderen ten aanzien van verbranding, vergiftiging, verdrinking, valongevallen, verwondingen, beknelling, botsen, stoten, steken en snijden;
- b. de beschrijving van de risico's op het terrein van de gezondheid van kinderen ten aanzien van het voorkomen van ziektekiemen, het binnenmilieu en het buitenmilieu bij de voorziening voor gastouderopvang en medisch handelen;
- c. een lijst van ongevallen die hebben plaatsgevonden waarop, voor zover de oorzaak van het ongeval niet louter gelegen is in de medische gesteldheid van het desbetreffende kind, de plaats en de aard van het ongeval, het jaar waarin het ongeval zich heeft voorgedaan wordt geregistreerd alsmede een overzicht van de maatregelen die de gastouder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
De gastouder draagt er zorg voor dat de lijst, bedoeld in het derde lid, onder c, actueel is.
Artikel 12. Adequate vervanging bij calamiteiten
Een adequate vervanging bij calamiteiten, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van het besluit, houdt in dat in ieder geval bij de opvang van meer dan drie aanwezige kinderen een achterwachtregeling wordt getroffen waarin een achterwacht beschikbaar is die bij calamiteiten binnen 15 minuten bij het opvangadres aanwezig is. Deze persoon is tijdens opvangtijden altijd telefonisch bereikbaar.
Artikel 13. Aantal op te vangen kinderen
Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen in de leeftijd tot 13 jaar gelijktijdig opgevangen. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
In de groep, bedoeld in het eerste lid, worden maximaal vijf kinderen tot 4 jaar gelijktijdig opgevangen.
In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden maximaal 4 kinderen tot 2 jaar gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal 2 kinderen tot 1 jaar.
Artikel 14. Eisen ruimtes gastouderopvang
De voorziening voor gastouderopvang:
- a. beschikt over voldoende speel- en slaapruimte voor kinderen, waaronder begrepen een voor kinderen tot de leeftijd van 1,5 jaar op het aantal kinderen afgestemde afzonderlijke slaapruimte;
- b. beschikt over voldoende buitenspeelmogelijkheden, afgestemd op het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen;
- c. is te allen tijde rookvrij.
De in het eerste lid bedoelde eisen worden jaarlijks door de houder van een gastouderbureau getoetst op naleving tijdens een bezoek aan de voorzieningen voor gastouderopvang.
Paragraaf 4. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Artikel 15. Gewijzigde grondslag
Deze regeling berust op de artikelen 7, zesde lid, 9, 11, tweede lid, 12, derde lid, 14, tweede lid, en 15, tweede lid, van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.
Artikel 16. Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.
Artikel 17. Beroepskwalificatie personeel
De beroepskwalificatie-eisen en bewijsstukken genoemd in de meest recent aangevangen collectieve arbeidsovereenkomst Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening worden aangemerkt als een passende beroepskwalificatie, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van het besluit.
De houder van een peuterspeelzaal informeert ouders over het aantal, de inzet en de opleiding van het personeel voor zover de ouder dat nodig heeft om een goede keuze te kunnen maken voor een peuterspeelzaal.
Artikel 18. Aantal kinderen, vaste beroepskrachten en omvang van de peuterspeelzaalgroep
In een peuterspeelzaal vindt de opvang plaats in peuterspeelzaalgroepen, met dien verstande dat in een peuterspeelzaalgroep ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig zijn.
De houder van een peuterspeelzaal deelt de ouder en het kind mee tot welke peuterspeelzaalgroep het kind behoort en welke beroepskrachten op welke dag voor welke peuterspeelzaalgroep verantwoordelijk zijn en welke vrijwilligers op deze dag aanwezig zijn.
Aan een kind worden ten hoogste drie vaste beroepskrachten in een peuterspeelzaal toegewezen, waarvan per dag ten minste één beroepskracht in een peuterspeelzaal werkzaam is in de peuterspeelzaalgroep van dat kind.
In een peuterspeelzaalgroep is ten minste één beroepskracht aanwezig.
Bij werk in een peuterspeelzaalgroep met meer dan acht feitelijk aanwezige kinderen, doch ten hoogste zestien feitelijk aanwezige kinderen, zijn er twee beroepskrachten of een beroepskracht en een vrijwilliger aanwezig.
Artikel 19. Adequate vervanging bij calamiteiten
Een adequate vervanging bij calamiteiten, bedoeld in artikel 19, derde lid, van het besluit, houdt in ieder geval in dat zodra er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op het moment dat er kinderen aanwezig zijn in de peuterspeelzaal, er een volwassen achterwacht beschikbaar is, die in geval van calamiteiten binnen 15 minuten in de peuterspeelzaal aanwezig kan zijn. De houder van een peuterspeelzaal informeert de bij de peuterspeelzaal werkzame personen over de naam en het telefoonnummer van deze persoon.
Artikel 20. Pedagogisch beleidsplan
Een pedagogisch beleidsplan, bedoeld in artikel 20 van het besluit, bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
- a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen tot de ontwikkeling van hun persoonlijke en sociale competentie en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
- b. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de peuterspeelzaalgroep;
- c. de (spel)activiteiten waarbij kinderen hun peuterspeelzaalgroep dan wel de peuterspeelzaalgroepsruimte verlaten;
- d. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bij hun werkzaamheden met kinderen worden ondersteund door andere niet structureel ingezette personen;
- e. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan de peuterspeelzaalgroep waarin zij zullen worden opgevangen;
- f. de wijze waarop de achterwacht geregeld is in het geval er slechts één beroepskracht in een peuterspeelzaal aanwezig is op de locatie;
- g. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal bijzonderheden in de ontwikkeling van kinderen of andere problemen signaleren en ouders doorverwijzen naar passende instanties die hierbij verdere ondersteuning kunnen bieden;
- h. de wijze waarop beroepskrachten in een peuterspeelzaal worden toegerust voor deze taak en op welke wijze zij daarbij worden ondersteund;
- i. de wijze waarop het vierogenprincipe van artikel 18a is vormgegeven.
Artikel 21. Vrijwilligersbeleid
In een beleidsplan, bedoeld in artikel 18, tweede lid, van het besluit staan in ieder geval:
- a. de minimumeisen waar een op de peuterspeelzaal werkzame vrijwilliger aan dient te voldoen;
- b. de afspraken die de houder van een peuterspeelzaal met vrijwilligers maakt, en
- c. de taakomschrijvingen waarin wordt omschreven welke bijdrage aan het werk in de peuterspeelzaal van de vrijwilligers wordt verwacht en op welke wijze deze samenhangt met het pedagogisch beleid.
Indien er vrijwilligers op een peuterspeelzaal werkzaam zijn, draagt de houder van een peuterspeelzaal er zorg voor dat deze vrijwilligers tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd zijn.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Artikel 22. Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen in werking treedt.
Artikel 23. Citeertitel
Deze Regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen 2012
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5a. Vierogenprincipe bij dagopvang
Vervallen
Paragraaf 3. Kwaliteitseisen gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang
Paragraaf 4. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in de artikelen 5, achtste lid en 6, vijfde lid, van deze regeling
In deze bijlage zijn de rekenregels van de rekentool opgenomen.
Dagopvang
Buitenschoolse opvang
Combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 11a. Gesprekken gastouderbureau
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat:
- a. een intakegesprek met de gastouder plaatsvindt bij de voorgenomen voorziening voor gastouderopvang;
- b. een intakegesprek met de vraagouder plaatsvindt;
- c. een koppelingsgesprek plaatsvindt bij een koppeling tussen een vraagouder en de gastouder. Het koppelingsgesprek vindt plaats bij de voorziening van gastouderopvang;
- d. ten minste jaarlijks een voortgangsgesprek met de gastouder plaatsvindt. Het voortgangsgesprek vindt plaats bij de voorziening van gastouderopvang;
- e. de gastouderopvang jaarlijks mondeling met de vraagouders wordt geëvalueerd en legt deze evaluatie schriftelijk vast;
- f. een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau in ieder geval twee maal per jaar de adressen bezoekt waar opvang door de gastouder plaatsvindt.
De gesprekken, bedoeld in het eerste lid, onder a, b, c en d, worden gevoerd door een bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau.
Artikel 11b. Zorgplicht gastouderbureaus
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per voorziening voor gastouderopvang wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep kinderen die wordt opgevangen, bedoeld in artikel 14 van het besluit, verantwoord is.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat per gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:
- a. het intakegesprek, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder b;
- b. werving van de gastouder;
- c. het intakegesprek, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder a;
- d. scholing en begeleiding van de gastouder;
- e. het begeleiden van de GGD-toetsing;
- f. de koppeling van de gastouder en de vraagouder;
- g. het koppelingsgesprek, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder c;
- h. het evaluatiegesprek, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder e;
- i. het beantwoorden van vragen van de gastouder;
- j. de bezoeken, bedoeld in artikel 11a, eerste lid, onder f;
- k. opleiding of training; en
- l. overleg op het gebied van begeleiding en bemiddeling.
De houder van een gastouderbureau draagt er zorg voor dat het gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraagouder en de gastouder en verstrekt hen hierover informatie.
Artikel 12a. Pedagogisch beleidsplan
Een pedagogisch beleidsplan als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:
- a. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen om persoonlijke en sociale competenties te ontwikkelen en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
- b. het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen en de leeftijden van die kinderen, met dien verstande, dat een gastouder ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar en minimaal conform de eisen die bij of krachtens artikel 14 van het besluit gesteld worden aan de groepsgrootte;
- c. de eisen die aan de voorzieningen voor gastouderopvang worden gesteld.
De houder van een gastouderbureau informeert de vraagouder over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan, bedoeld in het eerste lid.
Paragraaf 4. Slotbepalingen
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in de artikelen 5, achtste lid en 6, vijfde lid, van deze regeling
In deze bijlage zijn de rekenregels van de rekentool opgenomen.
Dagopvang
Dagopvang
Combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 18a. Vierogenprincipe bij peuterspeelzaal
De houder van een peuterspeelzaal organiseert de opvang op zodanige wijze, dat de beroepskracht of de beroepskracht in opleiding de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene.
Paragraaf 5. Slotbepalingen
Bijlage. als bedoeld in de artikelen 5, zevende en achtste lid, en 6, vijfde lid, van deze regeling
In deze bijlage zijn de rekenregels van de rekentool opgenomen.
1 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 jaar.
2 Bij een groep met acht kinderen van 0 jaar.
3 Bij een groep met zeven of minder kinderen van 0 jaar.
4 Bij een groep met vier kinderen van 0 jaar.
5 Bij een groep met drie of minder kinderen van 0 jaar.
6 Bij een groep met acht kinderen van 0 jaar.
7 Bij een groep met zeven kinderen van 0 jaar.
8 Bij een groep met zes kinderen van 0 jaar.
9 Bij een groep met vijf of minder kinderen van 0 jaar.
Buitenschoolse opvang
1 In plaats van een derde beroepskracht kan een andere volwassene worden ingezet.
Combinatiegroepen dagopvang/buitenschoolse opvang
1 Waarvan maximaal vier kinderen van 0 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal drie kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal twee kinderen van 0 jaar.
2 Waarvan maximaal acht kinderen van 0 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal zes kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal vier kinderen van 0 jaar.
3 Waarvan maximaal twaalf kinderen van 0 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal acht kinderen van 0 tot 2 jaar, waarvan maximaal zes 0-jarigen.
4 Waarvan maximaal vier kinderen van 1 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal drie kinderen van 1 jaar.
5 Waarvan maximaal acht kinderen van 1 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal zes kinderen van 1 jaar.
6 Waarvan maximaal twaalf kinderen van 1 jaar tot 4 jaar, waarvan maximaal acht kinderen van 1 jaar.
7 Waarvan maximaal vijf kinderen van 2 jaar tot 4 jaar.
8 Waarvan maximaal tien kinderen van 2 jaar tot 4 jaar.
9 Waarvan maximaal twaalf kinderen 2 jaar tot 4 jaar.
10 Waarvan maximaal zes kinderen van 3 jaar.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.