Besluit van 30 mei 2012 tot het stellen van eisen aan de Kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen (Besluit kwaliteit kinderopvang en peuterspeelzalen)

Type AMvB
Publication 2020-10-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 12 maart 2012, nr. KO/2012/3708;

Gelet op de artikelen 1.50, tweede lid, 1.56, tweede lid, 1.56b, tweede lid en 2.6, tweede lid van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 18 april 2012, nr. W12.12.0080/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 25 mei 2012, nr. KO/2012/4396;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Kwaliteitseisen gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begrippen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. Kwaliteitseisen kindercentra

Artikel 2. Veiligheid en gezondheid

Vervallen

Artikel 3. Opleidingseisen beroepskrachten en inzet beroepskrachten in opleiding

Vervallen

Artikel 4. Aantal beroepskrachten in relatie tot aantal kinderen per leeftijdscategorie en groepsgrootte

Vervallen

Artikel 5. Pedagogisch beleid en pedagogische praktijk

Vervallen

Artikel 6. Eisen aan ruimtes voor kinderopvang

Vervallen

Paragraaf 3. Kwaliteitseisen gastouderbureaus

Artikel 7. Veiligheid en gezondheid
1.

De houder van een gastouderbureau voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen op het adres waar de opvang plaatsvindt door de gastouder zoveel mogelijk is gewaarborgd.

2.

De houder van een gastouderbureau inventariseert jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes met zich brengt. Dit gebeurt samen met de gastouder. Daartoe draagt de houder van een gastouderbureau er zorg voor dat elk adres waar opvang plaatsvindt ten minste één keer per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.

3.

De in het tweede lid bedoelde inventarisatie van de risico’s is inzichtelijk voor vraagouders en bevat in ieder geval een beschrijving van de veiligheids- en gezondheidsrisico's die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes, met zich brengt.

4.

De administratie van het gastouderbureau bevat een door de bemiddelingsmedewerker en de gastouder ondertekend origineel van de inventarisatie van de risico’s, bedoeld in het tweede en derde lid.

5.

Bij voorzieningen voor gastouderopvang wordt door de houder van een gastouderbureau in een samen met de gastouder opgesteld plan van aanpak aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn zijn respectievelijk worden genomen in verband met de in het tweede en derde lid bedoelde risico’s.

6.

Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

Artikel 8. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
1.

De door de houder van een gastouderbureau voor de gastouders vast te stellen meldcode bevat ten minste de volgende elementen:

2.

Het in het eerste lid, onder a, bedoelde stappenplan, bevat ten minste de volgende stappen:

Artikel 9. Aanvullende regels inzake kwaliteit gastouderbureaus

Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld omtrent de kwaliteit van gastouderbureaus inzake het voeren van gesprekken met gastouders en vraagouders en inzake de zorgplicht van gastouderbureaus.

Artikel 10. Zorgplicht gastouderbureaus

Vervallen

Artikel 11. Pedagogisch beleidsplan
1.

De houder van een gastouderbureau stelt een pedagogisch beleidsplan vast, waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen in ieder geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de elementen die het plan, bedoeld in het eerste lid, minimaal bevat.

Paragraaf 4. Kwaliteitseisen gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang

Artikel 12. Veiligheid en gezondheid
1.

De gastouder neemt de op grond van artikel 7 gezamenlijk met de bemiddelingsmedewerker van het gastouderbureau opgestelde inventarisatie van de veiligheids- en gezondheidsrisico’s van de opvang van kinderen in acht. Op ieder adres waar opvang plaatsvindt is een op dat specifieke adres toegespitste inventarisatie beschikbaar.

2.

De gastouder is goed telefonisch bereikbaar en zorgt voor adequate vervanging bij calamiteiten.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud, de naleving en de beschikbaarheid van de inventarisatie, bedoeld in het eerste lid, alsmede ten aanzien van de vervanging, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 13. Deskundigheidseisen gastouder
1.

De deskundigheid van de gastouderopvang omvat:

2.

Het voldoen aan de in de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde eis blijkt uit:

3.

Het voldoen aan de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde eis blijkt uit het bezit van bij ministeriële regeling aan te wijzen bewijsstukken van met goed gevolg afgesloten onderricht dat in elk geval omvat eerste hulp aan kinderen bij ongevallen.

Artikel 14. Groepsgrootte
1.

De maximale groepsgrootte per gastouder wordt afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen, waarbij naarmate er meer kinderen in een hogere leeftijdscategorie vallen, de gastouder meer kinderen mag opvangen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de groepsgrootte, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 15. Eisen aan ruimtes gastouderopvang
1.

Het adres waar opvang plaatsvindt, beschikt over voldoende speel- en slaapruimte afgestemd op het aantal kinderen. De binnen- en buitenruimtes waar de kinderen, gedurende de tijd dat zij worden opgevangen, verblijven zijn veilig, toegankelijk en passend ingericht in overeenstemming met het aantal en de leeftijd van de op te vangen kinderen.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot de eisen waaraan de binnen- en buitenruimtes, bedoeld in het eerst lid, voldoen.

Artikel 16. Pedagogisch beleid en pedagogische praktijk

De gastouder handelt overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan dat door het gastouderbureau is opgesteld en ter beschikking gesteld op grond van artikel 11.

Hoofdstuk 2. Kwaliteitseisen peuterspeelzalen

Artikel 17. Overgangsrecht

Een certificaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, zoals dat lid luidde op 31 december 2011, dat is verstrekt voor 1 januari 2012, geeft blijk van het voldoen aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, bedoelde deskundigheidseis.

Artikel 18. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.

Artikel 19. Aantal beroepskrachten en vrijwilligers en groepsgrootte
1.

De groepsgrootte kan worden afgestemd op de leeftijdscategorieën van de kinderen.

2.

Het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten en vrijwilligers wordt afgestemd op de grootte van de groep.

3.

De houder van een peuterspeelzaal zorgt voor adequate vervanging bij calamiteiten en maakt deze bekend.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

Artikel 20. Pedagogisch beleid en pedagogische praktijk
1.

De opvang vindt in beginsel plaats in vaste groepen met vaste beroepskrachten in een vaste groepsruimte.

2.

Een peuterspeelzaal beschikt over een pedagogisch beleidsplan, waarin de voor die peuterspeelzaal kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.

3.

De houder en de personen werkzaam bij een peuterspeelzaal handelen in de praktijk van het peuterspeelzaalwerk naar het door de houder vastgestelde pedagogische beleidsplan.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen in elk geval nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

Hoofdstuk 3. Overgangs- en slotbepalingen

Paragraaf 1. Overgangsbepaling

Artikel 21. Overgangsrecht
1.

De gastouder of de houder van een kindcentrum, van een gastouderbureau of van een peuterspeelzaal wordt geacht tot 1 juli 2017 verlengd tot 1 januari 2018 ten aanzien van die onderwerpen waarvan de toezichthouder na een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 of 2.20 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen, voor 6 juni 2012 heeft vastgesteld dat er sprake is van een gelijkwaardig alternatief, voor zover er zich geen wijzigingen hebben voorgedaan, tevens te voldoen aan de kwaliteitseisen opgenomen in dit besluit en de daarop gebaseerde ministeriële regeling betreffende die onderwerpen.

2.

Een certificaat als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang, zoals dat lid luidde voorafgaande aan de inwerkingtreding van het Besluit van 16 augustus 2011 tot wijziging van het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang in verband met het niet langer toelaten van het ervaringscertificaat als bewijs van deskundigheid (Stb. 398), dat is verstrekt voor 1 januari 2012, geeft blijk van het voldoen aan de in artikel 13, eerste lid, onderdeel a, van dit besluit bedoelde deskundigheidseis.

3.

Bij koninklijk besluit kan de termijn, genoemd in het eerste lid, eenmalig met een half jaar worden verlengd.

Paragraaf 1. Overgangsbepaling

Artikel 22. Intrekking besluit

Het Besluit deskundigheidseisen gastouders kinderopvang wordt ingetrokken.

Artikel 23. Grondslag

Vervallen

Artikel 24. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 25. Citeertitel

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.